Een wanbetaler kan in twee verschillende databanken van de Nationale Bank van België worden opgenomen, en die dubbele registratie is op zich toegelaten. De bank moet haar klant wél specifiek over élke registratie inlichten en de juiste juridische kwalificatie van het krediet hanteren. Dat besliste de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) op 30 april 2026 in beslissing nr. 96/2026, en zij berispte een Belgische bank voor twee inbreuken op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDPR): een gebrekkige informatieverstrekking en een onjuiste kwalificatie van het krediet.
De feiten
Een natuurlijke persoon met een zelfstandige activiteit had bij een Belgische bank twee investeringskredieten lopen. Vanaf eind februari 2020 kon hij beide kredieten niet langer aflossen. De bank stuurde aangetekende ingebrekestellingen waarin zij meldde dat zij de gegevens over de wanbetaling moest doorgeven aan de Nationale Bank van België.
Vervolgens registreerde de bank de wanbetaling in twee verschillende bestanden. Bij de Centrale voor Kredieten aan Ondernemingen (sinds 2022 het Register voor Kredieten aan Ondernemingen) werd het krediet gekwalificeerd als termijnlening. Bij een tweede bestand, het bestand van de niet-gereglementeerde registraties (ENR), werd hetzelfde krediet aangeduid als “lening op afbetaling”. Het ENR-bestand maakt deel uit van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren, maar werd door de Nationale Bank zelf opgericht via private conventies met banken om een leemte op te vullen: het registreren van wanbetalingen door natuurlijke personen die professioneel een krediet hebben afgesloten.
In oktober en november 2021 raakte de klant opnieuw in achterstand en volgde een tweede registratie in beide bestanden. Hij voerde meerdere procedures (kort geding, bodemprocedure) en diende uiteindelijk klacht in bij de GBA.
De beslissing
De Geschillenkamer onderzocht achtereenvolgens vier beginselen uit de AVG: doelbinding, rechtmatigheid, transparantie en juistheid.
Doelbinding en rechtmatigheid: geen inbreuk
De Geschillenkamer ging eerst na of de doorgifte aan de Nationale Bank voor de ENR-registratie een verwerking voor een ander doel was dan de oorspronkelijke verzameling. De bank stelde dat de gegevens werden verzameld om kredietrisico’s te beheren, te controleren en te declareren. Aangezien de doorgifte naar het ENR-bestand juist plaatsvond wegens niet-betaling — en zij dus de schuldenstand van de klant weergaf — viel zij binnen die oorspronkelijke doelstelling. Geen verdere verwerking, geen schending van art. 5.1, b) en 6.4 AVG.
Daaruit volgt logisch dat geen aparte rechtsgrond voor de ENR-registratie hoefde te worden onderzocht: de rechtsgrond van de oorspronkelijke verzameling volstaat (overweging 50 AVG). Op de rechtmatigheid van die oorspronkelijke verzameling zelf moest de bank zich niet verdedigen, dus die kwestie bleef buiten de beslissing.
Transparantie: bank moest specifiek informeren over de ENR-registratie
Hier vond de Geschillenkamer wel een schending. De algemene voorwaarden van de bank vermeldden enkel een mogelijke registratie bij de Centrale voor Kredieten aan Ondernemingen — geen woord over het ENR-bestand. De privacyverklaring voldeed in algemene zin aan art. 13 AVG, maar repte evenmin van het ENR. De aangetekende ingebrekestellingen kondigden weliswaar de doorgifte aan de Nationale Bank aan, maar specificeerden niet dat dit ook een aparte ENR-registratie inhield.
Beslissend was de vaststelling dat het ENR-bestand op het moment van de feiten geen wettelijke basis had. Geen wet voorzag de inrichting ervan; geen wet legde de bank op haar klant in dat bestand te registreren. Het ENR bestond enkel krachtens een conventie tussen de Nationale Bank en een aantal kredietinstellingen. Wanneer de rechtsgrond van een verwerking zo zwak verankerd is, aldus de Geschillenkamer, is de informatieplicht naar de betrokkene des te zwaarder: de bank had haar klant uitdrukkelijk over de mogelijkheid van een ENR-registratie moeten inlichten, zodat hij die verwerking redelijkerwijs had kunnen verwachten. Schending van art. 5.1, a), 12 en 13 AVG.
Juistheid: een onjuiste juridische kwalificatie
Ten slotte stelde de Geschillenkamer vast dat de bank het krediet in het ENR-bestand had aangeduid als “lening op afbetaling”. Dat begrip is bij wet voorbehouden voor consumentenkredieten: art. I.9, 48° Wetboek van Economisch Recht (WER) definieert het uitdrukkelijk als een kredietovereenkomst aan een consument. Een zelfstandige natuurlijke persoon die professioneel een krediet afsluit, kan dus per definitie geen lening op afbetaling hebben.
De bank verweerde dat in de bankpraktijk en in een deel van de rechtsleer de term “lening op afbetaling” soms ruimer wordt gebruikt, ook voor professionele kredieten. De Geschillenkamer wees dat verweer af: praktijk en doctrine kunnen geen wettelijke kwalificaties oprekken. Een verwerkingsverantwoordelijke moet zijn gegevens registreren onder de wettelijk juiste benaming, zeker wanneer die benaming bij wet is gedefinieerd. Ter illustratie merkte de Geschillenkamer op dat de bank in het CKO-bestand het krediet wél correct als “termijnlening” had geregistreerd. Schending van art. 5.1, d) AVG.
De Geschillenkamer sprak een berisping uit voor de twee vastgestelde inbreuken. De grieven over de doelbinding en de rechtmatigheid werden zonder gevolg geklasseerd.
Juridische analyse en duiding
Hoe zwakker de rechtsgrond, hoe explicieter de informatie moet zijn
De Geschillenkamer maakt in deze beslissing een principe expliciet dat in de AVG-praktijk al langer een rol speelt zonder altijd zo helder te worden uitgesproken: de informatieplicht is niet voor elke verwerking even zwaar. Wanneer een verwerking steunt op een uitdrukkelijke wettelijke basis — een wet die bijvoorbeeld de registratie in een centraal bestand voorschrijft — kan de betrokkene die verwerking redelijkerwijs verwachten en volstaat een eerder algemene informatieverstrekking.
Zodra de rechtsgrond echter zwakker verankerd is — een private conventie, een interne regeling, een algemeen belang dat zelf niet uit een specifieke wet voortvloeit — wordt de voorzienbaarheid voor de betrokkene minder vanzelfsprekend. De Geschillenkamer leidt daaruit een verzwaarde informatieplicht af: de verwerkingsverantwoordelijke moet wat hij verliest aan wettelijke duidelijkheid compenseren door uitdrukkelijke en gerichte voorlichting.
Voor het ENR-bestand betekende dit dat de bank niet kon volstaan met een algemene melding van “doorgifte aan de Nationale Bank”. Zij moest het bestaan van het ENR-bestand zelf vermelden en concreet toelichten dat een wanbetaling tot een aparte registratie in dat bestand kon leiden. Dat principe reikt verder dan de bankensector: élke verwerkingsverantwoordelijke die een verwerking baseert op art. 6.1, c) of e) AVG zonder uitdrukkelijke wettelijke basis, moet zijn transparantie-inspanning daarop afstemmen.
De juistheidsplicht is autonoom: praktijkgebruik rekt wettelijke begrippen niet op
De tweede vaststelling lijkt op het eerste zicht banaler — een verkeerde benaming in een formulier — maar de redenering van de Geschillenkamer is principieel. De bank stelde dat in de bankpraktijk en in een deel van de rechtsleer de term “lening op afbetaling” soms ruimer wordt gebruikt dan de wettelijke definitie strikt toelaat. Dat soort gemeengoed in de sector werd door de Geschillenkamer expliciet als irrelevant terzijde geschoven.
Daarmee bevestigt de beslissing dat art. 5.1, d) AVG een autonome verplichting oplegt: gegevens moeten juist zijn ten aanzien van de wettelijke werkelijkheid, niet ten aanzien van wat onder vakgenoten als gangbaar wordt beschouwd. Wanneer de wet een bepaalde term aan een specifieke categorie verbindt — zoals het WER de “lening op afbetaling” reserveert voor consumentenkredieten — blijft die juridische kwalificatie de enige juiste. Een verwerkingsverantwoordelijke die om praktische redenen een ruimere lezing aanhoudt, riskeert een schending van het juistheidsbeginsel, ook al staat zijn registratie in lijn met sectorgewoonten. Het verweer dat “het wezen van de registratie de wanbetaling was, niet de kwalificatie van het krediet” werd evenmin aanvaard: de juistheid moet voor élk gegeven gewaarborgd zijn, niet alleen voor het kerngegeven.
Wat betekent dit concreet?
Voor banken en kredietverstrekkers. De algemene voorwaarden, de privacyverklaring en de ingebrekestellingen moeten samen een volledig beeld geven van élk register waarin een wanbetaling kan worden opgenomen. Zowel de wettelijk verankerde registers (zoals het Register voor Kredieten aan Ondernemingen) als de op private conventie gestoelde bestanden (zoals het ENR-bestand) horen uitdrukkelijk vermeld te worden. Daarnaast vereist de juistheidsplicht een interne controle op de juridische kwalificatie van de geregistreerde gegevens — overeenkomstig de wettelijke benamingen, niet de vlot gebruikte sectortermen.
Voor zelfstandigen en ondernemers met een krediet. U heeft recht op heldere en specifieke voorlichting over élk bestand waarin u kan worden opgenomen. Wanneer u in financiële moeilijkheden komt, kan u op basis van art. 13 AVG informatie opvragen over alle verwerkingen die op u betrekking hebben en op basis van art. 15 AVG inzage krijgen in wat over u is geregistreerd. Onjuiste registraties — bijvoorbeeld een verkeerde kwalificatie van uw krediet — kan u laten corrigeren via art. 16 AVG. Bij weigering staat de weg open naar een klacht bij de GBA.
Voor verwerkingsverantwoordelijken in andere sectoren. Het principe van de verzwaarde informatieplicht bij een zwakke rechtsgrond geldt ook buiten de bankensector. Sectoren die werken met sectorconventies, gedragscodes of interne regelingen die geen uitdrukkelijke wettelijke basis hebben — denk aan sommige fraudebestanden, brancheregisters of risicodatabanken — moeten de informatieverstrekking aan betrokkenen extra verzorgen. De vuistregel: hoe verder de rechtsgrond van een formele wet verwijderd is, hoe explicieter de uitleg over de verwerking in de privacyverklaring moet zijn.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Mag een bank u als wanbetaler aanmelden bij de Nationale Bank zonder uw toestemming?
Ja, in beginsel kan dat zonder toestemming, op grond van een wettelijke verplichting (art. 6.1, c) AVG) of een taak van algemeen belang (art. 6.1, e) AVG). Voor consumentenkredieten is de registratie bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren wettelijk geregeld. Voor professionele kredieten gebeurt de aanmelding bij het Register voor Kredieten aan Ondernemingen of, voor zelfstandigen, mogelijk ook bij het ENR-bestand. De bank moet u over élk van deze registraties wel specifiek informeren — anders schendt zij het transparantiebeginsel.
Welke informatie moet een bank u meedelen voor zij u als wanbetaler registreert?
Op grond van art. 12 en 13 AVG moet de bank u op het moment van het sluiten van het krediet duidelijk informeren over de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke, de doeleinden van de verwerking, de rechtsgrond, de ontvangers van de gegevens, de bewaartermijn en uw rechten. Concreet betekent dit dat de privacyverklaring, de algemene voorwaarden of een specifieke bijlage moeten vermelden in welke bestanden u kan worden opgenomen bij wanbetaling — niet enkel de wettelijk verplichte registers, maar ook de bestanden die op private conventie steunen.
Hoe laat u een onjuiste registratie bij de Nationale Bank corrigeren?
Op grond van art. 16 AVG kan u de bank — als verwerkingsverantwoordelijke die de doorgifte heeft gedaan — verzoeken om een onjuiste registratie te rectificeren. Bij weigering kan u een klacht indienen bij de GBA, of de zaak voor de rechter brengen (een kort geding wanneer urgent ingrijpen nodig is om bijvoorbeeld een nieuwe kredietweigering te voorkomen). De Geschillenkamer kan onder andere een berisping, een rechtzetting of in voorkomend geval een geldboete opleggen.
Conclusie
De GBA bevestigt dat een dubbele aanmelding van een wanbetaler bij de Nationale Bank op zich verenigbaar kan zijn met het doelbindingsbeginsel, maar bouwt twee duidelijke kaders rond de praktijk. Eerst: hoe zwakker de wettelijke verankering van een verwerking, hoe explicieter banken (en bij uitbreiding alle verwerkingsverantwoordelijken) hun klanten daarover moeten inlichten. Vervolgens: de juistheidsplicht is een autonome verplichting — sectorgewoonten kunnen wettelijk gedefinieerde begrippen niet oprekken.
Voor banken volgt hieruit een concrete redactietaak voor privacyverklaringen en algemene voorwaarden. Voor klanten in betalingsmoeilijkheden volgt het belang van een audit van wat er over hen geregistreerd staat — en bij welke instantie.



