Kan een overheidsinstantie verbieden dat een privébedrijf dezelfde naam gebruikt?

Stel u voor: de naam of het acroniem van uw overheidsdienst of VZW, die u al jaren gebruikt, wordt plots prominent ingezet door een commercieel bedrijf. U vreest voor reputatieschade en verwarring bij het publiek en overweegt juridische stappen. Dit lijkt een duidelijke zaak van naamsinbreuk, maar de juridische realiteit is complexer.

Een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 8 oktober 2025 illustreert pijnlijk duidelijk dat een overheidsinstantie niet zomaar dezelfde juridische bescherming geniet als een commerciële onderneming. Zelfs niet als die instantie de naam als eerste gebruikte.

De feiten: publieke pom’s versus private pom nv

De zaak stelde vier Belgische Provinciale Ontwikkelingsmaatschappijen (afgekort “POM”) tegenover een private IT- en softwareleverancier genaamd POM NV.

  • De eisers: De vier Vlaamse POM’s zijn publiekrechtelijke instellingen, opgericht in 2006 door de Vlaamse Overheid om het sociaaleconomisch beleid te bevorderen . Zij gebruiken het acroniem “POM” in hun officiële benaming.
  • De verweerder: POM NV is een commercieel bedrijf, opgericht in 2014, dat zijn naam in 2016 wijzigde naar “POM”. Het bedrijf is een succesvolle softwareontwikkelaar voor factuur- en betalingsautomatisering en heeft diverse “POM”-beeldmerken geregistreerd.
  • Het geschil: De publieke POM’s eisten dat POM NV zou stoppen met het gebruik van de naam “POM” en de domeinnaam www.pom.be zou overdragen. De kern van hun argumentatie was dat het gebruik van “POM” door de private firma – onder meer op betaalverzoeken voor parkeerretributies – verwarring zaaide bij het publiek, dat daardoor zou kunnen denken dat de publieke POM’s achter deze betalingen zaten.

De publieke POM’s baseerden hun vordering op diverse gronden, waaronder de bescherming van hun handelsnaam, oneerlijke marktpraktijken (zowel jegens ondernemingen als consumenten) en de onrechtmatige registratie van de domeinnaam.

De beslissing: hof van beroep bevestigt de afwijzing

Net als de rechter in eerste aanleg, veegde het hof van beroep alle vorderingen van de publieke POM’s van tafel. De centrale vraag was niet wie de naam als eerste gebruikte, maar wel of de publieke POM’s überhaupt aanspraak konden maken op de ingeroepen juridische bescherming.

Het antwoord van het hof was een duidelijk ‘neen’.

De kern van de redenering: de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappijen kwalificeren niet als “ondernemingen” in de zin van Boek VI van het Wetboek van Economisch Recht (WER).

Het hof oordeelde dat de POM’s een “taak van algemeen belang” uitoefenen, namelijk het uitvoeren van sociaaleconomisch beleid. Hoewel ze daarbij taken uitvoeren zoals het (ver)kopen van gronden, doen ze dit niet met een “economisch doel” (winst maken in een concurrentiële markt), maar met een “beleidsdoel”. Ze bevorderen het bedrijfsleven, maar “participeren er zelf niet in”. Ze opereren binnen een publiekrechtelijk kader, hebben zelfs onteigeningsbevoegdheid en treden dus niet in concurrentie met private spelers .

Juridische analyse en duiding

Dit arrest is een voorbeeld van het belang van het “functionele” ondernemingsbegrip in het Belgisch economisch recht.

1. Het cruciale “functionele” ondernemingsbegrip

Veel partijen gaan ervan uit dat elke entiteit met een KBO-nummer een “onderneming” is. Voor Boek VI WER (Marktpraktijken) en Boek XII WER (Bepaalde rechtshandelingen) is dit echter niet het geval. Hier geldt een specifieke, “functionele” definitie:

Een “onderneming” is “iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen” (art. I.8, 39° WER).

De publieke POM’s voldeden niet aan deze definitie. Hun doel is beleidsmatig, niet economisch.

2. De juridische gevolgen van die kwalificatie

Omdat de publieke POM’s niet als “onderneming” werden beschouwd, vielen hun belangrijkste vorderingen in het water:

  • Geen handelsnaambescherming (art. VI.104 WER): Dit artikel verbiedt oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen. Aangezien de eisers geen ondernemingen waren, kon deze bepaling niet worden ingeroepen. Het hof stelde scherp dat de POM’s hun naam niet gebruiken “in het handelsverkeer ter onderscheiding van een handelszaak, maar in het publiekrechtelijke verkeer ter onderscheiding van een overheidsinstantie”.
  • Geen bescherming tegen B2B-misleiding (art. VI.105 WER): Om dezelfde reden faalde de vordering op basis van misleidende praktijken tussen ondernemingen.

3. De vordering wegens misleiding van consumenten (B2C)

Dit was een belangrijk punt in het hoger beroep. De publieke POM’s argumenteerden – terecht, zo oordeelde het hof – dat ze wél een vordering konden instellen om de consument te beschermen. Hiervoor hoeft men geen “onderneming” te zijn; het volstaat om een “belanghebbende” te zijn (art. XVII.7 WER).

Toch faalde ook deze vordering. Voor een misleidende handelspraktijk (art. VI.97 en VI.98 WER) moet aan een dubbele voorwaarde zijn voldaan:

  1. Er is sprake van misleidende informatie (bv. verwarring over de identiteit);
  2. Die misleiding brengt de gemiddelde consument ertoe (of kan ertoe brengen) een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.

De publieke POM’s leverden geen enkel bewijs voor die tweede, cruciale voorwaarde. Ze konden niet aantonen dat consumenten door de verwarring effectief een factuur of boete betaalden die ze anders niet hadden betaald. Loutere verwarring of het ontvangen van verkeerd geadresseerde e-mails is onvoldoende.

4. De vordering tot overdracht van de domeinnaam pom.be

Ook de vordering tot overdracht van de domeinnaam (art. XII.22 WER) werd afgewezen. De voorwaarden hiervoor zijn cumulatief: (1) verwarringsgevaar met een naam waarop men een recht heeft, (2) de domeinnaamhouder heeft geen recht of legitiem belang, en (3) de registratie gebeurde te kwader trouw .

Het hof oordeelde dat aan geen enkele voorwaarde was voldaan. De publieke POM’s hadden geen handelsnaamrechten en POM NV had als commercieel bedrijf wél een legitiem belang bij de naam, die het bovendien niet te kwader trouw had geregistreerd.

Wat dit concreet betekent

  • Voor overheidsinstanties en VZW’s: Besef dat de naam van uw organisatie niet automatisch de robuuste bescherming van een “handelsnaam” geniet. Die bescherming is gereserveerd voor actoren die economische doelen nastreven in een concurrentiële markt. Wilt u optreden tegen verwarring? Zorg dan dat u kunt bewijzen dat consumenten hierdoor economische beslissingen nemen die ze anders niet zouden nemen.
  • Voor commerciële ondernemingen: Een naam of acroniem kiezen dat ook door een publieke instantie wordt gebruikt, is niet per definitie verboden, zeker als u in een totaal andere sector actief bent. Het actief voeren van deze naam als handelsnaam en de registratie van (beeld)merken bouwen een cruciaal “legitiem belang” op dat u kan beschermen tegen latere claims.

Veelgestelde vragen (faq)

Is een overheidsinstantie of VZW dan nooit een “onderneming”?
Ja, dat kan wel. Het hof oordeelt niet dat publieke instanties nooit een onderneming kunnen zijn. Ze zijn het echter enkel voor die activiteiten waarbij ze wel op duurzame wijze een economisch doel nastreven en goederen of diensten op een markt aanbieden, los van hun taak van algemeen belang. In dit geval oordeelde het hof dat de activiteiten van de POM’s (zoals grondverkoop) onlosmakelijk verbonden waren aan hun publieke beleidstaak.

Hadden de publieke POM’s hun naam niet als merk moeten registreren?
Dat hadden ze kunnen doen. Een merkregistratie (bv. een woordmerk “POM”) biedt een veel sterkere, absolute bescherming dan een handelsnaam. Een merkrecht kan worden ingeroepen tegen elk later, gelijkaardig gebruik voor gelijkaardige waren of diensten, ongeacht of de eiser zelf een “onderneming” is in de zin van Boek VI WER. De private POM NV had overigens wél beeldmerkregistraties.

Waarom werd de tegenvordering van POM NV voor een “tergend en roekeloos geding” afgewezen?
Hoewel de publieke POM’s de zaak volledig verloren, oordeelde het hof dat hun (hoger) beroep niet “tergend en roekeloos” was. De reden was specifiek: de eerste rechter had vergeten te oordelen over de B2C-vordering (misleiding consumenten). De POM’s hadden dus een gegronde procedurele reden om in beroep te gaan, ook al kregen ze inhoudelijk ongelijk.

Conclusie

Dit arrest is een belangrijke herinnering aan de strikte, functionele interpretatie van het ondernemingsbegrip in het Belgisch economisch recht. Publieke instanties en private bedrijven opereren juridisch vaak op totaal verschillende speelvelden, zelfs als ze toevallig dezelfde naam dragen.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics