Een onderneming die niet langer met een handelspartner wil samenwerken, kan haar klanten daarvan op de hoogte brengen — maar de manier waarop maakt het juridische verschil. Het Hof van Beroep Antwerpen oordeelde in een arrest van 3 september 2025 dat een rederij die haar klanten meedeelde dat een commissionair-expediteur “op de zwarte lijst” stond en “een hoog risico klant” was, zich schuldig maakte aan slechtmaking in de zin van art. VI.104 Wetboek van Economisch Recht (WER). Dat de berichten oorspronkelijk intern bedoeld waren en dat partijen geen concurrenten zijn, deed daar geen afbreuk aan.
De feiten
DBTL is een commissionair-expediteur in de Antwerpse haven. Cosco — een Chinese rederij met een Belgische scheepsagent — beslist na een eerder geschil met DBTL niet langer met haar samen te werken.
Cosco communiceert die beslissing op verschillende manieren aan haar eigen klanten, die tegelijk klanten of opdrachtgevers van DBTL zijn. Op het digitale verschepersplatform van Cosco verschijnt de waarschuwing: “Gelieve geen transport te aanvaarden met deze onderneming. We hebben een rechtszaak en het is een hoog risico klant.” Twee weken later schrijft Cosco aan een andere klant van DBTL dat DBTL “op de zwarte lijst werd gezet door ons management” en vraagt zij om een andere expediteur in te schakelen. Wanneer die klant verklaart toch met DBTL te willen werken, repliceert Cosco: “Excuus, niet mogelijk. Dank om dit te heroverwegen en het transport te organiseren met de andere Antwerpse forwarder.”
DBTL stelt een stakingsvordering in op grond van art. VI.104 WER en vordert onder meer de staking van de praktijken, een rechtzettend bericht aan de drie betrokken klanten en een dwangsom. De Voorzitter van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen wijst die vordering in mei 2024 af: het ging volgens hem deels om een interne mededeling op een Cosco-systeem, deels om reacties op uitdrukkelijke vragen van klanten, en niet om een aanval op DBTL. DBTL stelt hoger beroep in.
De beslissing
Het Hof van Beroep Antwerpen hervormt het vonnis a quo en stelt de slechtmaking wel degelijk vast.
Het Hof omschrijft slechtmaking als een mededeling die in de geest van derden afbreuk kan doen aan de geloofwaardigheid of aan de reputatie van een marktdeelnemer, van zijn producten, zijn diensten of zijn activiteit. Een ondernemer mag kritiek formuleren op de handelswijze van een andere ondernemer, maar zonder noodzaak diens reputatie in het gedrang te brengen. Of de bewering juist of fout is, doet niet ter zake — het afbrekende karakter volgt uit de wijze waarop de bewering is geformuleerd, niet uit haar gegrondheid.
Toegepast op de feiten oordeelt het Hof dat de verwijzing naar het bestaan van een rechtszaak en de omschrijving van DBTL als “hoog risico klant” slechtmaking uitmaken. Hetzelfde geldt voor de mededeling dat DBTL “op de zwarte lijst” is gezet door het management van Cosco — een formulering die nodeloos de geloofwaardigheid en de reputatie van DBTL aantast.
Het Hof verwerpt drie verweermiddelen van Cosco. Het loutere interne karakter van de berichten neemt de slechtmaking niet weg, aangezien de communicatie de opdrachtgevers van DBTL daadwerkelijk heeft bereikt. Het reactieve karakter — bepaalde berichten waren antwoorden op vragen van klanten — rechtvaardigt de slechtmaking evenmin. En het feit dat partijen geen concurrenten zijn doet niet ter zake: voor slechtmaking als oneerlijke marktpraktijk is een concurrentieverhouding niet vereist.
Het Hof stelt bijkomend vast dat Cosco zelf na de ingebrekestelling van 15 maart 2024 had toegezegd zich in de toekomst te onthouden van de verwijzing naar de rechtszaak en de omschrijving van DBTL als hoog risico klant — een toezegging die volgens het Hof bevestigt dat Cosco wel degelijk de bedoeling had om DBTL in een slecht daglicht te stellen.
Op het vlak van de remedies beveelt het Hof de staking van de praktijk binnen 14 dagen na betekening, onder verbeurte van een dwangsom van 2.500 EUR per inbreuk met een plafond van 100.000 EUR. Een gedeeltelijke publicatiemaatregel wordt toegekend op grond van art. XVII.4 WER: DBTL mag het arrest bij brief ter informatie overmaken aan de drie geïdentificeerde klanten die de slechtmakende mededelingen hadden ontvangen.
Juridische analyse en duiding
Geen concurrentievereiste — slechtmaking als breed beschermingsinstrument
Een hardnekkige misvatting in de praktijk is dat slechtmaking enkel mogelijk is tussen ondernemingen die in concurrentie staan. Het Hof bevestigt — terecht — dat dit niet het geval is. De rederij is geen concurrent van de expediteur; ze opereren in complementaire schakels van dezelfde logistieke keten. Toch volstaat de gemeenschappelijke klantenkring om slechtmaking mogelijk te maken. Hetzelfde principe werd eerder al bevestigd in een geschil tussen een uitgever en de openbare omroep over een kritisch persartikel, waar de stakingsrechter het verweer dat partijen geen concurrenten waren uitdrukkelijk verwierp.
Dit ligt in de logica van art. VI.104 WER: het verbod op met de eerlijke marktpraktijken strijdige daden beschermt ondernemingen ruimer dan louter tegen aanvallen van directe concurrenten. Het volstaat dat de mededeling in de geest van derden afbreuk kan doen aan de geloofwaardigheid van de getroffen onderneming. In een geïntegreerde economie waar B2B-relaties via meerdere lagen verlopen — toeleveranciers, distributeurs, platformaanbieders, integratoren — is dat brede toepassingsgebied geen academisch detail.
Het ‘intern document’-argument biedt geen schild
Cosco verdedigde dat de waarschuwing op haar digitale verschepersplatform een intern document was. Het Hof verwerpt dat argument resoluut: of de communicatie nu intern bedoeld was of niet, ze heeft de opdrachtgevers van DBTL bereikt — en daarmee is het juridische plaatje voltooid.
Dit is een belangrijke les voor ondernemingen die digitale platformen, klantenportalen, CRM-systemen of interne ticketingtools gebruiken om handelspartners te categoriseren. De grens tussen “intern” en “extern” is in een digitale context vaak vloeiend: tags in een gedeeld klantendossier, statussen in een orderbeheerssysteem, vrije velden in een CRM, geautomatiseerde notificaties in een platform — al deze datapunten kunnen via een interface, een gegenereerd bericht of een gespreksoverdracht bij derden terechtkomen. Eenmaal ze derden bereiken, is de juridische beoordeling onomkeerbaar.
In de praktijk betekent dit dat de inhoud van vrije tekstvelden, statussen en geautomatiseerde berichten dezelfde redactionele zorgvuldigheid verdient als externe communicatie. Niet enkel de inhoud, maar ook de architectuur van een digitale tool kan onder de juridische loep komen: zo werd eerder al geoordeeld dat een online klachtenplatform waarvan het scoresysteem onvermijdelijk tot een negatieve beoordeling leidt, op zich onwettig is wegens slechtmaking. Wie een interne categorisering “hoog risico” of “blacklisted” gebruikt, doet er dus goed aan zowel de zichtbaarheid ervan strikt te beperken als de formulering objectief en proportioneel te houden.
Een reactie op een klantvraag is geen vrijbrief
Een tweede verweer van Cosco was dat sommige berichten reacties waren op uitdrukkelijke vragen van klanten — geen spontane aanval, maar een gevraagd antwoord. Het Hof verwerpt ook dat argument. Wanneer een onderneming zich uitlaat over een andere onderneming, gelden dezelfde zorgvuldigheidseisen of die mededeling nu spontaan dan wel gevraagd is. De keuze om woorden als “zwarte lijst” en “hoog risico klant” te gebruiken in plaats van een neutraal commercieel standpunt — “wij hebben beslist niet langer met X samen te werken; gelieve een andere partner aan te stellen” — berust op de ondernemer zelf.
Strategisch betekent dit dat een onderneming die door een klant wordt bevraagd over een handelspartner waarmee ze niet meer wil werken, een beknopt en feitelijk antwoord moet formuleren. De commerciële beslissing om niet meer samen te werken staat de onderneming volledig vrij. Maar de motivering naar derden toe, zelfs op uitdrukkelijke vraag, blijft onderworpen aan de zorgvuldigheidsplicht.
Wat betekent dit concreet?
Voor ondernemingen die hun klantenrelaties beheren via digitale tools. Tags, statussen en vrije tekstvelden in CRM-systemen, klantenportalen, ticketingtools en orderbeheerssystemen vormen juridisch geen besloten gebied. Wat als interne nota wordt ingevoerd, kan via geautomatiseerde berichten, klantgesprekken of toevallige zichtbaarheid bij derden terechtkomen. Een label “hoog risico klant” of “zwarte lijst” dat in een interface bij een handelspartner verschijnt, creëert een rechtstreeks aansprakelijkheidsrisico op grond van art. VI.104 WER. De inhoud van vrije velden, statussen en geautomatiseerde notificaties verdient daarom dezelfde redactionele zorgvuldigheid als externe communicatie. Een interne governance over wie welke labels mag aanmaken, hoe ze worden geformuleerd en aan wie ze zichtbaar zijn, is geen overbodige luxe.
Voor ondernemingen die een handelsrelatie beëindigen. De beslissing zelf om niet langer met een handelspartner te werken is op zich rechtmatig. De manier waarop die beslissing aan derden wordt gecommuniceerd, is dat niet automatisch. Wie aan klanten of leveranciers laat weten dat een bepaalde partij niet meer welkom is, doet er goed aan zich te beperken tot een neutraal, feitelijk standpunt. Mededelingen over rechtszaken, risicoprofielen, integriteit of “zwarte lijsten” zijn juridisch riskant, ongeacht hun feitelijke gegrondheid. Hetzelfde geldt voor het actief bekendmaken van een rechterlijke veroordeling van een concurrent: ook dat is, ondanks de feitelijke juistheid van de mededeling, slechts onder strikte voorwaarden toegelaten. Bij een ingebrekestelling door de getroffen partij is bovendien aangewezen onmiddellijk en aantoonbaar te corrigeren — net zoals Cosco deed na de ingebrekestelling van DBTL, hoewel die correctie haar in dit geval niet uit de wind heeft gezet.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Is het slechtmaking als de beweringen feitelijk juist zijn?
Ja, dat kan. Voor de beoordeling van slechtmaking is het zonder belang of de bewering juist of fout is. Het afbrekende karakter volgt uit de manier waarop de mededeling is geformuleerd, niet uit de inhoudelijke gegrondheid ervan. Een onderneming die feitelijk in een rechtszaak is verwikkeld of waarmee de samenwerking effectief is opgezegd, kan toch het slachtoffer worden van slechtmaking als een derde dat gegeven gebruikt om haar reputatie nodeloos te beschadigen.
Is een mededeling op een gesloten of intern platform veilig?
Niet noodzakelijk. Het Hof oordeelt dat het loutere interne karakter de slechtmaking niet uitsluit zodra de communicatie derden bereikt — bijvoorbeeld via een klantenportaal, een geautomatiseerd bericht of een doorgestuurde interne notitie. De juridische beoordeling kijkt naar de feitelijke bestemming van de mededeling, niet naar de oorspronkelijke intentie of het systeem waarin ze is geplaatst.
Moeten partijen concurrenten zijn voor er sprake is van slechtmaking?
Nee. Een concurrentieverhouding is geen voorwaarde voor slechtmaking onder art. VI.104 WER. Een leverancier kan zich schuldig maken aan slechtmaking ten aanzien van een afnemer, een rederij ten aanzien van een commissionair-expediteur, een platformaanbieder ten aanzien van een gebruiker. Het volstaat dat de mededeling in de geest van derden afbreuk kan doen aan de reputatie van een marktdeelnemer.
Conclusie
Dit arrest verheldert dat slechtmaking in België een breder toepassingsgebied heeft dan in de praktijk soms wordt aangenomen. Het beschermt elke onderneming wier reputatie nodeloos in het gedrang wordt gebracht — ongeacht of er een concurrentieverhouding bestaat, ongeacht of de bewering feitelijk juist is en ongeacht of de mededeling oorspronkelijk intern bedoeld was. De grens tussen een rechtmatige commerciële beslissing om niet met een partner samen te werken en een onrechtmatige slechtmaking ligt volledig in de wijze waarop dat standpunt naar derden wordt gecommuniceerd.



