Verliest een videoplatform zijn beschermde status zodra het een reclamedeal met een creator sluit?

Een platform als YouTube is in beginsel niet aansprakelijk voor wat gebruikers uploaden, zolang het zich beperkt tot het louter opslaan van die inhoud. Maar wat als het platform vóór het sluiten van een commerciële samenwerking het kanaal en de video’s van een creator gaat bekijken? Dan verliest het die bescherming, oordeelde het Hof van Justitie in zijn arrest van 16 juli 2026 in de zaak C-421/24 (AGCOM tegen Google Ireland). Wie een kanaal inhoudelijk screent voordat hij er inkomsten mee gaat delen, weet wat erop staat, en kan zich dan niet meer verschuilen achter zijn rol van neutrale doorgever.

De feiten

De Italiaanse mediatoezichthouder AGCOM legde Google Ireland een boete van 750.000 euro op. De aanleiding: op vijf YouTube-kanalen van één contentmaker stonden honderden video’s die reclame maakten voor gokwebsites. Italië verbiedt met zijn “Decreto Dignità” elke vorm van gokreclame, ook indirecte. AGCOM beval Google bovendien om 630 van die video’s te verwijderen.

Het bijzondere aan de zaak zit in de relatie tussen Google en die creator. Beiden hadden een commerciële samenwerkingsovereenkomst gesloten in het kader van het YouTube Partnership Programme, waarbij ze de reclame-inkomsten deelden. Vóór het sluiten van die overeenkomst had Google het kanaal onderzocht: het hoofdthema, de meest bekeken en de recentste video’s, en de metadata zoals titels en beschrijvingen.

Google verweerde zich met een beroep op de aansprakelijkheidsvrijstelling voor hostingdiensten. AGCOM stelde daartegenover dat gokactiviteiten buiten de Europese e-commerceregels vallen. De Italiaanse Raad van State legde de vraag voor aan het Hof van Justitie.

De beslissing

Het Hof beantwoordde twee vragen.

Valt het hosten van gokreclame onder de e-commercerichtlijn?

Ja. Artikel 1, lid 5, d) van de richtlijn 2000/31 inzake elektronische handel (de e-commercerichtlijn) sluit gokactiviteiten uit van het toepassingsgebied. Volgens het Hof strekt die uitsluiting zich ook uit tot activiteiten die intrinsiek met gokken samenhangen, waaronder het online maken van gokreclame. Lidstaten moeten hun gokbeleid immers volgens hun eigen waardesysteem kunnen voeren, en reclame maakt daar deel van uit.

Het hosten van zulke reclame valt echter buiten die uitsluiting. Het Hof oordeelde dat de opslagactiviteit niet intrinsiek met gokken verbonden is: ze bestaat enkel in het bewaren van door een gebruiker aangeleverde inhoud en is neutraal ten opzichte van wat er precies wordt opgeslagen. Het hosten van een gokvideo verschilt niet van het hosten van eender welke andere video. Bijgevolg valt die dienst wél binnen de richtlijn, en staat de vrijstelling in beginsel open.

Kan Google zich hier op die vrijstelling beroepen?

Neen, oordeelde het Hof, gelet op wat Google concreet deed. De vrijstelling van artikel 14 van de e-commercerichtlijn geldt alleen voor wie optreedt als een echte tussenpersoon: een dienstverlener met een louter technische, automatische en passieve rol, zonder kennis van of controle over de opgeslagen inhoud. Dat vereiste van kennis en controle zijn volgens het Hof twee losstaande, alternatieve voorwaarden: ontbreekt één van beide, dan valt de dienstverlener buiten de vrijstelling.

Het Hof stelde vast dat Google, bij het onderzoek van het kanaal met het oog op de samenwerkingsovereenkomst, kennis kreeg van de wezenlijke inhoud van een reeks video’s. Dat onderzoek ging naar het hoofdthema, de populairste en recentste video’s, de metadata én de originaliteit en kwaliteit van de inhoud. Wie zo’n kanaal screent, kan redelijkerwijs niet onwetend zijn dat het rond gokken draaide en veel gokreclame bevatte. Daarmee speelde Google geen neutrale, maar een actieve rol, en kon het zich niet op artikel 14 beroepen. Of Google effectief niet onwetend kón zijn, moet de Italiaanse rechter nog definitief vaststellen.

Juridische analyse en duiding

De due diligence vóór de deal wordt zelf het bewijs

De kern van dit arrest is verrassend praktisch. Niet het algoritme, niet het delen van inkomsten en niet de omvang van het platform doen Google de das om, maar de menselijke of geautomatiseerde controle die het uitvoerde vóór het tekenen van de overeenkomst. Precies de zorgvuldigheid die een platform inbouwt om te weten met wie het in zee gaat, levert het bewijs dat het wist wat er op het kanaal stond.

Dat is juridisch een scherpe wending. Het Hof bevestigt zijn vaste lijn dat kennis van concrete onwettige inhoud de vrijstelling doet wegvallen (zie eerder al HvJ 22 juni 2021, C-682/18 en C-683/18, YouTube en Cyando). Maar het legt de lat lager dan gedacht: het volstaat dat het platform door zijn eigen screening weet krijgt van de wezenlijke inhoud van de video’s. Een volledige controle van elke video is niet nodig.

Waar het Hof en zijn advocaat-generaal uit elkaar lopen

Hier wordt het interessant. Advocaat-generaal Szpunar kwam in zijn conclusie van 27 november 2025 tot een genuanceerder besluit. Volgens hem sloot geen enkel kenmerk van het partnerprogramma, ook niet de steekproefsgewijze controle van video’s, op zich uit dat Google een tussenpersoon bleef. Hij maakte een onderscheid tussen “contentoptimalisering” (die de vrijstelling wél doet wegvallen) en louter “weergaveoptimalisering” (die dat niet doet), en plaatste de screening van Google eerder in die tweede, onschuldige categorie. De vraag of Google concrete kennis had, wilde hij volledig overlaten aan de nationale rechter.

