Zijn de hoogrisicoverplichtingen van de AI Act uitgesteld?

Ja. Sinds 27 juli 2026 is Verordening (EU) 2026/1744, de digitale omnibus inzake AI, in werking, en die schuift de hoogrisicoverplichtingen van de AI Act door naar 2 december 2027 en 2 augustus 2028. De algemene toepassingsdatum van 2 augustus 2026 blijft wél staan, net als de transparantieregels. In dezelfde beweging komen er twee nieuwe verboden praktijken bij, wordt de AI-geletterdheidsplicht afgezwakt en krijgt het AI-bureau bevoegdheden die rechtstreeks aan het mededingingsrecht zijn ontleend.

Wat er aan vooraf ging

De Europese Commissie stelde de digitale omnibus inzake AI voor op 19 november 2025. Het Europees Parlement nam zijn standpunt in op 16 juni 2026, de Raad besliste op 29 juni 2026, de verordening dateert van 8 juli 2026 en de bekendmaking volgde op 24 juli 2026. Omdat de algemene toepassingsdatum van de AI Act op 2 augustus 2026 viel, koos de wetgever uitdrukkelijk voor inwerkingtreding met spoed: de derde dag na de bekendmaking, dus 27 juli 2026.

In considerans 2 geeft de wetgever zelf de reden voor de ingreep. Doordat de normen die aanbieders technische oplossingen moeten aanreiken te laat kwamen, en doordat de nationale governance- en conformiteitsbeoordelingskaders te laat werden opgezet, viel de regeldruk zwaarder uit dan verwacht.

Wat de Omnibusverordening wijzigt

Nieuwe data voor de hoogrisicoverplichtingen

Artikel 113 van de AI Act is aangepast. De verplichtingen voor AI-systemen met een hoog risico uit hoofdstuk III, afdelingen 1 tot 3, gelden nu vanaf 2 december 2027 voor de systemen die als hoog risico zijn aangemerkt op grond van artikel 6, lid 2 en bijlage III, en vanaf 2 augustus 2028 voor de systemen die dat zijn op grond van artikel 6, lid 1 en bijlage I. Eén bepaling is uitdrukkelijk van dat uitstel uitgezonderd, namelijk artikel 6, lid 5, over de richtsnoeren bij de kwalificatie.

Wat niet opschuift, is minstens even belangrijk. De algemene toepassingsdatum van 2 augustus 2026 blijft, de verboden praktijken die al sinds 2 februari 2025 gelden blijven, en de regels voor AI-modellen voor algemene doeleinden blijven. De artikelen 102 tot en met 110 gelden vanaf 27 juli 2026.

Twee afgeleide termijnen volgen mee. De lidstaten moeten pas tegen 2 augustus 2027 minstens één AI-testomgeving voor regelgeving operationeel hebben, en de respijtperiode van artikel 111, lid 2 voor systemen die al op de markt waren is opnieuw vastgeknoopt aan de nieuwe data van hoofdstuk III.

Twee nieuwe verboden praktijken

Artikel 5, lid 1 krijgt twee nieuwe punten, van toepassing vanaf 2 december 2026. Punt b bis) verbiedt het in de handel brengen, het in gebruik stellen en het gebruik van een AI-systeem dat realistische beelden, video’s, audio of soortgelijk materiaal genereert of manipuleert van de intieme delen van een identificeerbare natuurlijke persoon, of van een identificeerbare natuurlijke persoon die expliciete seksuele gedragingen verricht, zonder de vrijelijk gegeven, specifieke, geïnformeerde, ondubbelzinnige en uitdrukkelijke toestemming van die persoon.

Punt b ter) doet hetzelfde voor systemen die materiaal of een voorstelling genereren of manipuleren in de zin van artikel 2, punten c) en e) van Richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, behalve wanneer de handeling naar nationaal recht niet als wederrechtelijk geldt. Considerans 13 noemt daarbij het optreden van de overheid in een strafprocedure en het evalueren van een systeem door red teaming.

De draagwijdte wordt in twee nieuwe leden bijgesteld. Voor de aanbieder geldt het verbod alleen wanneer die output het beoogde doel van het systeem is, of wanneer ontwerp, training, architectuur, capaciteiten of gebruikersgerichte functionaliteiten die output een redelijkerwijs te voorzien en reproduceerbaar resultaat maken zonder dat daarvoor aanzienlijke technische wijzigingen nodig zijn, terwijl het systeem geen redelijke en adequate technische veiligheidsmaatregelen bevat. Voor de gebruiksverantwoordelijke geldt het verbod alleen wanneer die het systeem juist daarvoor gebruikt. Wie bestaand materiaal bewerkt zonder de blootstelling aan afgebeelde intieme delen te vergroten of de aard van de afgebeelde gedragingen te wijzigen, manipuleert in de zin van deze bepaling niet.

Verplichtingen die lichter worden

Artikel 4 over AI-geletterdheid is herschreven. Aanbieders en gebruiksverantwoordelijken moeten niet langer waarborgen dat er een toereikend niveau is, maar maatregelen nemen die de ontwikkeling van AI-geletterdheid ondersteunen, en de tekst voegt er uitdrukkelijk aan toe dat zij geen bepaald niveau voor personen hoeven te waarborgen.

Ook de poort naar de hoogrisicokwalificatie is nauwer. De definitie van veiligheidscomponent in artikel 3, punt 14 knoopt de veiligheidsfunctie vast aan het door de aanbieder beoogde doel, en het nieuwe artikel 6, lid 1 bis sluit systemen uit die uitsluitend worden gebruikt voor niet-veiligheidsgerelateerde bijstand aan gebruikers, prestatieoptimalisering, efficiëntie van de dienstverlening, automatisering, gemak of kwaliteitscontrole. Faalt het systeem op een manier die de gezondheid of veiligheid in gevaar brengt, dan blijft het wel een veiligheidscomponent.

Daarnaast krijgen kmo’s en de nieuwe categorie van kleine midcapondernemingen vereenvoudigde technische documentatie en een evenrediger kwaliteitsbeheersysteem, mag de effectbeoordeling op het gebied van de grondrechten kruisverwijzen naar de gegevensbeschermingseffectbeoordeling onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDPR), en worden systemen die aan Verordening (EU) 2024/2847 inzake cyberweerbaarheid voldoen geacht ook de cyberbeveiligingsvereisten van artikel 15 AI Act na te leven. De rechtsgrond om bijzondere categorieën persoonsgegevens te verwerken voor het opsporen en corrigeren van vooringenomenheid verhuist uit artikel 10, lid 5 naar een nieuw artikel 4 bis, en geldt nu ook voor gebruiksverantwoordelijken van hoogrisicosystemen en voor aanbieders en gebruiksverantwoordelijken van andere AI-systemen en modellen.

Een AI-bureau met bevoegdheden uit het mededingingsrecht

Het Europees Bureau voor artificiële intelligentie, kortweg het AI-bureau, wordt op grond van het gewijzigde artikel 75, lid 1 exclusief bevoegd voor AI-systemen die gebouwd zijn op een AI-model voor algemene doeleinden wanneer model en systeem van dezelfde aanbieder komen of van aanbieders binnen dezelfde onderneming, en voor AI-systemen die een zeer groot onlineplatform of een zeer grote onlinezoekmachine in de zin van de digitaledienstenverordening (DSA) vormen of daarin zijn geïntegreerd. Die exclusiviteit kent voor die eerste categorie wel vier uitzonderingen, waaronder de systemen die verband houden met bijlage I-producten en de systemen van rechtshandhavingsinstanties, grensbeheerautoriteiten en financiële instellingen.

De nieuwe artikelen 75 bis tot 75 quinquies vullen dat op met een instrumentarium dat de mededingingsjurist meteen zal herkennen: informatieverzoeken bij eenvoudig verzoek of bij besluit, inspecties waarbij lokalen worden betreden, bescheiden worden gekopieerd en lokalen of documenten kunnen worden verzegeld, de mogelijkheid om toezeggingen bindend te maken en de zaak af te sluiten, en de bevoegdheid om zelf niet-naleving vast te stellen en de sancties van artikel 99 op te leggen. Daar komen dwangsommen bij van maximaal 5 % van het gemiddelde dagelijkse inkomen of de gemiddelde wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar, per dag. Het AI-bureau kan bovendien al zijn toezichts- en handhavingskosten volledig terugvorderen van de betrokken operator.

Er zitten grenzen aan. De verjaringstermijn bedraagt drie jaar, het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft volledige rechtsmacht om boete- en dwangsombesluiten te toetsen en kan die intrekken, verlagen of verhogen, en artikel 75 quinquies verankert de rechten van verdediging en de inzage van het dossier onder onderhandelde openbaarmaking.

Juridische analyse en duiding

Het verbod treft nu ook wie het instrument bouwt

Bij intiem beeldmateriaal straft het Belgische seksueel strafrecht twee handelingen. Het beeld maken valt onder voyeurisme, artikel 417/8 van het Strafwetboek (Sw.), en het beeld verspreiden onder de niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte inhoud, de artikelen 417/9 en 417/10 Sw. Vanaf 1 september 2026 worden dat de artikelen 135, 136 en 137 van het nieuwe Strafwetboek. Het aanbieden van de applicatie staat in geen van beide bepalingen.

Wie de applicatie bouwt, blijft daarmee niet buiten bereik, maar wel op afstand. Hij kan medeplichtige zijn wanneer hij een middel verschaft wetende dat het voor het misdrijf zal dienen (artikel 67 Sw.), en vanaf september is hij deelnemer, die dan als dader wordt gestraft (artikel 19 nieuw Sw.). Dat vergt telkens een concreet misdrijf van een gebruiker, plus het bewijs dat de ontwikkelaar wist waar zijn instrument voor zou dienen.

Daar zet artikel 5, lid 1, eerste alinea, punt b bis) in. Verboden is niet alleen het gebruik, maar ook het in de handel brengen en het in gebruik stellen. Binnen de grenzen van lid 1 bis wordt het aanbieden van het instrument dus zelf de verboden gedraging, zonder dat er eerst een gebruiker moet zijn die er iets mee deed.

Bij volledig gegenereerd beeld wringt het bovendien al bij het maken. Tijdens de bespreking van de Wet van 21 maart 2022 vroegen professor Catherine Van de Heyning en professor Liesbet Stevens om de strafbaarstelling uit te breiden tot realistische fake nudes. De minister las daarop een nota van de Commissie tot hervorming van het strafrecht voor: bij volledig gemanipuleerde beelden lijkt voyeurisme niet te spelen, omdat die strafbaarstelling, anders dan die voor beelden van seksueel misbruik van minderjarigen, gekoppeld is aan de toestemming van een bepaalde persoon (Verslag, KAMER, 2021-22, 23 december 2021, nr. 55-2141/006, 65-66). De voorstellen tot uitbreiding zijn niet gevolgd.

In dat antwoord zit een spanning. Beide professoren beschreven deepnudes als beelden van een herkenbare persoon, gemaakt uit foto’s die van die persoon bestaan. De minister ging uit van het omgekeerde: bij een volledige deepnude wordt de echte persoon niet herkend, zodat niemand toestemming kan geven of weigeren. Het Europese verbod kiest de eerste lezing en legt de lat bij realisme, want volgens considerans 12 gaat het om de weergave van gezicht, stem of lichaam op een geloofwaardige, levensechte manier, ook al stemt die niet volledig overeen met het werkelijke uiterlijk.

Waar de discussie zal zitten

De aansprakelijkheid van de aanbieder hangt aan twee open normen: is de output redelijkerwijs te voorzien en reproduceerbaar zonder aanzienlijke technische wijzigingen, en zijn de veiligheidsmaatregelen redelijk en adequaat. Considerans 12 geeft een reeks voorbeelden, van het opschonen van gegevens en refusal training tot promptfilters, inhoudsclassificatie, gebruiksbeperkingen, detectie van misbruik en een meldings- en actiemechanisme.

Diezelfde considerans voegt er de lat aan toe die het geschil zal bepalen: de maatregelen zijn toereikend wanneer ze stroken met de meest geavanceerde maatregelen en in elk specifiek geval aantoonbaar de kans op zulk materiaal voorkomen of voldoende verminderen, redelijkerwijs te voorziene omzeiling inbegrepen. De verordening concretiseert die begrippen niet verder, terwijl het verbod al op 2 december 2026 werkt. De eerste dossiers zullen dus draaien om een technisch deskundigenoordeel over wat op een bepaald moment gangbaar was.

Aan de kant van de gebruiksverantwoordelijke is de bepaling opvallend beperkt. Enkel wie het systeem gebruikt met het doel dit materiaal te maken, valt onder het verbod; het onopzettelijk genereren niet. Voor het slachtoffer betekent dat dat de snelste weg meestal nog altijd het nationale recht is, want artikel 5 wordt gehandhaafd door markttoezichthouders, niet door de benadeelde zelf.

Uitstel is geen vrijstelling

Het uitstel raakt alleen hoofdstuk III, afdelingen 1 tot 3. De transparantieverplichtingen van artikel 50 blijven van toepassing vanaf 2 augustus 2026, en het nieuwe artikel 111, lid 4 geeft enkel aan aanbieders van AI-systemen die vóór 2 augustus 2026 in de handel zijn gebracht en synthetische audio-, beeld-, video- of tekstinhoud genereren, tijd tot 2 december 2026 om artikel 50, lid 2 na te leven. Wie een nieuw systeem uitbrengt, valt terug op 2 augustus 2026. Anders dan de respijtperiode voor hoogrisicosystemen in artikel 111, lid 2 bevat die overgangsregeling geen drempel voor een significante wijziging: wie zijn bestaand systeem grondig bijwerkt, verliest de vier extra maanden niet.

Er zit ook een spanning in de verordening zelf. De reden voor het uitstel is dat de normen en de nationale structuren niet klaar zijn, maar dezelfde tekst geeft het AI-bureau nu al de bevoegdheid om lokalen te betreden en te verzegelen, en om conformiteitsbeoordelingen vóór het in de handel brengen te laten uitvoeren op kosten van de aanbieder. Artikel 64, lid 3 bepaalt daartegenover, onverminderd de begrotingsprocedure, dat het AI-bureau voldoende middelen krijgt. Of de handhaving volgt, is daarmee geen juridische vraag meer maar een capaciteitsvraag.

Één rechtsstatelijke rem verdient aandacht. Vereist het nationale recht een rechterlijke machtiging voor een inspectie ter plaatse, dan toetst de nationale rechter uitsluitend of de dwangmaatregelen niet willekeurig of buitensporig zijn. Hij mag de noodzakelijkheid van het onderzoek niet toetsen en het dossier van het AI-bureau niet opvragen; de rechtmatigheid van het besluit blijft voorbehouden aan het Hof van Justitie.

Wat betekent dit concreet?

Voor aanbieders van generatieve AI-systemen. De relevante datum is 2 december 2026, niet 2027. Leg nu vast welke technische maatregelen u nam, waarom die stroken met de meest geavanceerde maatregelen, en hoe u gemeld misbruik opvolgt en corrigeert, want dat laatste maakt deel uit van de toets. Test uitdrukkelijk of uw beveiliging te omzeilen is zonder aanzienlijke technische wijziging.

Voor aanbieders van hoogrisicosystemen. Extra tijd is geen pauze. De respijtperiode geldt per type en model, en een aanzienlijke wijziging in het ontwerp na de nieuwe datum brengt het systeem in volle naleving, conformiteitsbeoordeling inbegrepen. Doe de kwalificatieoefening opnieuw: de beperktere definitie van veiligheidscomponent kan een systeem uit het toepassingsgebied halen, maar die beoordeling moet u documenteren en op verzoek voorleggen.

Voor gebruiksverantwoordelijken. De effectbeoordeling op het gebied van de grondrechten mag kruisverwijzen naar uw gegevensbeschermingseffectbeoordeling, wat het de moeite waard maakt om beide documenten op elkaar af te stemmen. Wilt u zelf op vooringenomenheid testen met bijzondere categorieën persoonsgegevens, dan kan dat sinds artikel 4 bis, maar enkel binnen de strikte voorwaarden van dat artikel en de regels van het gegevensbeschermingsrecht. Het is een toelating, geen verplichting.

Voor overheidsinstanties. Voor hoogrisicosystemen die bedoeld zijn om door overheidsinstanties te worden gebruikt, blijft de uiterste datum 2 augustus 2030. Die termijn schuift niet mee en verdient nu al een plaats in de meerjarenplanning.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Moet ik mijn AI-systeem nu al aan de hoogrisicoregels van de AI Act laten toetsen?
Niet noodzakelijk. De verplichtingen van hoofdstuk III gelden vanaf 2 december 2027 voor de zelfstandige hoogrisicosystemen en vanaf 2 augustus 2028 voor de systemen die als veiligheidscomponent in een gereglementeerd product zitten. De kwalificatiebeoordeling en de technische documentatie kunnen wel al lopen.

Zijn toepassingen die iemand digitaal uitkleden nu verboden?
Vanaf 2 december 2026 verbiedt de AI Act het in de handel brengen, het in gebruik stellen en het gebruik van AI-systemen die realistisch intiem beeldmateriaal van een identificeerbare persoon genereren of manipuleren zonder uitdrukkelijke toestemming. Naar Belgisch recht kunnen het maken en het verspreiden van zulk materiaal daarnaast al strafbaar zijn.

Blijft de verplichting om AI-gegenereerde inhoud te labelen gelden vanaf 2 augustus 2026?
Ja. Het uitstel raakt de transparantieverplichtingen niet. Alleen aanbieders van systemen die synthetische audio-, beeld-, video- of tekstinhoud genereren en die vóór 2 augustus 2026 in de handel waren gebracht, krijgen tot 2 december 2026 om aan de markeringsplicht van artikel 50, lid 2 te voldoen.

Conclusie

De digitale omnibus verplaatst de hoogrisicoverplichtingen naar 2 december 2027 en 2 augustus 2028, zwakt de AI-geletterdheidsplicht af en beperkt de kwalificatie als veiligheidscomponent, maar voegt tegelijk twee nieuwe verboden praktijken toe en bewapent het AI-bureau met inspectie-, toezeggings-, boete- en dwangsombevoegdheden. De agenda die daaruit volgt is dubbel: op korte termijn de transparantie- en verbodsregels van 2 augustus en 2 december 2026, op langere termijn de hoogrisicodossiers.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics