Het recht op afbeelding

Bij het vastleggen en commercieel of professioneel gebruiken van een afbeelding van een identificeerbare persoon, ontstaat er een juridisch spanningsveld tussen twee juridische kaders: het klassieke Belgische persoonlijkheidsrecht op afbeelding en de Europese Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDPR). De opvatting dat één enkele toestemming volstaat om aan de eisen van beide rechtsregimes te voldoen, is een gevaarlijke misvatting die risico’s met zich meebrengt voor ondernemingen. De beste juridische strategie bestaat erin om de contractuele aspecten van de afbeelding strikt te scheiden van de gegevensbescherming, waarbij het AVG-conforme gebruik idealiter wordt gebaseerd op het afgewogen gerechtvaardigd belang of de contractuele noodzaak, in plaats van op de herroepbare AVG-toestemming.

De historische en technologische context van het beeldrecht

Sinds het begin der tijden heeft de mens de intrinsieke behoefte gehad om zichzelf en zijn medemens af te beelden. Van de vroegste prehistorische grottekeningen tot de hyperverbonden, digitale samenleving van de eenentwintigste eeuw waarin de moderne ‘selfie’ alomtegenwoordig is, vormen beelden een cruciaal instrument om verhalen te vertellen, emoties vast te leggen en herinneringen te bewaren. De technologische ontwikkelingen van de laatste decennia hebben de mogelijkheden, de snelheid en het gemak om afbeeldingen te creëren, te manipuleren en wereldwijd te verspreiden echter exponentieel doen toenemen. Een smartphone en een internetverbinding volstaan vandaag de dag om een gemaakte foto in een fractie van een seconde met een mondiaal publiek te delen.

Bovendien hebben de recente doorbraken op het gebied van artificiële intelligentie (AI) een nieuwe realiteit gecreëerd. Het is tegenwoordig mogelijk om, zonder dat het onderwerp ooit fysiek voor een cameralens heeft gestaan, perfect geënsceneerde foto’s of video’s te genereren—de zogenaamde ‘deepfakes’—die met het blote oog niet of nauwelijks van authentiek materiaal te onderscheiden zijn. Deze belangrijke transformatie in de manier waarop de maatschappij met beelden omgaat, heeft geleid tot een sterk verscherpte maatschappelijke en juridische aandacht voor de rechten van het individu met betrekking tot het vastleggen en exploiteren van diens beeltenis.

Aan elk individu komt het fundamentele recht toe om autonoom te beslissen over wat er met zijn of haar afbeelding gebeurt, alsook het recht om controle uit te oefenen over dit gebruik en zich te verzetten tegen misbruik of onrechtmatige commerciële exploitatie. Binnen de Belgische en Europese rechtsorde wordt deze individuele autonomie gewaarborgd door een duaal en soms conflicterend stelsel van regels. Enerzijds is er het traditionele persoonlijkheidsrecht op afbeelding, dat zijn wortels heeft in de bescherming van de menselijke waardigheid en het privéleven, en anderzijds is er het moderne, uiterst formele recht op de bescherming van persoonsgegevens, zoals gecodificeerd in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

Waar de bescherming vanuit het persoonlijkheidsrecht reeds lange tijd verankerd is in de rechtstraditie en door de decennia heen vorm heeft gekregen door doctrine en rechtspraak, krijgt het Europese gegevensbeschermingsrecht momenteel voornamelijk vorm door de strikte, preventieve en sterk geformaliseerde bepalingen van de AVG, die relatief nieuw is en organisaties dwingt tot een verregaande mate van administratieve compliance. Aangezien beide rechtsregimes onverkort en gelijktijdig van toepassing zijn op de creatie en het gebruik van iemands afbeelding, gelden zij ook cumulatief wanneer partijen contractuele afspraken maken over dit gebruik. Dit duale toepassingsgebied leidt tot een aanzienlijke inperking van de klassieke contractvrijheid en creëert juridische valkuilen die, indien zij niet correct worden genavigeerd, tot onoplosbare conflicten en aanzienlijke financiële schadeclaims kunnen leiden.

Het persoonlijkheidsrecht op afbeelding: de civielrechtelijke basis

Binnen de Belgische rechtsleer en rechtspraak wordt het recht op afbeelding onomstotelijk gecategoriseerd als een persoonlijkheidsrecht, wat impliceert dat het alle fundamentele eigenschappen bezit die aan dergelijke rechten zijn verbonden. Persoonlijkheidsrechten worden gekenmerkt door hun universele aard; zij komen zonder enig onderscheid bij leven toe aan elke natuurlijke persoon en vormen de juridische beschermingsmuur rondom de menswaardigheid van het individu.

Deze rechten dragen een strikt persoonlijk karakter. Dit betekent dat zij extrapatrimoniaal zijn: men kan er geen definitieve afstand van doen, men kan ze niet verkopen, en ze zijn evenmin vatbaar voor overdracht of formele schenking. Als subjectieve rechten zijn zij absoluut, tegenstelbaar aan eenieder (erga omnes), en zij zijn onverjaarbaar.

In essentie omvat het recht op afbeelding twee ondeelbare dimensies: een passieve beschermingsdimensie en een actieve beschikkingsdimensie.

  1. Het beschermingsrecht: Dit component stelt het individu in staat om reactief en prohibitief op te treden tegen de vastlegging, reproductie of publicatie van zijn beeltenis door een derde zonder dat hiervoor een geldige toestemming werd verleend. Het biedt de juridische grondslag voor vorderingen tot staking of schadevergoeding bij inbreuken.
  2. Het beschikkingsrecht: Deze actieve dimensie, die cruciaal is voor het handelsverkeer en de mediasector, verleent de titularis de bevoegdheid om actief en contractueel toe te staan dat derden de afbeelding exploiteren, uiteraard tegen de specifieke voorwaarden, modaliteiten en vergoedingen die de titularis zelf dicteert. Het is deze dimensie die aan de basis ligt van contracten tussen fotografen en modellen, of licentieovereenkomsten waarbij een bekende topsporter of acteur aan een merk toestemming verleent om zijn of haar beeltenis te gebruiken voor de promotie van producten of diensten.

Hoewel het portretrecht in België hoofdzakelijk een creatie van de rechtspraak is—een rechtskader dat door rechters is geboetseerd op basis van het algemene recht op privacy—kent het specifieke aspecten met een uitdrukkelijke wettelijke verankering. De meest prominente en structurele bepaling is terug te vinden in artikel XI.174 van het Wetboek van Economisch recht (WER). Deze bepaling stelt in duidelijke bewoordingen dat de auteur van een portret, dan wel de eigenaar of bezitter ervan, niet het recht heeft om dit werk te reproduceren of aan het publiek mede te delen zonder de expliciete toestemming van de geportretteerde.

De ruime definitie van de afbeelding en het criterium van herkenbaarheid

Het materieel toepassingsgebied van het persoonlijkheidsrecht op afbeelding is bijzonder ruim. Het beschermt de weergave van iemands fysieke voorkomen in de breedste zin van het woord. De heersende rechtsleer hanteert een alomvattende definitie, waarbij een afbeelding wordt omschreven als de weergave van de beeltenis van een persoon door middel van eender welke beeldende techniek, mimiek, vermomming of nabootsing, die op materiële of immateriële wijze is vastgelegd. Het recht is met andere woorden van toepassing op elke weergave zolang de persoon in kwestie herkenbaar is.

Het is een veelvoorkomende dwaling om aan te nemen dat de bescherming zich beperkt tot een duidelijke weergave van het gelaat. De rechtspraak bevestigt steevast dat de beeltenis van elk herkenbaar lichaamsdeel, een typerende en unieke lichaamshouding, een specifiek silhouet, een getekende karikatuur of zelfs de inzet van een opzettelijke ‘lookalike’ voldoende is om het recht op afbeelding te activeren. Herkenbaarheid vormt de absolute sleutel in de beoordeling en kan rechtstreeks voortvloeien uit de visuele eigenschappen van de afbeelding zelf, of onrechtstreeks uit een combinatie van de afbeelding en de bredere context waarin deze werd genomen of verspreid.

De Belgische en internationale jurisprudentie biedt talrijke, fascinerende voorbeelden van deze ruime interpretatie van herkenbaarheid :

  • Tatoeages: Een afbeelding waarop louter een onherkenbaar lichaamsdeel zichtbaar is, maar wel een unieke en voor de drager kenmerkende tatoeage toont, valt onverkort onder het recht op afbeelding van de getatoeëerde persoon.
  • Acteurs en reconstructies: Een gedetineerde kan zich met succes beroepen op zijn recht op afbeelding voor beelden van een forensische reconstructie van diens ontsnappingspoging, zelfs wanneer in de beelden gebruik wordt gemaakt van een acteur die de gevangene louter vertolkt.
  • Commerciële lookalikes en verzilverbare populariteit: In een bekende procedure ontving het management van de bekende Formule 1-piloot Max Verstappen een aanzienlijke schadevergoeding wegens de schending van zijn recht op afbeelding. Een bedrijf had voor commerciële doeleinden gebruikgemaakt van een lookalike. In dergelijke gevallen houdt de rechtspraak rekening met het concept van de ‘verzilverbare populariteit’—het financiële en commerciële belang dat publieke figuren hebben bij de exclusieve exploitatie van hun naamsbekendheid en imago.
  • Contextuele identificatie: De rechtbank van eerste aanleg van Brussel oordeelde over een zaak waarbij een vrouw door een verborgen cameraploeg werd gefilmd terwijl zij zich in een café bevond en een privégesprek voerde. Hoewel haar gezicht vermoedelijk deels buiten beeld of onduidelijk was, werd geoordeeld dat zij onmiskenbaar herkenbaar was door de combinatie van haar specifieke haarkleur, haar opvallende klederdracht en het feit dat uit de audio van de opname bleek dat ze afkomstig was uit Mechelen.
  • Deepfakes: Hedendaagse fenomenen zoals deepfakes—waarbij algoritmes worden gebruikt om een synthetische afbeelding of video te genereren van een bestaande persoon die met het blote oog niet te onderscheiden is van authentiek materiaal—vallen onverminderd onder het toepassingsgebied van het persoonlijkheidsrecht.

De voorwaarden voor contractuele toestemming onder het portretrecht

Wanneer partijen contracteren over de exploitatie van een afbeelding via het actieve beschikkingsrecht, dient men de fundamenten van een rechtsgeldige toestemming nauwlettend in acht te nemen. Het rechtmatig gebruik van iemands beeltenis rust exclusief op de basis van de toestemming van de afgebeelde persoon. Deze toestemming moet aan vier cumulatieve vereisten voldoen: zij moet voorafgaand, vrij, uitdrukkelijk en zeker zijn.

Hoewel er principieel geen dwingende vormvereisten zijn—de toestemming is in juridische zin vormvrij en kan aldus perfect mondeling of zelfs stilzwijgend worden verleend—wordt het vanuit een bewijsrechtelijk en risicobeperkend oogpunt steeds geadviseerd om een schriftelijk akkoord of een ‘quit claim’ op te stellen. Degene die de afbeelding gebruikt en zich beroept op het bestaan van een toestemming, draagt immers te allen tijde de volledige bewijslast aangaande het bestaan en de precieze omvang van die toestemming.

Het concept van vrije en stilzwijgende toestemming

Een “vrije” toestemming impliceert dat de instemming zonder enige vorm van externe druk, dwang of wilsgebreken (zoals dwaling of bedrog) werd gegeven. Binnen het regime van het persoonlijkheidsrecht neemt de rechtspraak over het algemeen aan dat de loutere aanwezigheid van een gezagsverhouding, zoals de structurele ondergeschiktheid die kenmerkend is voor de relatie tussen een werkgever en een werknemer, op zichzelf onvoldoende is om automatisch te besluiten dat de toestemming niet vrij zou zijn. Dit is een cruciaal onderscheid met het latere Europese gegevensbeschermingsrecht.

Wanneer er geen schriftelijk document voorhanden is, kan een rechter het bestaan van een stilzwijgende toestemming afleiden uit het geheel van de feitelijke omstandigheden. Het gedrag van de afgebeelde persoon moet in dergelijk geval dermate eenduidig zijn dat er geen andere rationele conclusie mogelijk is dan dat er akkoord werd gegaan met het geviseerde gebruik. Een klassiek voorbeeld hiervan is de rechtspraak rond de Nederlandse voetbaltrainer Reijers. Nadat een uitspraak van hem viraal ging, werd zijn beeltenis gebruikt op T-shirts en websites ter promotie van deze uitspraak. De rechtbank stelde vast dat de trainer niet alleen had nagelaten om tijdig te protesteren toen hij op de hoogte was van het gebruik, maar dat hij bovendien in e-mailverkeer een vriendschappelijke en aanmoedigende toon aansloeg jegens de exploitanten, en zelfs bereidwillig poseerde voor een promotionele foto met een fles champagne waarop het gecontesteerde beeld werd gebruikt. De rechtbank oordeelde terecht dat uit dit samenstel van handelingen een ondubbelzinnige, zij het stilzwijgende, toestemming bleek.

Daarenboven kent het recht een vermoeden van stilzwijgende toestemming voor bepaalde welomschreven categorieën van professionele actoren, zoals fotomodellen, bekende artiesten en professionele atleten. Wanneer zij zich in het kader van hun normale beroepsactiviteit en tegen vergoeding laten fotograferen voor commerciële doeleinden, wordt vermoed dat zij impliciet instemmen met het standaard commerciële gebruik van die opnames.

Het dogma van de restrictieve interpretatie

Een van de belangrijkste juridische ankerpunten in contracten rond portretrechten is het principe van de restrictieve interpretatie. Elke toestemming, of deze nu uitdrukkelijk of stilzwijgend is verleend, moet uiterst beperkend en letterlijk worden geïnterpreteerd in het voordeel van de persoon die zijn of haar persoonlijkheidsrechten afstaat. De toestemming dient in essentie voldoende specifiek en afgebakend te zijn. Een algemene, ongelimiteerde “blanco” toestemming waarbij men toestaat dat een afbeelding “voor alle mogelijke doeleinden en op alle mogelijke media, voor onbepaalde tijd” mag worden gebruikt, wordt beschouwd als nietig.

De toestemming blijft uitsluitend en dwingend beperkt tot het doeleinde, het territoriale bereik, de draagwijdte en de tijdsduur waarvoor zij initieel werd gegeven. Een aantal concrete toepassingen van deze restrictieve interpretatie illustreren de strengheid van dit principe:

  • De toestemming die aan een fotograaf wordt verleend om iemand te fotograferen of filmen, impliceert geenszins de toestemming om deze beelden nadien te publiceren of commercieel te verspreiden. Het vastleggen en het openbaar maken vereisen twee gescheiden en specifieke toestemmingen.
  • Wanneer een persoon toestemming geeft voor de verspreiding van zijn afbeelding onder een specifiek en afgebakend publiek (bijvoorbeeld de abonnees van een lokaal tijdschrift), houdt dit nimmer de toestemming in tot verspreiding onder een ander, ruimer publiek (zoals een publicatie op een vrij toegankelijk internetplatform of nationale televisie).
  • In de context van een arbeidsrelatie impliceert de instemming van een werknemer om zijn foto te laten gebruiken voor een besloten intern personeelsblad geenszins dat de werkgever gerechtigd is om diezelfde foto nadien, zonder nieuwe toestemming, te recycleren voor een grootschalige, externe promotionele kalender die landelijk wordt verspreid.

In de contractuele praktijk dienen partijen voor elke nieuwe of afwijkende vorm van exploitatie die buiten het initiële verwachtingspatroon valt, consequent een nieuwe en specifieke toestemming te onderhandelen. Binnen langdurige contractuele relaties, zoals een arbeidsovereenkomst of een meerjarig modellencontract, kunnen partijen weliswaar een specifieke raamovereenkomst sluiten waarbij voor de duur van het contract een algemene toestemming wordt verleend voor welbepaalde categorieën van gebruik binnen een vaste context, maar ook een dergelijke algemene goedkeuring mag niet grenzeloos zijn.

Bijzondere regels: minderjarigen en overleden personen

Specifieke beschermingsregimes gelden wanneer de geportretteerde een minderjarige of een overledene betreft. In het geval van minderjarigen bepaalt het Belgisch recht dat de ouderlijke autoriteit primair verantwoordelijk is voor het uitoefenen van de contractuele rechten. Bijgevolg dienen de ouders of wettelijke voogden hun uitdrukkelijke toestemming te verlenen. Echter, zodra de minderjarige een leeftijd bereikt waarop deze in staat wordt geacht om zelf over voldoende onderscheidingsvermogen te beschikken om de draagwijdte van de publicatie te vatten—een grens die in de rechtspraktijk vaak rond de leeftijd van 12 jaar wordt getrokken, afhankelijk van de rijpheid—is tevens de persoonlijke instemming van de minderjarige vereist, naast die van de ouders.

Daarnaast dooft het recht op afbeelding niet onmiddellijk uit op het moment van overlijden van het individu. De Belgische wetgeving en rechtspraak aanvaarden over het algemeen dat het recht op afbeelding post-mortem blijft gelden gedurende een periode van twintig jaar na het overlijden van de geportretteerde. Gedurende deze termijn verschuift het beschikkingsrecht en dient elke voorgenomen exploitatie van de beeltenis ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de wettelijke rechtverkrijgenden of erfgenamen.

Het unieke en strikte recht op intrekking (herroepingsrecht)

Een van de meest controversiële en complexe aspecten van het persoonlijkheidsrecht op afbeelding is het eenzijdige intrekkingsrecht. Omdat de menselijke persoonlijkheid ondeelbaar en onvervreemdbaar is, behoudt de titularis steeds het soevereine recht om een eerder rechtsgeldig gegeven toestemming te herroepen. Elke contractuele bepaling waarin men op voorhand definitief afstand doet van dit recht tot intrekking, miskent de bescherming van een fundamenteel recht en wordt als absoluut nietig beschouwd.

Deze onvervreemdbare mogelijkheid tot intrekking staat echter op zeer gespannen voet met een van de fundamenten van het civiele recht: het algemeen rechtsbeginsel pacta sunt servanda, wat dicteert dat geldig gesloten overeenkomsten de partijen tot wet strekken en stipt moeten worden nagekomen. Om te voorkomen dat economische actoren en de mediasector vogelvrij worden verklaard en elke rechtszekerheid in commerciële licentiecontracten zou verdampen, heeft de rechtspraak een reeks uiterst strenge, cumulatieve beperkingen en voorwaarden opgelegd aan de daadwerkelijke uitoefening van dit intrekkingsrecht :

  1. De vereiste van ernstige redenen: Een intrekking kan uitsluitend worden gelegitimeerd door de opgave van objectief ernstige en zwaarwichtige motieven. Deze motieven mogen niet louter gebaseerd zijn op zuiver vermogensrechtelijke of financiële overwegingen (bijvoorbeeld de wens om de rechten elders tegen een aanzienlijk hoger honorarium te verkopen). Evenmin vormt subjectieve ontevredenheid met de esthetiek, de belichting of het finale eindresultaat van een fotoshoot een voldoende zwaarwichtige grond. Een ernstige reden doet zich in de regel pas voor wanneer de verdere uitvoering van het contract, door drastisch gewijzigde persoonlijke omstandigheden in het leven van de titularis, deze persoon ernstig zou aantasten in zijn waardigheid, eer, goede naam of maatschappelijke reputatie, zodanig dat het vasthouden aan het contract door de exploitant de facto rechtsmisbruik zou uitmaken.
  2. Belangenafweging en bewijslast: De partij die de intrekking inroept, draagt de zware bewijslast om aan te tonen dat haar persoonlijke en morele belangen in de gegeven omstandigheden zwaarder doorwegen dan de commerciële belangen van de exploitant en het maatschappelijk belang van de contractuele rechtszekerheid. Indien de exploitant, naast commerciële motieven, ook kan terugvallen op andere fundamentele rechten—zoals het recht op vrije meningsuiting, artistieke expressie of het maatschappelijke recht op informatie—zal de rechtbank de vraag tot intrekking nog aanzienlijk strenger en terughoudender beoordelen.
  3. Verbod op censuur en tijdige kennisgeving: De uitoefening van het intrekkingsrecht mag er nimmer toe leiden dat het fundamentele democratische verbod op preventieve censuur op een verdoken manier wordt omzeild of geneutraliseerd. Tevens moet de opzegging of intrekking door de titularis tijdig ter kennis worden gebracht van de exploitant, waarbij de beoordeling van de tijdigheid gebeurt aan de hand van de gedragsnorm van een normaal zorgvuldig, voorzichtig en vooruitziend persoon.
  4. Uitsluitend ex nunc werking en schadeloosstelling: Indien de rechter oordeelt dat de intrekking legitiem is, sorteert deze beslissing louter uitwerking voor de toekomst (ex nunc); reeds voltooide publicaties of verspreidingen worden niet retroactief onrechtmatig. Bovendien dicteert het billijkheidsprincipe (verankerd in het Burgerlijk Wetboek) dat de partij die haar toestemming intrekt, gehouden is om de opgezegde exploitant integraal financieel te vergoeden voor de daadwerkelijk gemaakte en objectief te bewijzen gemaakte kosten (het damnum emergens) die voortvloeien uit het voortijdig afbreken van de exploitatie.

De afbeelding als persoonsgegeven onder het Europese recht (AVG)

Waar het persoonlijkheidsrecht op afbeelding zich van oudsher richt op de civielrechtelijke verhoudingen, de interpersoonlijke integriteit en het eigendomsconcept rond de menselijke beeltenis, introduceert de Europese wetgever met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG of GDPR) een fundamenteel ander, data-gedreven paradigma. Het recht op de bescherming van persoonsgegevens is intussen uitgegroeid tot een autonoom en volwaardig Europees grondrecht, erkend door het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het Handvest van de grondrechten van de EU.

De AVG is sinds mei 2016 van kracht en fungeert als het allesomvattende juridische raamwerk voor de verwerking van persoonsgegevens. Het beoogt een maximale uniformiteit binnen de interne markt en waarborgt dat natuurlijke personen een verregaande controle behouden over hun persoonlijke informatie. De verordening is onverkort van toepassing op elke geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsook op de handmatige verwerking van gegevens die structureel zijn opgeslagen in een bestand.

Een fotografische of audiovisuele afbeelding kwalificeert onbetwistbaar en consistent als een persoonsgegeven, in de zin van artikel 4.1 van de AVG, op voorwaarde dat deze informatie verschaft over een “geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon” (de betrokkene). Het is van belang om het terminologische onderscheid met het portretrecht te maken. Waar de toepassing van het persoonlijkheidsrecht dwingend wordt gestuurd door het concept herkenbaarheid (het vermogen om de persoon visueel te herkennen op basis van het beeld zelf of de context), plaatst de AVG de focus uitsluitend op identificeerbaarheid.

Identificeerbaarheid kan direct of indirect zijn. Een foto waarop een persoon visueel volledig onherkenbaar in beeld is gebracht, maar waarbij op de achtergrond een nummerplaat van een voertuig perfect leesbaar is, zal niet onder de strikte regels van het portretrecht vallen (door het gebrek aan fysieke herkenbaarheid), maar valt wel degelijk en onverkort onder het uiterst strenge toepassingsgebied van de AVG. Via de koppeling van de nummerplaat met andere databanken kan de eigenaar van het voertuig immers indirect en ondubbelzinnig worden geïdentificeerd.

Wanneer men een dergelijke identificeerbare afbeelding digitaal opslaat, raadpleegt, structureel verzamelt in een map, publiceert via geautomatiseerde procedés op het internet, of doorzendt, stelt dit een “verwerking” vast conform artikel 4.2 van de AVG. Vanaf dat moment rusten de verplichtingen en administratieve sanctiemechanismen van de verordening op de verwerkingsverantwoordelijke.

De complexe kwalificatiekwestie: regulier of bijzonder (biometrisch) persoonsgegeven?

Binnen de doctrine van de AVG is het van belang om een scherp en nauwkeurig onderscheid te maken tussen ‘reguliere’ persoonsgegevens en ‘bijzondere categorieën van persoonsgegevens’ (ook wel gevoelige gegevens genoemd). Artikel 9 van de AVG implementeert een principieel verbod op de verwerking van gegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke of religieuze opvattingen, gezondheid, seksuele geaardheid of biometrische identificatie blijken. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, zoals bij het verkrijgen van een expliciete, geïnformeerde en vrijelijk gegeven toestemming, kan dit principiële verbod worden doorbroken.

Een strikte lezing van dit artikel creëert een existentiële crisis voor het gebruik van fotografie en beeldmateriaal. Een doorsnee foto onthult door de aard van het medium immers vrijwel altijd direct iemands huidskleur en vermoedelijke afkomst, en onthult vaak details over gezondheid (zoals het dragen van medische hulpmiddelen of een rolstoel) of religieuze overtuiging (zoals het dragen van een keppeltje, hoofddoek of kruisje). In een arrest van juli 2023 stelde het Europese Hof van Justitie (HvJ-EU) dat de verwerking van bijzondere persoonsgegevens verboden blijft, onafhankelijk van de intentie van de verwerkingsverantwoordelijke. Een extreme doortrekking van dit arrest zou kunnen impliceren dat de overgrote meerderheid van de portretfoto’s steevast onder het drastische verbodsregime van artikel 9 AVG valt, waardoor de implementatie van bijvoorbeeld beveiligingscamera’s of grootschalige commerciële fotografie onmogelijk zou worden zonder expliciete schriftelijke toestemming van elke toevallige passant.

Om deze onwerkbare en onwenselijke uitkomst te vermijden, heeft de Europese wetgever expliciet overweging 51 in de AVG opgenomen. Deze overweging stelt categorisch dat de verwerking van gewone foto’s of camerabeelden niet systematisch mag worden gelijkgesteld met de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens. Een afbeelding wordt juridisch pas getransformeerd tot een beschermd “biometrisch gegeven” wanneer de foto wordt onderworpen aan en verwerkt met behulp van specifieke, geavanceerde “technische middelen” die tot doel hebben de unieke, feilloze identificatie of geautomatiseerde authenticatie van een natuurlijke persoon mogelijk te maken.

De beoordeling hangt dus onlosmakelijk samen met de doelstelling en de nauwkeurigheid van het specifieke gebruik. Volgens toezichthoudende richtlijnen, zoals deze van de Nederlandse Autoriteit Persoonsgegevens, valt een reguliere foto van een persoon niet onder de strenge regels voor biometrische gegevens indien er aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan:

  1. De afbeelding is niet primair gericht op het vastleggen van de bijzondere of gevoelige aspecten, noch op het maken van een geautomatiseerd onderscheid op basis van deze specifieke gegevens.
  2. Het is voor de partij die de verwerking aanstuurt redelijkerwijs niet te voorzien dat derden op basis van deze beelden discriminatoir onderscheid zullen maken.
  3. Het louter vastleggen van de bijzondere persoonsgegevens op de afbeelding is een onvermijdelijk, logisch en inherent neveneffect van het fotograferen van de persoon.

Bijgevolg worden beelden afkomstig van standaard videobewakingscamera’s, commerciële fotoshoots of sfeerfotografie op evenementen behandeld als ‘gewone’ persoonsgegevens, tenzij men doelbewust gebruik gaat maken van AI-gestuurde gezichtsherkenning of geavanceerde biometrische templates.

De fundamentele conflictzone: De onverzoenbaarheid van toestemming

Wanneer men een afbeelding verwerkt die kwalificeert als een regulier persoonsgegeven, stelt de AVG een absolute eis: de verwerking moet steunen op een rechtmatige, transparante grondslag. Elke verwerkingsverantwoordelijke moet de verwerking baseren op minstens één van de zes uitputtend opgesomde rechtsgronden in artikel 6 van de AVG (toestemming, contractuele noodzaak, wettelijke verplichting, vitaal belang, algemeen belang of gerechtvaardigd belang). Het is essentieel om deze rechtsgrond voorafgaand aan de verwerking te identificeren, dit helder te communiceren in een privacyverklaring, en consequent te handhaven. Een organisatie kan niet voor de veiligheid meerdere grondslagen voor eenzelfde verwerkingsdoel aanduiden, of naadloos overschakelen naar een andere grondslag indien de primaire grondslag plotseling zou vervallen of ineffectief blijkt.

Bij het sluiten van overeenkomsten over het gebruik van iemands afbeelding, ervaren vele ondernemingen en juridische professionals de intuïtieve drang om het gebruik onder de AVG eveneens te baseren op “toestemming”. Aangezien men voor het oplossen van de eisen uit het persoonlijkheidsrecht op afbeelding al de toestemming van het individu dient te verkrijgen, lijkt dit een logische en efficiënte oplossing. Deze redenering vormt echter een juridisch mijnenveld.

De voorwaarden, de definities en de juridische mechanismen achter de toestemming onder het civielrechtelijke portretrecht enerzijds, en de toestemming onder de administratiefrechtelijke AVG anderzijds, verschillen dermate dat een gecoördineerde, gelijktijdige toepassing van de term “toestemming” in de praktijk veelal tot absurde en onrechtvaardige resultaten leidt.

Analyse van de structurele asymmetrie

Om de diepte van dit juridische moeras in kaart te brengen, biedt de onderstaande weergave een analytische vergelijking tussen de wezenlijke parameters van beide concepten van toestemming :

Juridisch ComponentToestemming onder het Persoonlijkheidsrecht (Portretrecht)Toestemming onder het Gegevensbeschermingsrecht (AVG)
Geldigheids- en vormvereistenIn essentie vormvrij. Een stilzwijgende toestemming kan perfect rechtsgeldig worden afgeleid uit het passieve gedrag of de weigering tot verzet van de betrokkene in een specifieke context.Een actieve handeling is een absolute noodzaak. Elke vorm van stilzwijgende toestemming, passiviteit, of instemming via vooraf aangevinkte selectievakjes wordt geacht ongeldig en nietig te zijn.
De eis van “vrijheid”De toestemming dient zonder wilsgebreken of onwettige dwang te zijn verstrekt. Een professionele ondergeschiktheid, zoals een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer, is op zichzelf niet voldoende om te besluiten dat de toestemming onvrij zou zijn.De toestemming moet absoluut vrij zijn. De betrokkene moet een daadwerkelijke keuze hebben en mag geen enkel nadeel ondervinden bij weigering. In relaties met een sterke machtsongelijkheid (zoals werkgever-werknemer) is vrije toestemming vrijwel categorisch uitgesloten.
Integratie in contractenDe toestemming omvat vaak de essentie of het kerndoel van het contract (bv. bij modellen en sporters) en kan onlosmakelijk verbonden zijn aan de overige contractuele prestaties.Toestemming is in de regel niet “vrij” verleend indien de uitvoering van een overeenkomst afhankelijk is gesteld van de toestemming, terwijl die verwerking niet strikt noodzakelijk is voor de effectieve dienstverlening (artikel 7.4 AVG).
InformatieverplichtingRelatief soepel, zolang de doelstelling en omvang voldoende specifiek en afgebakend in de tijd zijn. Beperkt zich veelal tot de loutere context van exploitatie.Uiterst exhaustieve en formalistische informatieverplichtingen (art. 13 en 14 AVG). De identiteit van alle verantwoordelijken en derden-ontvangers, exacte bewaartermijnen, alle specifieke deeldoeleinden en de expliciete vermelding van het herroepingsrecht moeten vooraf worden verstrekt.
Intrekkings- en herroepingsrechtUiterst uitzonderlijk en streng beoordeeld om contractuele zekerheid te borgen. Vereist de opgave van objectief “ernstige redenen”, gaat gepaard met een belangenafweging en schept de dwingende verplichting om gemaakte exploitatiekosten (het damnum emergens) te vergoeden.Het recht om toestemming te allen tijde, met onmiddellijke ingang in te trekken is onvoorwaardelijk en heilig. Er is geen enkele opgave van reden vereist, de methode van intrekking moet even eenvoudig zijn als het geven van de toestemming, en het individu is geenszins gehouden tot financiële schadevergoeding of compensatie.

Deze asymmetrie, en meer in het bijzonder de kloof inzake de modaliteiten voor het intrekken van de toestemming, vormt de grootste bedreiging voor commerciële contracten. Stel u een uiterst dure, internationale reclamecampagne voor waarbij een onderneming de afbeelding van een model prominent inzet na het sluiten van een overeenkomst. Indien de verwerking van die beelden onder de AVG louter is gefundeerd op de grondslag van ‘toestemming’, kan het model deze AVG-toestemming op om het even welk moment via een eenvoudige muisklik intrekken. Onder de regels van de AVG hoeft het model daarvoor geen enkele, laat staan een ernstige, reden op te geven, en de onderneming heeft geen enkel recht om de gepaarde gigantische productiekosten op het model te verhalen.

Op dat precieze moment verdwijnt abrupt de wettelijke basis voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal. Elke verdere opslag of openbaarmaking resulteert per direct in een inbreuk op de gegevensbescherming. Het AVG-regime overrulet in dergelijke gevallen de civiele contractuele intenties, waardoor de gemaakte commerciële afspraken via het portretrecht volledig worden ontwricht, onuitvoerbaar worden en de investeringen van de exploitant in rook opgaan.

AVG-grondslagen ter voorkoming van destructieve conflicten

Om dergelijke onrechtvaardige en financieel desastreuze situaties te voorkomen, is het voor de contractpartij die de afbeelding zal exploiteren noodzakelijk om de verwerking van de afbeelding binnen het regime van de AVG niet te baseren op ‘toestemming’, maar op een stevigere verwerkingsgrondslag. De AVG reikt hiertoe twee specifieke en geëigende alternatieven aan.

1. Noodzakelijkheid voor de uitvoering van een overeenkomst (Artikel 6.1.b AVG)

Voor contracten waarbij het gebruik van de beeltenis de absolute kern, het fundamentele voorwerp of de ‘bestaansreden’ van de transactie vormt, is deze verwerkingsgrondslag veruit de veiligste keuze. Te denken valt aan klassieke overeenkomsten tussen fotografen en betaalde fotomodellen, of grootschalige commerciële merchandisingovereenkomsten waarbij een entiteit specifieke producten in de markt zet die voorzien zijn van de beeltenis van een bekende of populaire figuur. In dergelijke scenario’s kan het contract logischerwijs niet tot stand komen noch materieel worden uitgevoerd zonder dat de persoonsgegevens (in casu: de afbeelding) daadwerkelijk worden verwerkt. De verwerking is objectief onontbeerlijk om de contractuele verbintenissen te realiseren.

Het voordeel van het inzetten van deze grondslag is het elimineren van het willekeurige AVG-intrekkingsrecht. Aangezien de verwerking niet op toestemming stoelt, kan de afgebeelde persoon het verdere verloop niet unilateraal en ongestraft torpederen door zich te beroepen op het gegevensbeschermingsrecht. Indien de persoon beslist dat men de samenwerking wil stopzetten, moet deze de klassieke bepalingen van het contractenrecht respecteren. Een eventuele contractbreuk zal bijgevolg behandeld worden volgens het verbintenissenrecht, waarbij de schadeplichtigheid onverkort behouden blijft en de wederpartij zijn investeringen financieel kan trachten te recupereren.

Het is hierbij wel van belang om reeds bij aanvang in het contract uitdrukkelijk en helder vast te leggen dat de verwerking van de afbeelding noodzakelijk is voor de uitvoering van de overeenkomst, en dit specifiek als grondslag aan te wijzen in het register van de verwerkingsactiviteiten. Men mag de contractuele verbintenissen en het AVG-beleid niet retroactief herzien of optimaliseren wanneer zich een geschil aandient.

2. Het afgewogen gerechtvaardigd belang (Artikel 6.1.f AVG)

In tal van contexten is het gebruik van een afbeelding weliswaar uiterst zinvol, functioneel en logisch, maar is de verwerking ervan niet strikt en objectief “noodzakelijk” in de zin dat de hoofdovereenkomst onmogelijk zou kunnen bestaan zonder deze verwerking. Men denke hierbij aan een werkgever die de foto van een kaderlid of medewerker met een publiek gerichte commerciële functie publiceert op de bedrijfswebsite. In dergelijke randgevallen biedt de rechtsgrond van het gerechtvaardigd belang, gebaseerd op artikel 6.1.f van de AVG, een waardevol en proportioneel alternatief.

De toepassing van deze grondslag vereist echter dat de verwerkingsverantwoordelijke proactief een drietraps-toets of proportionaliteitsanalyse uitvoert en documenteert:

  1. De legitieme doelstelling: De onderneming of instelling moet een werkelijk, aanwezig en legitiem belang nastreven dat niet ongeoorloofd is volgens wettelijke of reglementaire bepalingen. In recente rechtspraak heeft het Europese Hof van Justitie, meer bepaald in het KNLT arrest van 4 oktober 2024, de criteria aanzienlijk verduidelijkt en versoepeld. Het Hof oordeelde dat de vereiste van een “gerechtvaardigd belang” niet exclusief beperkt is tot zaken die rechtstreeks verankerd zijn in de wet (zoals misdaadpreventie of netwerkbeveiliging), maar dat elk belang legitiem kan zijn, mits het via een “negatieve toets” in overeenstemming blijkt met het recht. Dit impliceert dat een zuiver, nastrevend commercieel belang van een onderneming of sportfederatie eveneens kwalificeert als een geldige basis onder deze definitie.
  2. De noodzaakvereiste: De specifieke verwerking moet effectief noodzakelijk blijken om het nagestreefde legitieme doel te verwezenlijken. Dit houdt in dat het gerechtvaardigd belang redelijkerwijs niet even doeltreffend kan worden behaald middels andere instrumenten of mechanismen die een substantieel minder ingrijpend effect ressorteren op de grondrechten en individuele privacy van de gefotografeerde betrokkene.
  3. De balanceringsvereiste: Het belang van de verwerker dient systematisch, met inachtneming van de zeer specifieke en concrete feitelijke omstandigheden, te worden afgewogen tegen de fundamentele grondrechten, vrijheden en objectieve belangen van het individu dat op de afbeelding figureert. Men dient in deze weging nadrukkelijk rekening te houden met de theorie van de redelijke verwachtingen: kon de persoon in kwestie op het moment van de opname en in het licht van de relatie met de verwerkingsverantwoordelijke billijkerwijs en objectief inschatten dat diens afbeelding voor dit exacte doel zou worden geëxploiteerd? In het KNLTB-arrest beklemtoonde het Europees Hof dat het delen van data voor commerciële doeleinden (zoals met gokbedrijven) al snel ontoelaatbaar disproportioneel en schadelijk wordt bevonden als de betrokkenen daardoor blootgesteld worden aan ernstige persoonlijke risico’s. Echter, indien de risico’s miniem zijn, sluit het Europees Hof niet uit dat het fundamentele Europese recht op vrijheid van ondernemerschap zwaarder kan doorwegen dan de individuele privacybezwaren van een afgebeelde persoon die later protesteert.

Een significant verschil met de verwerkingsgrond toestemming is de modaliteit voor het indienen van bezwaar. De afgebeelde persoon behoudt conform artikel 21 AVG immer een recht van bezwaar tegen verwerkingen die op het gerechtvaardigd belang gestoeld zijn. In essentieel contrast met de absolute en blanco herroeping van toestemming, verplicht de AVG echter dat dit bezwaar steeds met opgave van specifieke redenen geformuleerd moet worden, verband houdend met de individuele, persoonlijke en unieke situatie van de betrokkene. Ontvangt de onderneming dergelijk bezwaar, dan heeft zij de juridische ruimte om de verwerking desondanks verder te zetten indien zij dwingende en doorslaggevende legitieme gronden kan bewijzen die zwaarder wegen dan het individuele ongenoegen. Dit specifieke mechanisme reflecteert inhoudelijk en materieel sterk de afweging en normen die binnen de dogmatiek van het persoonlijkheidsrecht worden gebruikt voor het verwerpen van een onterechte intrekking (de “ernstige redenen”). Op deze wijze garandeert deze AVG-grondslag dat beide rechtsregimes in elkaars vaarwater en in een constructieve symbiose blijven opereren.

Een heet hangijzer: afbeeldingen op de werkvloer en na uitdiensttreding

Een van de meest frequente en juridisch uitdagende scenario’s voor ondernemingen betreft het beheer en de publicatie van beeldmateriaal van het eigen personeel. Werkgevers zetten geregeld portretfoto’s van medewerkers in op de corporate website, op het interne intranet (zoals Smoelenboeken), in wervingscampagnes (employer branding) of via de sociale mediakanalen van de onderneming.

Zoals hierboven in de analyse uiteengezet, vormt het trachten te legitimeren van het gebruik van werknemersfoto’s onder de noemer “toestemming” (in de zin van de AVG) een onverantwoorde en juridisch incorrecte reflex. De absolute ongelijkheid en de functionele hiërarchische afhankelijkheid die het arbeidsrecht kenmerkt, impliceert dat de medewerker steeds enige druk kan ervaren. Indien de werknemer een document voor toestemming krijgt voorgelegd, staat de geldigheid per direct ter discussie, tenzij weigering aantoonbaar nergens, op geen enkele mogelijke wijze, tot represailles of subtiele nadelen in de loopbaanontwikkeling zou leiden.

Om deze reden adviseren toezichthouders over heel Europa dat werkgevers de weergave van foto’s sturen op het “gerechtvaardigd belang”. Het publiceren van beelden van een woordvoerder, een accountmanager of een managementlid is noodzakelijk voor de correcte bedrijfsrepresentatie en dienstverlening. Maar ook hier geldt de eis dat men de werknemers vooraf uitvoerig moet inlichten omtrent de aard van de publicaties, alsmede de concrete uitoefening van hun recht op bezwaar of wissing moet faciliteren.

Beslissing 62/2021 van de Gegevensbeschermingsautoriteit: Een dwingende les

De zwaarste problemen presenteren zich op het kantelpunt van het dossier, met name op de dag dat de contractuele verbintenis eindigt. Het rechtmatig verwerken van foto’s stopt niet na het sluiten van een akkoord, maar is onderhevig aan dataretentie en doelbinding gedurende de volledige levenscyclus. De Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) heeft inzake dit precaire onderwerp een luid en duidelijk juridisch signaal afgegeven met betrekking tot ex-werknemers in een beslissing van 26 mei 2021.

In deze richtinggevende zaak was de klaagster werkzaam bij een besloten vennootschap, alwaar zij in 2020 via ontslag uit dienst trad. Via haar advocaat liet de betrokkene weten dat haar identiteit, persoonlijke gegevens, alsook meerdere representatieve foto’s dienden te worden verwijderd van de officiële bedrijfswebsite en van de accounts op externe sociale medianetwerken. De feiten toonden aan dat, op het moment dat de initiële klacht bij de GBA werd geacteerd, de medewerker reeds drie maanden uit dienst was, en dat na liefst acht maanden bepaalde foto’s (inclusief groepssamenstellingen) nog steeds online en vrij consulteerbaar waren.

De Geschillenkamer van de GBA sprak een uiterst strenge, gedetailleerde veroordeling en waarschuwing uit aan het adres van de werkgever. De autoriteit wees op fundamentele verplichtingen in de AVG, in het bijzonder het beginsel van de doelbinding. De autoriteit oordeelde snoeihard: zodra een personeelslid zijn of haar functie verliest of beëindigt, komt het aanvankelijke primaire doel voor de publicatie van de gegevens—namelijk het correct en transparant informeren van de buitenwereld over de feitelijke vertegenwoordiging van het bedrijf—onmiddellijk en volledig te vervallen. De rechtspraak toont aan dat persoonsgegevens in dergelijke context per direct en ambtshalve moeten worden gewist. De betrokkene hoort bovendien niet proactief, of middels advocaat, het verwijderingsverzoek in te dienen; de onderneming hoort het bestand structureel te purgeren. Het laakbare gedrag om gegevens tot drie à acht maanden te laten floreren op de pagina’s werd als “buitensporig en inadequaat” gekarakteriseerd.

Deze Beslissing illustreert dat werkgevers en HR-verantwoordelijken proactieve ‘offboarding’-processen moeten uittekenen, waarbij het afvoeren van de werknemer uit het organigram steevast gekoppeld is aan het zuiveren van de website en het intranet. Het nalaten van dergelijke processen of het structureel negeren van de wettelijke responstermijn van één maand (artikel 12.3 AVG) resulteert potentieel in bestraffingen, dwangsommen en geldboetes wegens de krenking van het recht op vergetelheid.

Genuanceerde uitzonderingen: journalistiek en openbare manifestaties

Geen enkel fundamenteel recht functioneert in een institutioneel vacuüm. Waar het absolute vasthouden aan het individuele AVG-toestemmingsvereiste een verstikkend effect zou hebben op de journalistieke meningsuiting en de reguliere samenleving, voorziet de rechtsleer en wetgeving in ontsnappingsmechanismen en nuances.

In situaties waarbij personen toevallig in de achtergrond of in een onbeduidende rol figureren op beelden gemaakt op openbare plaatsen of publieke bijeenkomsten—zogenaamde niet-gerichte of ‘sfeerbeelden’—is expliciete toestemming niet noodzakelijk om onrechtmatige verspreiding uit te sluiten. Van toevallig en bijkomstig is sprake indien het geportretteerde individu absoluut niet artificieel of opzettelijk wordt vergroot, uitgelicht, en aldus geen centrale of onderscheidende positie inneemt in het kader. Het volstaat bij evenementen, schoolfeesten of manifestaties dat de organisatie de aanwezigen via een transparant beleid, de website of duidelijke waarschuwingsborden op de locatie informeert dat dergelijke atmosferische overzichtsbeelden geproduceerd zullen worden. Enkel indien de organisatie nadien zou inzoomen of een uitsnede op een specifieke persoon zou creëren, ontstaat terug een portret en geldt onverminderd het toestemmingsrecht.

Een tweede uitzondering op de strenge bepalingen van het afbeeldrecht, wordt gefundeerd op de Europese verdediging van de democratische persvrijheid (artikel 10 EVRM). Ter facilitering van debatten met betrekking tot het algemeen maatschappelijk of artistiek belang kent de AVG, via de verplichte implementatie in nationale wetgeving, een omvangrijke vrijstelling voor verwerkingen met uitsluitend journalistieke, academische, artistieke of literaire doelstellingen. In deze casussen fungeert het maatschappelijke belang tot nieuwsgaring als rechtvaardiging, waarbij stelselmatig een gewichtige proportionaliteitstest of belangenafweging dient te geschieden. Hierbij zal een rechter onveranderlijk kijken naar de intrinsieke nieuwswaarde van het onderwerp, alsook naar de persoonlijke aard van de afgebeelde figuur; aan politici en vooraanstaande publieke en economische leiders wordt een uiterst bescheiden verwachtingspatroon inzake privacy toegekend zolang de weergave betrekking heeft op hun openbare handelen en niet afdaalt tot de pure, intimistische persoonlijke levenssfeer of laster.

Rechtsmisbruik bij het mobiliseren van AVG-rechten

De verstrekkende wettelijke beschermingsmechanismen die de AVG in de schoot werpt van natuurlijke personen, kunnen in uitzonderlijke, maar ontegensprekelijke gevallen als drukkingsmiddel worden ingezet om valabele contracten te hinderen, facturen te betwisten, of uit zuivere chicanes een organisatie opzadelen met juridische kopzorgen. Indien een individu de machtige bepalingen van de verordening in de strijd gooit uitsluitend omwille van kwaadwillig getouwtrek, en het intrekken van de “toestemming” enkel dient om enorme commerciële averij of financiële schade (een disproportioneel nadeel) bij een concurrent, voormalig werkgever, of exploitant te veroorzaken, rijst de academische vraag of de verwerkingsverantwoordelijke dit ongeremd dient te ondergaan.

Hier biedt het historische fundament van het verbintenissenrecht redding. Net als elk subjectief recht, kan het mobiliseren van AVG-rechten kwalificeren als ‘rechtsmisbruik’. Het misbruik van een recht tekent zich af indien de persoon het mechanisme hanteert voor een intrinsiek ander einddoel dan hetwelk de Europese wetgever oorspronkelijk heeft geviseerd, dan wel indien hij of zij het uitoefent op een abrupte, disproportionele en manifest onredelijke manier waarbij het te behalen persoonlijke voordeel inferieur is aan de aanzienlijke economische destructie die aan de tegenpartij wordt toegebracht.

Binnen een revolutionair en grensverleggend arrest van het Hof van Cassatie, werd voor het eerst op dat niveau uitdrukkelijk bevestigd dat de Belgische verbodsbepaling inzake rechtsmisbruik zich perfect leent om onredelijke excessen van dwingende Europese bepalingen (inclusief het onbegrensde AVG inzagerecht of toestemmingsintrekking) te temperen. De hoogste magistraten oordeelden uitdrukkelijk dat het nationale verbod op rechtsmisbruik niet resulteert in het inperken of het gevaarlijk frustreren van de doelstellingen van de Unie, maar de verordening integendeel zuivert van chicanes.

Hoewel rechters in Europa vanzelfsprekend extreme terughoudendheid betrachten bij het inperken van het grondrecht op databeveiliging en het label “rechtsmisbruik” uitzonderlijk zeldzaam toekennen, is dit Cassatiearrest het ultieme bewijs dat de verordening niet functioneert als een wetteloos vrijgeleide voor de betrokkene. Een kwaadwillige, tergende en totaal willekeurige inroeping ter belemmering van een rechtmatig contract wegens wraaklust kan effectief onrechtmatig worden verklaard.


Veelgestelde Vragen (FAQ)

Is er een verplichting om bij elke foto telkens een schriftelijk document te laten ondertekenen?

Hoewel de Belgische wetgeving en rechtspraak nergens expliciet stellen dat een schriftelijk contract een absolute formele plicht is, wordt het in een professionele of commerciële context nagenoeg dwingend geadviseerd. Het persoonlijkheidsrecht accepteert immers onder welbepaalde feitelijke en contextuele voorwaarden de stelling van een stilzwijgende toestemming, doch stipuleert eveneens het principe van de restrictieve interpretatie. Zonder schriftelijke ‘quit claim’ of modelovereenkomst, rust op de entiteit die publiceert steevast een grote bewijslast om bij geschillen ontegensprekelijk te funderen waarom het specifieke verspreidingsdoel inbegrepen was in de toestemming.

Valt elke pasfoto of portretfoto die we nemen onder de strenge regels voor biometrische gegevens?

Dit is een pertinente misvatting. Conform de verduidelijkingen uit de overweging 51 van de AVG en de geldende richtlijnen van de Gegevensbeschermingsautoriteit, wordt een foto niet als bijzonder persoonsgegeven (biometrisch gegeven) geclassificeerd louter omwille van de weergave van fysieke kenmerken, huidskleur, medische attributen of ras. De transformatie tot biometrisch gegeven—hetgeen vervolgens extreem strikte verwerking vereist—grijpt uitsluitend plaats indien de foto nadien met gerichte en gespecialiseerde technische software en extractiesystemen (zoals AI-gedreven gezichtsherkenningsalgoritmen) wordt bewerkt met als uniek primair doeleinde de individuele geautomatiseerde identificatie.

Wat moet een onderneming doen met gepubliceerde groeps- of portretfoto’s van een voormalige werknemer?

Van zodra een medewerker niet langer verbonden is aan de organisatie, vervalt in beginsel onmiddellijk de legitieme finaliteit van transparante bedrijfsinformatie en valt de verwerkingsgrond (gewoonlijk het gerechtvaardigd belang) compleet weg. Ingevolge het dataretentie-principe in de AVG en de handhavingsbesluiten van de Gegevensbeschermingsautoriteit, impliceert dit dat foto’s, identiteitsgegevens en profielen van oud-werknemers onmiddellijk, consequent en uit eigen beweging onzichtbaar gemaakt moeten worden op corporate websites en de diverse internettoepassingen van het bedrijf. Nalatigheden, zeker wanneer ze de termijn van één maand na verzoek negeren, leiden consequent tot strafsancties en de toekenning van formele waarschuwingen.


Conclusie

De naadloze inbedding en uitrol van commercieel beeldmateriaal en portretrechten binnen de kaders van het Europese gegevensbeschermingsrecht vraagt van ondernemingen, media-organisaties, HR-departementen en communicatiebureaus een enorme dosis anticipatie en contractuele vindingrijkheid. Het foutief assimileren van een contractuele toestemming uit het persoonlijkheidsrecht met de herroepbare toestemming uit artikel 6.1.a van de Algemene Verordening Gegevensbescherming kan de complete ontwrichting, blokkering en het financieel decimeren van een duur betaalde promotie- of marketingstrategie tot gevolg hebben. Men dient contracten waterdicht te ontwerpen door systematisch afwijkende en aanzienlijk stevigere verwerkingsgrondslagen in stelling te brengen, zoals het afgewogen gerechtvaardigd belang en een sluitend dataretentiebeleid voor voormalig personeel in de organieke processen in te kapselen.


Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics