Een advocaat die een deel van zijn vergoeding als auteursrechten aangeeft en zo van het gunstregime in de personenbelasting geniet, krijgt van de fiscus vroeg of laat de vraag om te bewijzen dat zijn juridische teksten auteursrechtelijk beschermd zijn. Wie dat bewijs moet leveren, is de kern van een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Luik, afdeling Luik, van 12 januari 2026. De administratie moet volgens de rechtbank enkel aannemelijk maken dat er geen origineel werk is. Daarna is het aan de belastingplichtige om in zijn eigen teksten aan te wijzen wat er precies origineel is. De advocaat in deze zaak slaagde daarin en de betwiste aanslagen werden ontheven.
De feiten
De verzoeker in deze zaak is een advocaat. Met het kantoor waarbinnen hij werkt sloot hij in januari 2016 een samenwerkings- en overdrachtsovereenkomst, waarbij hij de auteursrechtelijke vermogensrechten op zijn werken overdraagt aan het kantoor. Die overeenkomst kent hem daarvoor 4 procent van het brutohonorarium toe. Hij gaf die vergoeding aan in zijn personenbelasting als roerend inkomen en betaalde de verschuldigde roerende voorheffing.
De administratie herkwalificeerde die inkomsten voor de aanslagjaren 2020 en 2021 volledig als baten: 12.006,42 EUR en 11.719,71 EUR verhuisden van de code voor auteursrechten naar de code voor winsten en baten. In de bezwaarfase legde de verzoeker een inventaris van werken voor. De adviseur-generaal aanvaardde daarop wel de auteursrechten van de uitgever en die voor wetenschappelijke dossiers, maar niet de vergoeding voor de cliëntendossiers.
De inzet voor de rechtbank was dus beperkt maar principieel: vormen de gewone dossierstukken van een advocaat, de adviezen, conclusies, contracten en brieven, werken waarvan de overdracht onder het fiscale regime voor auteursrechten valt?
De beslissing
De bewijslast van de oorspronkelijkheid van de geschriften
De verzoeker voerde aan dat artikel 17, § 1, 5° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) geen uitzonderingsregime is, zodat de administratie die een aangegeven roerend inkomen wil herkwalificeren, zelf moet aantonen dat de verrichting geen overdracht van auteursrechten is. De rechtbank verwerpt die stelling. Volgens de rechtbank kunnen de bijzondere fiscale bewijsregels een belastingplichtige niet vrijstellen van het bewijs dat hij de auteur is van een beschermd werk, zodra het bestaan van dat werk gemotiveerd wordt betwist.
De rechtbank steunt daarvoor op Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat ook in fiscale geschillen geldt en alle partijen tot medewerking aan de bewijsvoering verplicht. Artikel 8.6 BW laat wie een negatief feit moet bewijzen toe zich met de waarschijnlijkheid daarvan tevreden te stellen. Stelt de administratie het ontbreken van een beschermd werk dus op aannemelijke wijze, dan moet de belastingplichtige aanwijzen welke elementen in zijn teksten zijn persoonlijkheid uitdrukken. Zonder die stap zou volgens de rechtbank een weerlegbaar vermoeden ontstaan dat wie zich auteur noemt het ook is, en zou het bewijs van oorspronkelijkheid in fiscale zaken lichter wegen dan in het gemene recht.
De oorspronkelijkheid van de voorgelegde advocatengeschriften
Voor de inhoudelijke toets neemt de rechtbank de maatstaf van het Hof van Cassatie over: beslissend is of de auteur vrije en creatieve keuzes kon maken in de woordkeuze, de schikking en de combinatie van de woorden (Cass. 24 maart 2023, F.21.0052.N). Dat een advocaat zijn ambt krachtens artikel 444 van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.) binnen een wettelijk en deontologisch kader uitoefent, sluit die keuzevrijheid niet uit. Bescherming is echter niet automatisch: zij geldt slechts voor bepaalde geschriften, en dat vergt een beoordeling in concreto.
Toegepast op de voorgelegde voorbeelden stelt de rechtbank vast dat de verzoeker in procedurestukken redeneringen opbouwt om de tegenpartij of de rechtbank te overtuigen, dat de teksten niet louter informatief zijn en niet volledig door rechtsregels worden gedicteerd, dat hij het recht niet parafraseert maar samenvat, met concrete voorbeelden illustreert en van een eigen standpunt voorziet, en dat bepaalde uitweidingen en vergelijkingen eigen zijn aan deze auteur. Beslissend is de vaststelling dat hij niet louter bestaande modellen volgt voor akten, contracten, processtukken, brieven, adviezen en clausules. De rechtbank besluit dat de verzoeker beschermde werken creëert.
De overdracht van bepaalbare werken en de forfaitaire vergoeding
De administratie voerde aan dat de overeenkomst de werken niet precies identificeerde. Volgens de rechtbank voegt de fiscus daarmee een voorwaarde toe die de wet niet stelt: artikel XI.167, § 1 van het Wetboek van economisch recht (WER) vereist niet dat de overdracht op individueel aangeduide werken betrekking heeft, maar enkel dat de werken bepaalbaar zijn. Dat een werk in de uitoefening van een beroep tot stand komt, doet aan de kwalificatie evenmin afbreuk; anders zou ook een beroepsschrijver of beeldhouwer zijn hoedanigheid van auteur verliezen.
Ook de forfaitaire vergoeding overleeft de toets. Een percentage van het brutohonorarium is volgens de rechtbank verenigbaar met de fiscale wetgeving, precies omdat het rekening houdt met het gegeven dat niet elke prestatie van een advocaat een beschermd werk oplevert. Dat het percentage in de loop van de carrière licht evolueerde, verandert daar niets aan. De rechtbank besluit dat de voorwaarden van artikel 17, § 1, 5° WIB 92 vervuld zijn, ontheft de aanslagen en legt de kosten ten laste van de Belgische Staat.
Juridische analyse en duiding
Hetzelfde bewijsprobleem, twee wegen en twee uitkomsten
Het opvallendste aan dit vonnis is niet wat de rechtbank over het auteursrecht zegt, maar hoe zij de bewijslast verdeelt. Een goed half jaar eerder eerder bekeek het hof van beroep te Antwerpen een soortgelijk dossier op een andere manier. Dat hof vertrok van het vermoeden van juistheid van een tijdige aangifte en legde de bewijslast dus bij de administratie, maar oordeelde vervolgens dat de administratie aan die last had voldaan zodra bleek dat in de taxatiefase enkel de cessieovereenkomst was voorgelegd (HvB Antwerpen 20 mei 2025, 2023/AR/1618).
Het verschil in vertrekpunt is theoretisch, het verschil in uitkomst niet. In de procedure te Antwerpen struikelde de advocaat over zijn stukken: een selectie van zeven werken voor één aanslagjaar volstond niet, een plagiaatcontrole en een verklaring van een confrater evenmin, en de verhouding tussen die zeven werken en 15 procent van de omzet was niet houdbaar. In de procedure te Luik overtuigden de voorgelegde voorbeelden wel. Het vertrekpunt verschilt dus, de uitkomst niet: beide rechters beslissen op de concrete stukken en niet op de vraag of een advocaat in het algemeen beschermde werken maakt.
Die convergentie verklaart ook waarom het cassatiearrest van 24 maart 2023 minder heeft opgelost dan gehoopt. Het Hof van Cassatie verbood enkel de categorische uitsluiting van een hele beroepsgroep. Wie zijn werken niet per aanslagjaar kan aanwijzen, krijgt nog steeds ongelijk, en wel op een feitelijke grond die in cassatie buiten bereik blijft. Dat was ook de reden waarom een eerdere cassatievoorziening in een andere soortgelijke zaak werd verworpen (Cass. 25 juni 2020, F.19.0052.N).
Een derde voorwaarde die niet in de wet staat
De rechtbank leidt uit artikel 17, § 1, 5° WIB 92 drie cumulatieve voorwaarden af: een beschermd werk, een overdracht onder bezwarende titel met het oog op exploitatie, en een impliciete derde voorwaarde dat de financiële voorwaarden marktconform zijn. Die derde voorwaarde haalt zij niet uit de wettekst, maar uit de rechtsleer (S. Watelet, La fiscalité du droit d’auteur et des droits voisins, Anthemis, 2021, p. 137).
Verderop in hetzelfde vonnis verwijt de rechtbank de administratie precies dat zij een voorwaarde toevoegt die niet in de wet staat. Dat verwijt treft haar eigen redenering. De versie van artikel 17, § 1, 5° WIB 92 die op dit geschil van toepassing was, sprak enkel over inkomsten uit de cessie of de concessie van auteursrechten. Over exploitatie stond er niets, en over de prijs al helemaal niets. Beide vereisten komen namelijk uit de nieuwe regeling. Pas sinds 1 januari 2023 eist de wet dat de overdracht gebeurt met het oog op exploitatie of daadwerkelijk gebruik. De rechtbank leest die voorwaarde, samen met een prijstoets die zelfs in de nieuwe tekst niet voorkomt, in een oudere bepaling die er niet over ging. Voor de belastingplichtige is dat geen detail: het zijn twee extra hindernissen in een dossier over aanslagjaren waarvoor de wet ze niet stelde.
Waarom de administratie zich niet op het contract kon beroepen
De vaststelling dat een overdracht op bepaalbare werken mag betrekking hebben, is juist. Er is nog een tweede, sterkere reden waarom het bezwaar van de administratie niet kon slagen, en die staat niet in het vonnis.
De specificeringsvereiste van artikel XI.167, § 1 WER, dat de vergoeding, de reikwijdte en de duur per exploitatiewijze uitdrukkelijk moeten worden bepaald, dat bedingen over het auteursrecht restrictief worden uitgelegd en dat contracten ten aanzien van de auteur schriftelijk worden bewezen, staan er uitsluitend ter bescherming van de auteur. Wordt zo’n vereiste miskend, dan is het beding aangetast door een relatieve nietigheid die alleen de auteur kan inroepen. De fiscus staat buiten die overeenkomst en kan zich er dus niet op beroepen om te besluiten dat er geen auteursrechten zijn overgedragen. Dat de overeenkomst volgens de verzoeker in de loop van zijn carrière mondeling werd aangepast, werkt om dezelfde reden niet tegen hem.
Wat betekent dit concreet?
Voor wie een dossier over de jaren tot en met 2022 verdedigt. De betwistingen over de oude regeling lopen nog volop, en dit vonnis toont waar zij worden beslecht. Leg een inventaris per aanslagjaar voor, niet één overeenkomst met een algemene opsomming van soorten stukken. Duid per werk aan welke elementen vrij en creatief zijn gekozen: de opbouw, de formulering, de eigen samenvatting van het recht, de vergelijkingen en de voorbeelden. En bewijs dat het werk van uw hand is, want in de procedure te Antwerpen sneuvelde het dossier ook op de vraag of de teksten wel aan de belastingplichtige zelf toebehoorden.
Voor wie het regime vandaag toepast. Sinds de hervorming die op 1 januari 2023 in werking trad, is de discussie verschoven. Naast een beschermd werk is nu een kunstwerkattest vereist, of, bij gebrek daaraan, een overdracht of licentie aan een derde met het oog op mededeling aan het publiek, openbare uitvoering of reproductie. Daarbovenop begrenst artikel 37 WIB 92 het regime dubbel: de vergoeding voor de rechten mag niet meer dan 30 procent van de totale vergoeding bedragen, en er geldt een geïndexeerd absoluut plafond. Voor juridische geschriften van een advocaat die binnen het kantoor blijven, is de toegang tot het regime daarmee veel beperkter geworden dan dit vonnis over het oude regime vermoeden. Wie daarover zekerheid wil vóór hij een vergoedingsmodel opzet, doet er goed aan zich te laten bijstaan door een advocaat gespecialiseerd in auteursrecht en fiscaliteit.
Voor softwareontwikkelaars en IT-ondernemingen. De hervorming van 2023 sloot inkomsten met betrekking tot computerprogramma’s uit, en het Grondwettelijk Hof verwierp de beroepen tegen die uitsluiting (GwH 16 mei 2024, 52/2024). Die situatie is ondertussen teruggedraaid: door de wet van 15 juli 2026 verwijst artikel 17, § 1, 5° WIB 92 voor inkomsten betaald of toegekend vanaf 1 januari 2026 opnieuw naar de computerprogramma’s van de artikelen XI.294 en XI.295 WER. Voor wie software ontwikkelt, wordt de bewijsvoering uit dit vonnis dus vanaf 2026 rechtstreeks relevant, met dit verschil dat bij code de vrije en creatieve keuzes in de structuur en de vormgeving moeten worden aangetoond, en niet in de woordkeuze.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Kan een advocaat auteursrechten claimen op zijn adviezen en conclusies?
Ja, maar niet automatisch en niet op alles. Het Hof van Cassatie heeft aanvaard dat de wetgeving en de deontologie niet verhinderen dat een advocaat zijn persoonlijkheid in sommige geschriften kan uitdrukken. Elk geschrift moet afzonderlijk aan de oorspronkelijkheidsvoorwaarde worden getoetst. Standaardbrieven en stukken die louter een model volgen, halen die drempel niet.
Wie moet bewijzen dat een tekst origineel is: de fiscus of de belastingplichtige?
De rechtspraak is hierover verdeeld in haar vertrekpunt, maar niet in haar praktische uitkomst. Volgens de rechtbank van eerste aanleg te Luik volstaat het dat de administratie het ontbreken van een beschermd werk aannemelijk maakt, waarna de belastingplichtige concrete elementen moet aanwijzen. Wie de bescherming inroept, moet dus in de praktijk zijn werken kunnen tonen en toelichten.
Geldt het fiscale gunstregime voor auteursrechten vandaag nog voor juridische geschriften?
Dat is veel minder evident dan voor de inkomsten tot en met 2022. Het huidige artikel 17, § 1, 5° WIB 92 vereist een kunstwerkattest of een overdracht aan een derde met het oog op mededeling aan het publiek, openbare uitvoering of reproductie, en artikel 37 WIB 92 voegt daar een verhoudingsgrens en een plafond aan toe. Elk model moet dus tegen de huidige tekst worden getoetst, niet tegen de rechtspraak over de oude jaren.
Conclusie
Dit vonnis bevestigt dat professionele geschriften in België auteursrechtelijk beschermd kunnen zijn, en dat een forfaitaire vergoeding op bepaalbare werken de fiscale toets kan doorstaan. Tegelijk laat het vonnis zien waar het echt om draait: niet om de vraag of een advocaat auteursrechtelijk beschermde werken maken, maar om de stukken die een advocaat voor één aanslagjaar kan voorleggen. Wie de vergoeding wil behouden, bouwt zijn bewijs best op vóór de eerste vraag om inlichtingen, en toetst zijn model aan de regeling zoals zij vandaag in het Belgische fiscale recht luidt, met inbegrip van de voorwaarden die sinds 2023 en 2026 gelden.



