Kan u een oud festival zomaar nieuw leven inblazen zonder de merknaamhouder te betrekken?

Veel succesvolle evenementen uit het verleden hebben een sterke nostalgische waarde, wat hen commercieel aantrekkelijk maakt. Maar mag u de naam en het concept van een voormalig festival overnemen, simpelweg omdat het al even niet meer is georganiseerd? Een vonnis van de voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel van 12 augustus 2025 toont aan dat meesurfen op de goodwill van een ander – zelfs wanneer de merkregistraties zelf ter discussie staan – een oneerlijke marktpraktijk vormt.

De feiten en de juridische context

De zaak draait om het bekende muziekfestival ‘Marktrock’ in Leuven. De oorspronkelijke vzw Marktrock organiseerde het festival van 1982 tot 2006, waarna de rechten via enkele tussenstappen in 2015 werden overgedragen aan het bedrijf Live Entertainment nv (L.E.). L.E. is tevens houder van diverse Benelux- en Uniemerken voor de naam ‘Marktrock’ en ‘Marktrock Leuven’. De laatste editie van het festival vond plaats in 2017.

In 2024 beslisten de dochters van een van de oorspronkelijke oprichters om de inmiddels ontbonden vzw Marktrock nieuw leven in te blazen en een editie voor augustus 2025 te organiseren. Zij deden dit zonder toestemming van L.E. en profileerden het evenement uitdrukkelijk als een “comeback”, waarbij ze gebruikmaakten van dezelfde locatie, hetzelfde concept (inclusief talentenwedstrijden en tributebands) en visuele knipogen naar het verleden.

L.E. startte een stakingsvordering wegens een inbreuk op haar merkenrecht en oneerlijke marktpraktijken. De vzw Marktrock had ondertussen echter al procedures opgestart bij het Europees Bureau voor de Intellectuele Eigendom (EUIPO) en het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE) om de merken van L.E. vervallen te laten verklaren wegens vermeend gebrek aan normaal gebruik.

De beslissing van de ondernemingsrechtbank

De voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, zetelend zoals in kort geding, nam de volgende beslissingen in deze zaak:

  • Opschorting van de merkenrechtelijke claims: Omdat de geldigheid van de merken al werd aangevochten bij het EUIPO en het BBIE, was de rechtbank wettelijk verplicht om de procedure met betrekking tot de merkinbreuken op te schorten in afwachting van een definitieve beslissing van deze instanties.
  • Veroordeling wegens oneerlijke marktpraktijken: Ondanks de opschorting van het merkenluik, oordeelde de rechter dat de vordering op basis van het Wetboek van Economisch Recht (WER) wél ontvankelijk en gegrond was. Het systematisch aanhaken bij het verleden, het kopiëren van het concept en de locatie, en het gebruik van vergelijkbare domeinnamen creëren verwarring bij de consument en andere ondernemingen. Dit levert een oneerlijke marktpraktijk op.
  • Beperkt stakingsbevel: Opmerkelijk is dat de rechter de editie van augustus 2025 niet verbood. Omdat L.E. al eind 2024 op de hoogte was van de plannen, maar pas in april 2025 dagvaardde, zou een onmiddellijke sluiting zo kort voor het evenement disproportioneel zijn en neerkomen op rechtsmisbruik. Het stakingsbevel, gekoppeld aan een dwangsom van 5.000 euro per dag, geldt dus enkel voor toekomstige edities.

Juridische analyse en duiding

Deze uitspraak illustreert perfect de delicate wisselwerking tussen het merkenrecht (BVIE en UMVo) en de bredere vangnetbepalingen inzake eerlijke marktpraktijken (WER).

Artikel 2.19, lid 1 BVIE stelt dat men via het gemene recht geen merkbescherming kan claimen voor een teken dat niet (of niet meer) als merk is ingeschreven. Dit betekent echter niet dat een partij vogelvrij is. Deze uitspraak, zich steunend op de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken (2005/29/EG) en het Unieverdrag van Parijs, bevestigt dat misleidende en verwarring stichtende handelspraktijken steeds kunnen worden aangevochten, onafhankelijk van een actieve merkregistratie.

De rechtbank benadrukt dat het louter voordeel halen uit andermans eerdere investeringen op zich niet verboden is, tenzij er sprake is van “begeleidende omstandigheden”. In casu bestonden deze omstandigheden uit de doelbewuste transfer van faam en imago, het onrechtmatig afleiden van goodwill en het creëren van verwarring omtrent de commerciële oorsprong (art. VI.97 en VI.105 WER). Dit toont aan dat intellectuele eigendomsgeschillen vaak met succes over de boeg van de oneerlijke mededinging kunnen worden gegooid, zelfs wanneer de merkenrechtelijke positie wankel is.

Wat dit concreet betekent

Deze zaak bevat belangrijke lessen voor diverse spelers in het economisch verkeer:

  • Voor organisatoren en ondernemers: U mag zich laten inspireren door het verleden, maar u mag zich niet profileren als de rechtmatige opvolger van een concept als u de rechten daarop niet bezit. Doelbewust verwarring zaaien om mee te liften op de goodwill van een voorganger is een inbreuk.
  • Voor merkhouders: Stilzitten is uit den boze. Als u weet dat een concurrent inbreuk pleegt op uw rechten, moet u onmiddellijk optreden. Het dralen met een dagvaarding in kort geding kan leiden tot een belangenafweging in uw nadeel, waardoor de rechter – zoals in dit vonnis – weigert een onmiddellijke stopzetting te bevelen wegens rechtsmisbruik.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Kan ik optreden tegen concurrenten die mijn naam gebruiken, zelfs als mijn merkregistratie is vervallen?
Ja. Zelfs zonder geldige merkregistratie verbiedt het Wetboek van Economisch Recht (WER) verwarring stichtende en misleidende handelspraktijken. Als een concurrent op een oneerlijke manier meesurft op uw opgebouwde reputatie, kan u de staking hiervan vorderen.

Waarom legde de rechter het evenement in 2025 niet onmiddellijk stil, ondanks de inbreuk?
De rechter paste een belangenafweging toe. Omdat de eisende partij al maanden op de hoogte was van de inbreukmakende plannen maar erg laat een procedure startte, oordeelde de rechter dat een onmiddellijk verbod zo vlak voor het festival onevenredig zwaar was en neerkwam op rechtsmisbruik.

Moet een merkenrechtelijke procedure voor de rechtbank altijd wachten op een uitspraak van het merkenbureau (EUIPO/BBIE)?
Vaak wel. Als er reeds een procedure tot vervallenverklaring of nietigheid van het merk aanhangig is bij het Europese (EUIPO) of Benelux merkenbureau (BBIE), moet de nationale rechter de inbreukvordering in de regel opschorten om tegenstrijdige beslissingen te vermijden, tenzij er dwingende bijzondere redenen zijn om dit niet te doen.

Conclusie

Het beschermen van uw concepten, merknamen en commerciële goodwill vereist een proactieve en doordachte strategie. Zelfs wanneer uw merkenrechten onder vuur liggen, biedt het arsenaal aan regels rond oneerlijke marktpraktijken in België vaak een krachtige reddingsboei. De timing van uw juridische stappen is echter van cruciaal belang.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics