Kan een eenvoudige productvorm als merk worden beschermd?

Een merk dat enkel uit een eenvoudige geometrische basisvorm bestaat — een cirkel, een rechthoek, een vlakke schijf — kan in beginsel niet als geldig vormmerk worden beschermd. Dat heeft de stakingsrechter van de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel bevestigd op 5 november 2025 in de zaak die de Amerikaanse Abbott Diabetes Care voerde tegen de Chinese fabrikant Sinocare. Het Beneluxvormmerk voor de witte ronde schijf van de FreeStyle Libre-glucosesensor wordt nietig verklaard en de stakingsvordering tegen het concurrerende iCan i3 CGM-toestel afgewezen. De zaak is bijzonder leerrijk omdat marktleider Abbott — met een marktaandeel van 45 % en miljoenen marketingdollars op tafel — er níet in slaagde aan te tonen dat de vorm door gebruik onderscheidend was geworden.

De feiten

Abbott brengt sinds 2014 (Nederland) en 2016 (België en Luxemburg) het FreeStyle Libre-systeem op de markt. Het gaat om een toestel voor continue glucosemonitoring (CGM): een witte ronde schijf die op de bovenarm of buik wordt geplakt en die het glucosegehalte continu meet. Het product mikt zowel op diabetespatiënten als op consumenten die hun bloedsuiker om niet-medische redenen willen opvolgen.

Op 28 oktober 2020 vraagt Abbott bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom een driedimensionaal vormmerk aan voor klasse 10. Het BBIE weigert eerst, wegens gebrek aan onderscheidend vermogen en omdat de vorm noodzakelijk lijkt voor het technische resultaat. Pas na een omstandig verweer van negentien pagina’s met meer dan vijftig bijlagen wordt het merk op 13 april 2022 alsnog ingeschreven onder nummer 1428128.

Eind 2023 lanceert Sinocare zijn iCan i3 CGM — eveneens een witte ronde schijf met soortgelijke functionaliteit.

Abbott dagvaardt op 14 en 24 juni 2024 zowel Sinocare als Obelis nv, de Europese gevolmachtigde van Sinocare. Sinocare reageert met een tegenvordering tot nietigverklaring van het merk.

De beslissing

De voorzitter behandelt eerst die tegenvordering — logisch, want de stakingsvordering staat of valt met de geldigheid van het ingeroepen merk. De inschrijving door het BBIE schept enkel een vermoeden van geldigheid; de nationale rechter blijft vrij om dat te toetsen.

Geen intrinsiek onderscheidend vermogen

Op grond van art. 2.2bis, lid 1, b) Benelux Verdrag inzake Intellectuele Eigendom (BVIE) worden merken zonder onderscheidend vermogen geweigerd of nietig verklaard. Voor vormmerken die bestaan uit het uiterlijk van het product zelf gelden in beginsel dezelfde criteria als voor woord- of beeldmerken, maar met een belangrijke nuance uit de Europese rechtspraak: consumenten zijn niet gewend om de herkomst van een product af te leiden uit zijn vorm, en enkel een vorm die op significante wijze afwijkt van de norm of de gebruiken van de sector kan haar herkomstfunctie vervullen (HvJ 7 oktober 2004, C-136/02 P, ‘Mag Instrument’; HvJ 15 mei 2014, C-97/12 P, ‘Louis Vuitton Malletier/BHIM’).

Abbott bepleitte een nauwe afbakening van de relevante sector tot CGM-toestellen. De rechter wijst dat af: de marktgewoonten in deze niche verschillen niet wezenlijk van die in de bredere sector van medische hulpmiddelen, waar witte ronde of afgeronde vormen gangbaar zijn. Het cilindervormige, witte profiel van de FreeStyle Libre is een geometrische basisvorm zonder bijzondere kenmerken. De door Abbott opgesomde specificaties — tweekleurig zijprofiel, doorzichtige hechtzone, gladde afgeronde randen — zijn enkel van dichtbij waarneembaar en volstaan niet om de gemiddelde consument de herkomst te doen identificeren.

De rechter wijst ook op het arrest van het Oberster Gerichtshof (AT) van 22 oktober 2024 in de parallelle Oostenrijkse procedure tussen dezelfde partijen, dat tot eenzelfde conclusie kwam: een platte cilinder met cirkelvormige basis is “de eenvoudigste vorm die aan de gebruiksvereisten van een lichaamssensor voldoet” en kan niet als vormmerk worden gemonopoliseerd.

Geen door gebruik verkregen onderscheidend vermogen

Subsidiair beriep Abbott zich op art. 2.2bis, lid 3 BVIE: een vorm zonder intrinsiek onderscheidend vermogen kan dat alsnog verkrijgen door intensief gebruik. De merkhouder moet daarvoor zowel de omvang van het gebruik als het effect ervan op de perceptie van het publiek aantonen.

De rechter erkent dat Abbott meer dan vijf miljoen dollar heeft geïnvesteerd in marketing, maar wijst erop dat het toestel in alle campagnes steeds samen met de woordmerken “Abbott” en “FreeStyle Libre” verscheen. Welk aandeel van de opgebouwde bekendheid uitsluitend aan de cirkelvormige schijf toekomt — en niet aan de begeleidende woordmerken — kan daardoor niet worden vastgesteld.

De Pflüger-marktstudie van april 2025, die Abbott voorlegt om de bekendheid van de vorm te onderbouwen, sneuvelt op meerdere methodologische punten. De steekproef van vijfhonderd respondenten bestond uitsluitend uit diabetespatiënten of ouders van diabeteskinderen — terwijl Abbott zelf het doelpubliek breder had gedefinieerd, met onder meer niet-medische gebruikers en zorgprofessionals. Bovendien waren type 1-diabetici (5 tot 10 % van de diabetespopulatie) goed voor 20 % van de respondenten, wat een oververtegenwoordiging opleverde van personen met een diepgaande sectorkennis. De online afname zonder grondige identiteitsverificatie — slechts 20 % van de respondenten werd gecontroleerd — bevestigt de fragiliteit van de resultaten, te meer omdat dr. Pflüger zelf eerder geschreven had dat online-bevragingen zich slecht lenen voor juridische opinieonderzoeken.

Geen slaafse nabootsing of misleiding

De rechter behandelt ten slotte de subsidiaire grondslagen uit art. VI.104 en VI.104/1, 1° en 3° WER (oneerlijke marktpraktijken) en art. VI.93-VI.100 WER (misleidende handelspraktijken).

Op grond van de Orac-rechtspraak van het Hof van Cassatie is louter kopiëren in beginsel vrij. Pas wanneer bijkomende deloyale omstandigheden — bijvoorbeeld bewust verwarringsgevaar — worden aangetoond, wordt de nabootsing onrechtmatig. Abbott levert die bewijzen niet. De rechter stelt bovendien vast dat beide toestellen onder duidelijk verschillende woordmerken op de markt komen en dat hun verpakkingen sterk verschillen in kleur, lay-out en aangekondigde functionaliteiten. Het publiek — patiënten en zorgprofessionals — vertoont overigens een hoog aandachtsniveau.

Het dictum spreekt voor zich: het merk wordt nietig verklaard, de doorhaling in het Benelux-merkenregister bevolen, en Abbott wordt solidair veroordeeld in de proceskosten (15.697,67 EUR). Tegen het vonnis is hoger beroep aangetekend.

Juridische analyse en duiding

De relevante sector wordt ruim gedefinieerd — en dat is geen detail

Abbott had er strategisch belang bij om de relevante sector zo nauw mogelijk te trekken: enkel CGM-toestellen. Binnen die microsector kon zij wijzen op het feit dat ten tijde van het depot (2020) geen andere fabrikant een ronde witte schijf op de markt bracht. De rechter wijst die benadering af onder verwijzing naar de HvJ-rechtspraak die toelaat een ruimere sector in beschouwing te nemen wanneer de marktgewoonten dat rechtvaardigen.

Die afbakening is bediscussieerbaar. CGM-toestellen verschillen functioneel én commercieel van bijvoorbeeld cochleaire implantaten of menstruatiepijntoestellen waar de rechter naar verwijst. Vanuit het perspectief van de doelconsument van een CGM-systeem (de diabetespatiënt) is de relevante referentiekader wellicht eerder de glucosemeetmarkt dan de gehele medische hulpmiddelensector. Tegelijk is de keuze verdedigbaar: hoe nauwer de sector wordt gedefinieerd, hoe gemakkelijker een vorm “afwijkend” oogt — en hoe meer ruimte ontstaat voor monopolisering van basisvormen door first movers. De rechter kiest pragmatisch voor de bredere afbakening, een keuze die ook in het Oostenrijkse parallelle arrest werd gemaakt.

De methodologische lat voor marktonderzoek ligt hoog

Het inhoudelijke kernverwijt aan de Pflüger-studie — de dichotomie tussen het door de merkhouder gedefinieerde doelpubliek en het werkelijk ondervraagde publiek — levert een belangrijke praktijkles op. Wie inschakelt op door gebruik verkregen onderscheidend vermogen, moet zijn doelpubliek consistent definiëren en consequent bevragen. De keuze om “om praktische redenen” enkel het meest geïnformeerde deel van het doelpubliek te bevragen, kan zich tegen de merkhouder keren: het wijst eerder op zelfselectie dan op representativiteit.

Ook de strenge benadering van online-bevragingen is opmerkelijk. De rechter aanvaardt dat technologische evoluties online-onderzoek betrouwbaarder maken, maar stelt zware eisen aan identiteitsverificatie. Een verificatiegraad van 20 % wordt als ontoereikend gekwalificeerd, zonder dat een drempel wordt vastgelegd. Voor de praktijk betekent dit dat marktstudies in IE-procedures opnieuw voornamelijk in persoon of via geverifieerde panels moeten worden afgenomen, of dat een veel hogere verificatiegraad moet worden bereikt.

Marketinginvestering bewijst geen inburgering zonder geïsoleerde vormcommunicatie

De redenering rond de vijf miljoen dollar marketinginvestering is wellicht het meest verstrekkende deel van het vonnis. De rechter aanvaardt niet dat een merkhouder die zijn vorm steeds samen met sterke woordmerken in beeld brengt, achteraf de volledige opgebouwde naambekendheid aan die vorm alleen kan toeschrijven. Wie van plan is om een productvorm later als merk te laten erkennen op grond van inburgering, doet er bijgevolg goed aan om in een vroege fase ook campagnes uit te bouwen waarin de vorm centraal staat zonder begeleidende woordmerken — een commercieel contra-intuïtieve, maar juridisch verantwoorde strategie.

Wat betekent dit concreet?

Voor merkhouders in medische hulpmiddelen en consumer health. Een 3D-vormmerk is in deze sector geen onmogelijkheid, maar wel een uitzondering. Wie zijn productvorm wenst te beschermen, doet er goed aan parallel een modelrecht aan te vragen op het ogenblik van marktintroductie: dat geeft een efficiëntere bescherming voor het uiterlijk, mits voldaan is aan de nieuwheidsvereiste. Een Beneluxmodel of Europees model biedt vijf tot vijfentwintig jaar bescherming en stelt veel lagere drempels qua onderscheidend karakter dan een vormmerk. Voor wie toch de merkroute kiest, is een degelijk inburgeringsdossier belangrijk: bewaar bewijsstukken van mediabesteding, bereikcijfers en marktstudies, en zorg dat campagnes de vorm ook op zichzelf — zonder begeleidende woordmerken — in beeld brengen.

Voor producenten en importeurs van generieke alternatieven. De uitspraak bevestigt dat een quasi-identieke productvorm op zich nog geen oneerlijke marktpraktijk uitmaakt. Wel blijft voorzichtigheid geboden: een markante verpakking, een onderscheidend eigen woordmerk en eigen marketingmateriaal zijn essentieel om de “bijkomende omstandigheden” te vermijden die slaafse nabootsing wel onrechtmatig maken. De combinatie van een afwijkende verpakking en een sterk eigen woordmerk speelde in deze zaak in het voordeel van Sinocare.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Wat is een driedimensionaal vormmerk?
Een vormmerk beschermt de vorm van een product of zijn verpakking als herkomstaanduiding. Bekende voorbeelden zijn het flesje van Coca-Cola of de Toblerone-vorm. Voorwaarde is dat de vorm voldoende afwijkt van wat in de sector gangbaar is en dat de consument de vorm spontaan associeert met één onderneming.

Wanneer is een eenvoudige vorm wel beschermbaar als merk?
Wanneer aangetoond wordt dat de vorm door langdurig en intensief gebruik onderscheidend vermogen heeft verkregen (“inburgering”). Dat vereist hard bewijs: omzet- en marketingcijfers in de Benelux, getuigschriften, mediabesteding en — vaak — een methodologisch onbetwistbaar marktonderzoek. Het merk Lego, het flesje van Perrier en de banaanvorm-stoel van Crocs zijn bekende voorbeelden waarin inburgering werd aanvaard.

Is het vonnis definitief?
Nee. Tegen het vonnis van 5 november 2025 is hoger beroep aangetekend. Het hof van beroep te Brussel zal zich nog moeten uitspreken. Bovendien werd in een parallelle Britse procedure de equivalente UK-merkregistratie eveneens nietig verklaard, en weigerde het Oberster Gerichtshof (AT) in oktober 2024 voorlopige maatregelen aan Abbott. De convergentie van de uitspraken is een sterk signaal, maar geen garantie voor de Brusselse beroepsuitspraak.

Conclusie

De uitspraak van de Brusselse ondernemingsrechtbank illustreert hoe streng de drempel voor 3D-vormmerken blijft, zelfs voor marktleiders met een aanzienlijk marktaandeel en forse marketinginvesteringen. Een geometrische basisvorm in een functionele sector wordt vrijwel altijd waargenomen als productvorm, niet als herkomstaanduiding. Wie een productvorm wil beschermen, doet er goed aan om bij het ontwerp al voor een vorm te kiezen die werkelijk afwijkt van de sectornorm én parallel een modelrecht aan te vragen — dat biedt een efficiëntere bescherming voor het uiterlijk van een product, met aanzienlijk lagere drempels dan het merkenrecht. De merkenrechtelijke route via inburgering blijft mogelijk, maar vergt jarenlange campagnes waarin de vorm consistent en zonder begeleidende woordmerken wordt gecommuniceerd.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics