Kan een Belgische landbouwer een multinational aanklagen voor klimaatschade?

Steeds vaker worden grote energiebedrijven juridisch ter verantwoording geroepen voor hun aandeel in de klimaatverandering. Maar kan een individuele burger, zoals een landbouwer die oogstschade lijdt door extreem weer, succesvol een internationale speler voor de Belgische rechter dagen? Ja, onder de Europese bevoegdheidsregels kan de Belgische rechter bevoegd zijn als de schade zich in België voordoet, en het Belgisch recht erkent een persoonlijk belang om dergelijke vorderingen in te stellen.

De feiten en juridische context

Een Belgische landbouwer is een juridische procedure gestart tegen TotalEnergies SE, een van de grootste spelers op de olie- en gasmarkt. De landbouwer stelt dat zijn bedrijf ernstige materiële en morele schade heeft opgelopen door extreme weerfenomenen tussen 2016 en 2022. Hij betoogt dat deze fenomenen in causaal verband staan met de uitstoot van broeikasgassen, waaraan de productie van fossiele brandstoffen door het energiebedrijf aanzienlijk bijdraagt.

De landbouwer wordt in zijn actie gesteund door verschillende ngo’s (waaronder Greenpeace en FIAN), die via een vrijwillige tussenkomst eigen eisen formuleren. De gedaagde partij, TotalEnergies SE, met maatschappelijke zetel in Frankrijk, betwistte echter de bevoegdheid van de Belgische rechter, de ontvankelijkheid van de vorderingen en vroeg om de zaak uit te stellen vanwege een lopende, gelijkaardige procedure in Parijs.

De beslissing van de rechtbank

De Ondernemingsrechtbank Henegouwen, afdeling Doornik, deed op 18 maart 2026 een belangrijke uitspraak over deze preliminaire kwesties. De rechtbank oordeelde als volgt over de belangrijkste juridische drempels:

  • Bevoegdheid van de Belgische rechter: De rechtbank verklaarde zich bevoegd op basis van artikel 7.2 van de Brussel Ibis-verordening. Hoewel de gedaagde in Frankrijk is gevestigd, laat deze verordening toe dat de eiser kiest voor de rechtbank van de plaats waar de schade is ingetreden. Omdat de landbouwschade zich in België voordoet, is dit voldoende om de Belgische rechtbank bevoegd te maken.
  • Ontvankelijkheid en belang om te handelen: De rechtbank oordeelde dat de landbouwer wel degelijk een persoonlijk, direct en actueel belang heeft. De concrete landbouwverliezen onderscheiden hem van iemand die slechts een abstract of collectief doel nastreeft. Ook de ngo’s hebben een persoonlijk belang omdat zij een eigen schadevergoeding vorderen voor de kosten die zij moeten maken in het kader van hun maatschappelijk doel (zoals de bescherming van het milieu).
  • Aansprakelijkheid van de moedermaatschappij: TotalEnergies SE argumenteerde dat de uitstoot veroorzaakt wordt door haar dochterondernemingen en zij daarom geen hoedanigheid had om zich te verdedigen. De rechtbank verwierp dit en stelde dat de moedermaatschappij de strategie van de groep bepaalt, de klimaatrichtlijnen vastlegt en de uitvoering ervan overziet. Zij kan zich dus niet distantiëren van de beslissingen die aan de basis liggen van de verweten fouten.
  • Schorsing van de procedure: Omdat er in Parijs een gelijkaardige zaak tegen TotalEnergies hangende is met hetzelfde ultieme doel (het afdwingen van een emissiereductie), besloot de rechtbank op basis van artikel 30 van de Brussel Ibis-verordening om de behandeling ten gronde tijdelijk te schorsen. Dit om het risico op tegenstrijdige vonnissen te vermijden.

Juridische analyse en duiding

Deze uitspraak biedt een boeiende inkijk in de evolutie van het internationale privaatrecht en procesrecht in de context van klimaatlitigatie.

Allereerst herbevestigt de rechtbank de klassieke rechtspraak van het Hof van Justitie (het Mines de potasse-arrest uit 1976), waarbij de plaats van het schadebrengende feit zowel de plaats van de schadeverwekkende gebeurtenis kan zijn als de plaats van de schade zich voordoet. De gedaagde wierp op dat broeikasgassen diffuus zijn, waardoor de bron moeilijk te lokaliseren valt. De rechtbank oordeelde echter pragmatisch: zolang gesteld wordt dat de schade zich op het grondgebied van de geadieerde rechter (België) voltrekt, doet de moeilijkheid om het schadeverwekkende feit te lokaliseren er niet toe.

Daarnaast is de invulling van het ‘belang om te handelen’ conform artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek belangrijk. De rechtbank verduidelijkt dat in het Belgisch recht geen uitzonderlijke blootstelling vereist is; een individueel en concreet beweerd nadeel (zoals landbouwschade) volstaat. Dit is een belangrijke afbakening ten opzichte van de soms strengere ontvankelijkheidsvereisten voor internationale hoven, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Tot slot wordt de zogenaamde corporate veil (vennootschapssluier) feitelijk doorgeprikt op het niveau van strategische controle. De holding wordt aansprakelijk gehouden omdat zij de “impuls” geeft aan de klimaatstrategie van de hele groep. Deze beslissing sluit aan bij de internationale trend (zoals de eerdere Shell-zaak in Nederland) waarbij moederbedrijven aangesproken worden op hun zorgplicht inzake de activiteiten van hun toeleveringsketen en dochters.

Wat dit concreet betekent

Dit tussenvonnis heeft belangrijke strategische gevolgen voor verschillende actoren:

  • Voor particulieren en ondernemers (slachtoffers van klimaatschade): De drempel om lokaal te procederen tegen buitenlandse multinationals wordt verlaagd. Indien u concrete, individuele schade kunt aantonen door extreem weer, erkent de Belgische rechtbank uw recht van spreken, zelfs als u ondersteund wordt door ngo’s.
  • Voor multinationals en holdingmaatschappijen: Het louter structureel onderbrengen van operationele, vervuilende activiteiten in dochterondernemingen biedt geen immuniteit. Moedermaatschappijen die de globale klimaatstrategie uittekenen, kunnen rechtstreeks voor de rechter worden gedaagd.
  • Voor belangenverenigingen (ngo’s): De beslissing bevestigt dat ngo’s materiële schadevergoeding kunnen eisen voor de tijd en middelen die zij moeten besteden om op te treden tegen vermeende milieu-inbreuken, voor zover dit binnen hun maatschappelijk doel valt.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Welke rechter is bevoegd bij internationale klimaatschade?
Volgens de Europese Brussel Ibis-verordening kan de eiser kiezen: de rechtbank van de plaats waar de gebeurtenis zich voordeed, óf de rechtbank van de plaats waar de schade is opgetreden. Als een Belgisch bedrijf of burger hier schade lijdt, is de Belgische rechter doorgaans bevoegd.

Moet ik uitzonderlijke schade bewijzen om een multinational aan te klagen voor het klimaat?
Nee. Onder het Belgisch recht is het niet nodig dat u op een “uitzonderlijke” manier wordt geraakt in vergelijking met anderen. Het volstaat dat u een concrete, individuele en persoonlijke schade kunt aantonen, zoals omzetverlies in uw bedrijf.

Kan een hoofdkantoor aansprakelijk worden gesteld voor de uitstoot van haar dochterbedrijven?
Ja, rechtbanken kijken steeds vaker naar de feitelijke controle. Als het hoofdkantoor de strategische lijnen uitzet, de klimaatdoelstellingen bepaalt en toezicht houdt op de uitvoering, heeft zij de hoedanigheid om zich voor de rechtbank te verantwoorden voor de globale impact van de groep.

Conclusie

De uitspraak toont aan dat de Belgische rechtbanken toegankelijk zijn voor complexe klimaatzaken en bereid zijn om de verantwoordelijkheid van internationale moedermaatschappijen te onderzoeken. Door de formele drempels rond bevoegdheid en ontvankelijkheid weg te nemen, wordt de weg vrijgemaakt voor een debat ten gronde over de aansprakelijkheid van grote vervuilers.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics