Wanneer een onderneming via een kort geding van de markt wordt geweerd op basis van een octrooi dat later ongeldig wordt verklaard, rijst de vraag wie opdraait voor de financiële schade. Kan de geweerde partij de gederfde winst terugeisen op basis van ‘ongerechtvaardigde verrijking’? Het Hof van Cassatie oordeelde in een arrest van 11 september 2025 dat dit doorgaans niet mogelijk is: de rechterlijke beslissing in kort geding vormt, ondanks de latere vernietiging van het octrooi, een geldige juridische oorzaak voor de vermogensverschuiving.
De feiten en procedurele achtergrond
Dit arrest draait om een geschil tussen twee farmaceutische giganten: Novartis (de octrooihouder) en Viatris (een producent van generische geneesmiddelen).
De situatie laat zich als volgt samenvatten:
- De blokkering: In 2010 verkreeg Novartis via een procedure in kort geding een verbod tegen Viatris om een generisch geneesmiddel (op basis van fluvastatine) op de Belgische markt te brengen. De rechter oordeelde destijds dat het octrooi van Novartis prima facie geldig was.
- De vernietiging: In 2011, na de uitspraak in kort geding, werd het betreffende octrooi van Novartis echter definitief herroepen door het Europees Octrooibureau. Hierdoor verdween het octrooi met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer.
- De claim: Viatris stelde dat zij door het onterechte verbod inkomsten had gemist en dat Novartis door haar monopoliepositie onterecht winst had gemaakt. Viatris vorderde een vergoeding op basis van verrijking zonder oorzaak (ongerechtvaardigde verrijking), aangezien het octrooi – de basis van het verbod – achteraf gezien nooit had mogen bestaan.
Het hof van beroep te Brussel wees deze vordering af, waarna Viatris naar het Hof van Cassatie stapte.
De beslissing van het Hof van Cassatie
Het Hof van Cassatie verwerpt de cassatevoorziening van Viatris en bevestigt de redenering van het hof van beroep.
De kern van het arrest rust op de volgende pijlers:
- Gezag van gewijsde: Een beslissing in kort geding is bindend zolang deze niet ongedaan is gemaakt door een andere rechterlijke uitspraak. Het feit dat een bodemrechter later anders oordeelt (of dat een octrooi wordt vernietigd), neemt niet weg dat de kortgedingbeschikking op het moment van uitvoering rechtsgeldig was.
- Geldige oorzaak: Voor een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking is vereist dat er géén juridische oorzaak is voor de verarming/verrijking. Het Hof oordeelt dat de in kracht van gewijsde gegane beslissing in kort geding wel degelijk een geldige juridische oorzaak vormt. Zolang die rechterlijke uitspraak bestond, was de blokkering van Viatris juridisch gerechtvaardigd.
- Artikel XI.58 WER: Hoewel het Wetboek van Economisch Recht (art. XI.58) bepaalt dat de terugwerkende kracht van een octrooivernietiging geen invloed heeft op eerdere beslissingen “onverminderd de bepalingen betreffende verrijking zonder oorzaak”, betekent dit niet dat zo’n vordering automatisch slaagt. De rechter moet nog steeds toetsen of aan alle voorwaarden (inclusief het ontbreken van een oorzaak) is voldaan.
Juridische analyse en duiding
Met dit arrest kiest het Hof van Cassatie resoluut voor rechtszekerheid en de stabiliteit van rechterlijke uitspraken, boven de materiële waarheid dat het octrooi ongeldig was. Echter, deze positie is niet onomstreden en plaatst België in een juridisch isolement.
Kritiek: is een voorlopige maatregel wel een definitieve oorzaak?
Een beslissing in kort geding is per definitie voorlopig. Wanneer de rechter ten gronde (of het EOB) later oordeelt dat er géén octrooi is, en dus geen inbreuk, zou de voorlopige maatregel logischerwijs zijn bestaansreden moeten verliezen, ook voor het verleden. Het Hof van Cassatie past hier de procedurele “kracht van gewijsde” te absoluut toe, ten koste van de realiteit dat de maatregel achteraf gezien onterecht was.
Internationaal isolement: risicoaansprakelijkheid bij de buren
In onze buurlanden geldt een heel ander regime. In Frankrijk, Nederland en Duitsland geldt het principe dat wie een voorlopige maatregel uitvoert, dit doet op eigen risico. Blijkt het octrooi later ongeldig? Dan moet de octrooihouder de schade vergoeden, zonder dat de benadeelde een ‘fout’ moet bewijzen. In die landen volstaat het dat het “titel” (het octrooi/het verbod) achteraf foutief blijkt te zijn. België houdt met dit arrest vast aan een systeem waarin het slachtoffer van een onterecht verbod in de kou blijft staan, tenzij hij kwade trouw kan bewijzen.
Spanning met het Europees recht (Mylan v. Gilead)
De houdbaarheid van dit Belgische arrest staat bovendien onder druk door recente Europese rechtspraak. Het Hof van Justitie van de EU oordeelde in de zaak Mylan t. Gilead (11 januari 2024 – C-473/22) dat de Handhavingsrichtlijn (Richtlijn 2004/48) een stelsel van aansprakelijkheid toelaat voor wie onterechte maatregelen treft. Meer nog, dit arrest suggereert dat een strikte foutaansprakelijkheid mogelijk niet vereist is. De strikte Belgische weigering om schadevergoeding toe te kennen na vernietiging van een octrooi, lijkt hiermee op gespannen voet te staan.
Wat betekent dit concreet voor uw onderneming?
Ondanks de kritiek is dit arrest vandaag de wet in België. Dit heeft aanzienlijke strategische gevolgen, zowel voor octrooihouders als voor concurrenten (zoals producenten van generica).
- Voor de octrooihouder: U geniet in België een uitzonderlijk sterke bescherming. Indien u te goeder trouw een verbod afdwingt via de rechter, loopt u weinig risico om later alle winst te moeten terugbetalen via een verrijkingsactie als uw octrooi alsnog sneuvelt. Dit verlaagt de drempel om uw rechten actief te handhaven via kort geding. Let wel: door de Europese ontwikkelingen is het niet uitgesloten dat rechters in de toekomst via prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie alsnog richting een risicoaansprakelijkheid worden geduwd.
- Voor de verweerder: De risico’s zijn in België groter dan in de buurlanden.
- Preventie is cruciaal: U moet het verbod in kort geding met alle macht bestrijden. Achteraf schade claimen is quasi onmogelijk.
- Waarborgen vragen: Probeer in de kortgedingprocedure te eisen dat de octrooihouder een zekerheid of waarborg stelt (zoals mogelijk in het VK of bij beslaginzake), die kan dienen als compensatie indien het octrooi later nietig wordt verklaard.
Veelgestelde Vragen (FAQ)
Is een octrooihouder ooit aansprakelijk als zijn octrooi achteraf ongeldig blijkt?
Ja, maar de lat ligt hoog. U moet bewijzen dat de octrooihouder te kwader trouw was of nalatig is geweest (bijvoorbeeld door informatie achter te houden voor de rechter). Een vordering puur op basis van het feit dat het octrooi is vernietigd (objectieve aansprakelijkheid of verrijking zonder oorzaak), maakt na dit arrest weinig kans.
Wat als ik kan bewijzen dat de tegenpartij wist dat hun octrooi zwak was?
Dan maakt u wel kans. Het arrest sluit schadevergoeding op basis van foutaansprakelijkheid (nalatigheid of kwade trouw) niet uit. De drempel ligt echter hoog: u moet bewijzen dat de octrooihouder onzorgvuldig handelde door het verbod te vragen, niet enkel dat het octrooi vernietigd is.
Kan ik de kortgedingbeslissing zelf niet laten vernietigen?
Dat is zeer moeilijk als de termijnen voor hoger beroep verstreken zijn. Een “herroeping van gewijsde” (een buitengewoon rechtsmiddel) vereist specifieke gronden, zoals bedrog of het achterhouden van stukken. Het loutere feit dat het octrooi later ongeldig wordt verklaard, is op zichzelf meestal onvoldoende om een eerdere, definitieve beslissing onderuit te halen.
Geldt dit arrest ook voor andere rechtsgebieden dan octrooirecht?
Hoewel dit arrest specifiek gaat over octrooien en artikel XI.58 WER, bevestigt het algemene principes over het gezag van gewijsde en verrijking zonder oorzaak. De redenering dat een rechterlijke uitspraak een geldige oorzaak vormt voor vermogensverschuivingen, kan ook in andere commerciële geschillen relevant zijn.
Is deze uitspraak definitief of is er nog beroep mogelijk?
Dit is een arrest van het Hof van Cassatie, wat betekent dat de discussie in deze zaak nationaal gesloten is. Echter, gezien de spanning met het Europese recht (Mylan t. Gilead), zouden in toekomstige rechtszaken partijen kunnen proberen om via het Hof van Justitie van de EU (HvJ-EU) de Belgische regels te laten toetsen.
Waarom verschilt België zo sterk van Nederland en Frankrijk?
Dit komt door een strikte interpretatie van artikel XI.58 WER en onze procedureregels rond ‘gezag van gewijsde’. Waar onze buren focussen op het feit dat de uitvoerder van een vonnis het risico draagt (“risicoaansprakelijkheid”), focust België op de formele geldigheid van de rechterlijke beslissing op het moment van de uitspraak.
Conclusie
Het Hof van Cassatie bevestigt met dit arrest de Belgische traditie van rechtszekerheid. Een uitgevoerde beslissing in kort geding vormt een “juridisch schild” tegen vorderingen uit ongerechtvaardigde verrijking, zelfs als het onderliggende octrooi met terugwerkende kracht verdwijnt. De Belgische rechtspraak vaart hiermee een eigenzinnige koers die voor ondernemingen grote financiële risico’s inhoudt.