Het Hof volgt die redenering niet. Het knoopt de kennis rechtstreeks vast aan het screeningsonderzoek zelf en trekt daar meteen de conclusie uit: wie het hoofdthema en de populairste video’s van een gokkanaal bekijkt, weet dat het over gokken gaat. Waar de advocaat-generaal de feitenrechter nog ruimte liet, sluit het Hof die ruimte grotendeels. Dat het Hof zijn advocaat-generaal op het beslissende punt niet volgt, maakt van dit arrest een strengere uitspraak dan de conclusie liet vermoeden.

Een derde manier om de hostingvrijstelling te doorbreken

Dit arrest staat niet op zichzelf. Het is de derde uitspraak op korte tijd waarin het Hof de status van neutrale tussenpersoon verder uitholt, telkens langs een andere weg. Enkele weken eerder oordeelde het Hof in de zaak WebGroup Czech Republic en Coyote System dat een platform de vrijstelling al verliest zodra zijn aanbevelingsalgoritme de verspreiding van content stuurt in zijn eigen belang, zelfs zonder enige kennis van die content. Die controle-lijn bespraken we eerder in onze blog over de vraag of een platform zijn aansprakelijkheidsbescherming verliest zodra een algoritme bepaalt wie welke content ziet.

Nog een stap terug ligt het arrest waarin het Hof oordeelde dat de vrijstelling helemaal opzij wordt geschoven wanneer de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDPR) in het spel komt, het onderwerp van onze blog over het einde van de safe harbor bij inbreuken op de AVG. Zet men de drie arresten naast elkaar, dan tekent zich één beweging af: kennis via de commerciële screening, controle via het algoritme, en voorrang van de AVG zijn drie afzonderlijke breekpunten die elk een courante platformpraktijk raken. Wie vandaag op de hostingvrijstelling steunt, moet met alle drie rekening houden.

Wat betekent dit onder de opvolger van de richtlijn?

De e-commercerichtlijn is intussen deels achterhaald. De artikelen 12 tot en met 15 zijn opgeheven en overgenomen in de artikelen 4 tot en met 6 en 8 van de digitaledienstenverordening (Verordening 2022/2065, ook DSA genoemd). Artikel 14 van de richtlijn stemt overeen met artikel 6 van die verordening. De hier ontwikkelde toets, kennis of controle over de inhoud, blijft dus onverkort gelden onder het nieuwe recht. Het arrest is daarmee geen historische voetnoot, maar een leidraad voor de toepassing van de DSA op commerciële samenwerkingen tussen platformen en creators.

Wat betekent dit concreet?

Voor online platformen met creator- of affiliateprogramma’s. De boodschap is ongemakkelijk: elke inhoudelijke screening vóór een commerciële samenwerking kan later tegen u worden gebruikt. Wie een kanaal beoordeelt op thema, kwaliteit of originaliteit om te beslissen of iemand mag toetreden tot een verdienmodel, bouwt daarmee kennis op die de hostingvrijstelling kan doorbreken. Dat betekent niet dat u zulke controles moet afschaffen, maar wel dat u een reactieprocedure klaar hebt: zodra de screening onwettige inhoud aan het licht brengt, moet u prompt handelen om die te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Doet u dat niet, dan vervalt de bescherming van artikel 6 DSA voor die inhoud.

Voor toezichthouders en benadeelde partijen. Dit arrest opent een handhavingsspoor dat verder reikt dan de klassieke kennisgeving-en-verwijderingslogica. Waar een commercieel doorlichtingsproces aan de schade voorafgaat, kan dat proces zelf de kennis aantonen die nodig is om het platform aansprakelijk te stellen. Voor sectoren met strikte reclameverboden, zoals gokken, tabak of bepaalde financiële producten, is dat een bruikbaar aanknopingspunt.

Voor creators en influencers. Een verdienmodel via een platform is geen vrijgeleide. Onwettige reclame blijft onwettig, en het feit dat het platform meedeelt in de inkomsten verandert daar niets aan. De onderliggende inbreuk, hier het maken van verboden gokreclame, blijft ten laste van wie ze pleegt.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Is een videoplatform aansprakelijk voor illegale reclame die gebruikers uploaden?
In beginsel niet, zolang het platform zich beperkt tot het louter technisch opslaan van die inhoud en niet weet dat ze onwettig is. Zodra het platform daar wel weet van heeft, moet het prompt ingrijpen, anders vervalt de bescherming.

Verliest een platform zijn bescherming door reclame-inkomsten te delen met creators?
Neen, het delen van inkomsten op zich volstaat niet. Volgens het Hof valt de bescherming pas weg wanneer het platform door een concrete handeling, zoals het screenen van een kanaal, kennis of controle over de inhoud verkrijgt.

Geldt deze uitspraak nog nu de e-commercerichtlijn is vervangen?
Ja. De aansprakelijkheidsregels voor hostingdiensten zijn overgenomen in de digitaledienstenverordening (DSA). De toets die het Hof hier toepast, blijft daar onverkort gelden.

Conclusie

Het Hof van Justitie maakt duidelijk dat de zorgvuldigheid van een platform zich tegen dat platform kan keren. Wie een kanaal inhoudelijk onderzoekt vóór een commerciële samenwerking, verwerft daardoor kennis van de inhoud en verliest de status van neutrale tussenpersoon. Voor platformen betekent dit dat screening en een sluitende verwijderingsprocedure hand in hand moeten gaan; voor toezichthouders opent het een nieuw handhavingsspoor.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics