De Amerikaanse onderneming OpenAI, Inc. probeert het woord OPENAI als Uniemerk te registreren, maar het Gerecht van de Europese Unie zet daar (voorlopig) een streep door. In zijn arrest van 15 juli 2026 (T-555/25) oordeelt het Gerecht dat OPENAI voor het relevante publiek gewoon “vrij toegankelijke kunstmatige intelligentie” beschrijft, en dus geen geldig woordmerk kan vormen. Opvallend: het OpenAI-logo met woord is als beeldmerk wél ingeschreven. Registratie van het woord is niet definitief uitgesloten, maar OpenAI zal een andere weg moeten bewandelen.
De feiten
OpenAI diende op 15 juni 2023 bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een aanvraag in om het woordteken OPENAI als Uniemerk in te schrijven. De aanvraag had, na een beperking tijdens de procedure, betrekking op waren en diensten in de klassen 9, 38, 42 en 45, met name software, ontwikkelingsdiensten, cloudtoepassingen en identiteitsverificatie.
De onderzoeker van het EUIPO wees de aanvraag gedeeltelijk af. De kamer van beroep bevestigde die weigering. OpenAI trok daarop naar het Gerecht van de Europese Unie en vroeg de vernietiging van die beslissing. Ze voerde drie middelen aan: schending van de weigeringsgrond voor beschrijvende tekens, schending van de grond voor tekens zonder onderscheidend vermogen, en schending van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur, omdat het EUIPO in het verleden vergelijkbare merken wél had aanvaard.
De beslissing
Het Gerecht verwierp het beroep in zijn geheel en veroordeelde OpenAI tot de kosten. De kern van de redenering draait om de vraag of OPENAI beschrijvend is in de zin van artikel 7, lid 1, c) van de Uniemerkenverordening (Verordening (EU) 2017/1001, de UMVo). Die bepaling verbiedt de inschrijving van tekens die uitsluitend bestaan uit aanduidingen die in de handel kunnen dienen om een kenmerk van de waren of diensten aan te duiden.
Het Gerecht ging eerst na hoe het relevante publiek, het Engelstalige publiek in de Unie, het teken begrijpt. Ook zonder koppelteken of spatie herkent dat publiek de twee bestanddelen “open” en “AI”. “AI” staat volgens het Gerecht algemeen bekend als de afkorting van “artificial intelligence”. Het woord “open” kan volgens het Gerecht meerdere betekenissen hebben, maar in de context van IT-waren en -diensten kan het worden begrepen als “vrij beschikbaar” of “vrij toegankelijk”. Samengevoegd verwijst OPENAI dan naar toegankelijke, onbeperkte, of op openbronprincipes gebaseerde kunstmatige intelligentie.
Vervolgens toetste het Gerecht of dat teken een kenmerk van de betrokken waren en diensten beschrijft. Het antwoord was ja: alle software en diensten in de klassen 9, 42 en 45 kunnen worden aangedreven door of gebaseerd zijn op vrij toegankelijke kunstmatige intelligentie. Dat die waren en diensten ook andere doeleinden kunnen dienen, doet daar volgens het Gerecht niet aan af. Het volstaat dat één van de mogelijke bestemmingen van de waren en diensten samenvalt met de betekenis van het teken.
Omdat één absolute weigeringsgrond volstaat om de inschrijving tegen te houden, hoefde het Gerecht het tweede middel (het ontbreken van onderscheidend vermogen) niet meer te onderzoeken. Ook het derde middel faalde: eerdere inschrijvingen door het EUIPO of door buitenlandse merkenbureaus binden het Gerecht niet, want de geldigheid van een Uniemerk wordt uitsluitend beoordeeld aan de UMVo zelf.
De kamer van beroep had bovendien uitdrukkelijk aangegeven dat, zodra de beslissing definitief is, de procedure wordt hervat om de subsidiaire vordering van OpenAI over inburgering (artikel 7, lid 3 UMVo) te onderzoeken. Dat luik ligt dus nog open.
Juridische analyse en duiding
Waarom OpenAI’s grootste troef, zijn bekendheid, hier net niet meetelt
Het meest opvallende aan dit arrest is wat het Gerecht bewust naast zich neerlegt: de enorme bekendheid van de naam OpenAI. Het lijkt intuïtief vreemd dat een naam die bij het grote publiek zo sterk met de onderneming achter ChatGPT wordt geassocieerd, toch als beschrijvend wordt geweigerd. De verklaring zit in een scherp onderscheid dat het merkenrecht maakt tussen twee heel verschillende vragen.
De eerste vraag is of een teken van nature geschikt is om als merk te dienen. Dat wordt beoordeeld op grond van de intrinsieke eigenschappen van het teken zelf, los van hoe het in de praktijk wordt gebruikt. Bij die vraag telt het werkelijke gebruik van de naam niet mee. Het Gerecht zegt het met zoveel woorden: het argument dat het teken bekendheid en reputatie geniet bij consumenten, is niet relevant onder artikel 7, lid 1, c) UMVo, want die bepaling gaat enkel over de intrinsieke kenmerken van het teken.
De tweede vraag, of het publiek de naam intussen als herkomstaanduiding is gaan zien, hoort thuis bij de inburgering onder artikel 7, lid 3 UMVo. Precies daarom hield de kamer van beroep dat luik apart. OpenAI verliest dus niet omdat zijn naam te onbekend is, maar omdat het de juiste deur nog niet heeft geopend. De bekendheid die vandaag tegen de aanvraag lijkt te pleiten, wordt in de volgende fase net het argument waarop alles draait.
Waarom het logo wél aanvaard wordt en het woord zelf niet
Hier ligt de scherpste les van de zaak. Terwijl het woord OPENAI struikelt, is het OpenAI-logo met het woord “OpenAI” als beeldmerk wél ingeschreven (Uniemerk 018674416, ingeschreven op 5 juni 2023 voor de klassen 9 en 42). Dat lijkt tegenstrijdig, maar volgt logisch uit dezelfde regel. Een zuiver woordmerk beschermt enkel de woordinhoud, en die inhoud is hier beschrijvend. Een beeldmerk beschermt de concrete grafische vormgeving, en het gestileerde logo voegt een bestanddeel toe dat losstaat van de beschrijvende betekenis. Daardoor bestaat het teken niet langer “uitsluitend” uit een beschrijvende aanduiding, wat de weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, c) UMVo vereist.
De keerzijde is dat die bescherming beperkt is. Ze dekt de vormgeving, niet de tekst als zodanig. Een concurrent die het woord “open AI” beschrijvend gebruikt zonder het logo over te nemen, zit buiten het bereik van dat beeldmerk. Wie zijn merknaam als tekst wil monopoliseren, heeft dus weinig aan een louter figuratieve inschrijving. Interessant is trouwens dat het registeruittreksel voor dit beeldmerk uitdrukkelijk vermeldt dat er geen verkregen onderscheidend vermogen werd ingeroepen. De vormgeving volstond op zich, zonder dat inburgering nodig was.
Een oude discussie over samengestelde woorden, opnieuw beslecht
OpenAI probeerde te redden wat te redden viel met een klassiek argument: OPENAI is geschreven als één woord, zonder spatie, en zou daardoor een verzonnen term (een neologisme) zijn die meer is dan de som van “open” en “AI”. Dat argument steunt op een bekende oudere zaak, Baby-Dry, waarin het Hof van Justitie aanvaardde dat een ongebruikelijke samenstelling wél onderscheidend kon zijn (HvJ 20 september 2001, C-383/99 P, ‘Baby-Dry’).
Het Gerecht wijst dat af, en volgt daarmee de strengere lijn die het Hof sinds de arresten Postkantoor en Biomild aanhoudt (HvJ 12 februari 2004, C-363/99, ‘KPN/BMB’ (‘Postkantoor’); HvJ 12 februari 2004, C-265/00, ‘Campina/BMB’ (‘Biomild’)). Volgens die lijn blijft een combinatie van beschrijvende woorden beschrijvend, tenzij ze door haar ongebruikelijke aard een indruk wekt die ver genoeg afstaat van de loutere optelsom van de delen. “Open AI” voldoet daar volgens het Gerecht niet aan: het bijvoeglijk naamwoord staat vóór het zelfstandig naamwoord, zoals de Engelse grammatica voorschrijft, en er is niets ongewoons aan de samenstelling. Dat er geen spatie of koppelteken staat, verandert daar niets aan. Het weglaten van een spatie tussen twee woorden levert op zich geen creatief element op dat een teken onderscheidend maakt.
Even belangrijk is de bevestiging van een tweede vaste regel: een teken moet al worden geweigerd zodra één van de mogelijke betekenissen een kenmerk van de waren beschrijft (HvJ 23 oktober 2003, C-191/01 P, ‘OHIM/Wrigley’ (‘Doublemint’)). OpenAI wees erop dat “open” talloze betekenissen heeft, maar dat baat niet: het volstaat dat één daarvan, “vrij toegankelijk”, de diensten beschrijft. Het argument dat een woord veelzijdig is, keert zich in het merkenrecht dus tegen de aanvrager in plaats van hem te helpen.
Geen alleenstaand geval maar een lijn tegen OpenAI’s beschrijvende tekens
Dit arrest staat niet op zichzelf. In vier beslissingen van de nietigheidsafdeling van het EUIPO van 17 oktober 2025 (C 64 174 voor GPT, C 64 301 voor GPT-3, C 64 300 voor GPT-4 en C 64 175 voor GPT-5) werden de reeds ingeschreven woordmerken GPT, GPT-3 en GPT-4 volledig nietig verklaard en GPT-5 gedeeltelijk, telkens wegens beschrijvend karakter en gebrek aan onderscheidend vermogen, met de inburgeringsvraag uitgesteld tot die beslissingen definitief zijn. Datzelfde stramien keert terug in de OPENAI-zaak.
Wie beide zaken naast elkaar legt, ziet een consistente houding: het EUIPO weigert OpenAI de monopolisering van termen die de onderliggende technologie beschrijven, of dat nu de functie (GPT als “generative pre-trained transformer”) of de aard (open AI) betreft. De boodschap voor de sector is dat een merk de commerciële herkomst moet aanduiden, niet de techniek. Wie als eerste een technologie op de markt bracht, verwerft daarmee nog geen alleenrecht op de term die de markt gebruikt om die technologie te benoemen.
Wat betekent dit concreet?
De uitspraak is vooral leerrijk voor ondernemingen, en hun adviseurs, die een merk kiezen in technologiegevoelige sectoren.
Wie een naam bouwt uit gangbare, beschrijvende bouwstenen (denk aan “smart”, “cloud”, “cyber”, “AI”, “open”), loopt een reëel risico dat het EUIPO die naam als beschrijvend weigert, ook al voelt de combinatie fris of eigen aan. Het samensmelten van twee woorden zonder spatie is geen betrouwbare truc om aan de weigeringsgrond te ontsnappen. Beter is te kiezen voor een teken dat een echte begripsmatige of grammaticale wending toevoegt, of dat naast de beschrijvende woorden een duidelijk onderscheidend element bevat.
Een tussenoplossing is een beeldmerk, zoals OpenAI met zijn logo aantoont. De grafische vormgeving kan een op zich beschrijvend woord over de streep trekken. Houd daarbij wel voor ogen dat die bescherming beperkt blijft tot de vormgeving en niet de woordinhoud afschermt. Voor wie de tekst zelf wil beschermen, blijft een sterk, niet-beschrijvend woordteken de enige robuuste route.
Een laatste les betreft de bewijsstrategie voor wie tóch een beschrijvend woord wil laten registreren. Bekendheid en reputatie zijn niet nutteloos, maar ze horen op de juiste plaats in het dossier. Zolang de discussie over het intrinsieke karakter van het teken loopt, blijft de bekendheid buiten beschouwing. Ze wordt pas relevant in het inburgeringsspoor, en moet daar met concrete gegevens worden onderbouwd (marktaandeel, gebruiksduur, reclame-inspanningen, herkenningsonderzoek), niet louter als algemene reputatie. Reputatie is juridisch niet hetzelfde als inburgering. De grootste uitdaging voor OpenAI in die fase is territoriaal: voor een Uniemerk moet de inburgering worden aangetoond in het volledige deel van de Unie waar het teken van bij aanvang beschrijvend was, in dit geval het volledige Engelstalige publiek en potentieel ruimer (HvJ 25 juli 2018, C-84/17 P, ‘Nestlé/Mondelez’). Het bewijs hoeft niet per lidstaat afzonderlijk te worden geleverd, maar mag ook niet worden beperkt tot een handvol landen.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Waarom kan een wereldwijd bekende naam als OpenAI geen Uniemerk worden?
Omdat de rechter bij de eerste beoordeling enkel kijkt naar de betekenis van het teken zelf, niet naar hoe bekend het is. Voor het Engelstalige publiek beschrijft OPENAI gewoon “vrij toegankelijke kunstmatige intelligentie”, en beschrijvende termen kan geen enkele onderneming voor zich alleen opeisen. De bekendheid kan pas een rol spelen in een aparte fase, die van de inburgering.
Waarom is het OpenAI-logo wél als merk ingeschreven en het woord niet?
Een beeldmerk beschermt de grafische vormgeving, niet alleen de woordinhoud. Het gestileerde logo voegt een onderscheidend element toe waardoor het teken niet langer uitsluitend beschrijvend is. Die bescherming is wel smaller: ze dekt de vormgeving, niet het woord “open AI” als tekst.
Wat is inburgering van een merk?
Inburgering betekent dat een teken dat oorspronkelijk beschrijvend of niet-onderscheidend was, door intensief gebruik alsnog onderscheidend vermogen heeft verworven, zodat het publiek het intussen als de naam van één bepaalde onderneming herkent. Slaagt die bewijsvoering, dan kan het teken alsnog worden ingeschreven op grond van artikel 7, lid 3 UMVo.
Conclusie
Het Gerecht bevestigt met dit arrest twee stevig verankerde principes: een teken is al beschrijvend zodra één van zijn betekenissen een kenmerk van de waren aanduidt, en het samenvoegen van beschrijvende woorden redt de aanvraag niet. Dat OpenAI zijn logo wél beschermd kreeg en het woord zelf niet, toont hoe fijn de grens tussen beschrijvend en onderscheidend loopt. Voor het woordmerk is dit geen eindstation, maar een verwijzing naar het inburgeringsspoor, waar de bekendheid van de naam plots de hoofdrol krijgt. De echte proef wordt daar de territoriale reikwijdte van het bewijs.



