U gebruikt al jaren een productnaam voor uw diergeneesmiddel, goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten. Plotseling eist een concurrent met een recenter Europees merk dat u stopt met het gebruik van uw naam. Deze situatie leidt tot een cruciale vraag: gaat een Uniemerk altijd voor op een ouder, lokaal recht dat geen merk is? Het antwoord is genuanceerd, maar in een vonnis van 18 september 2025 oordeelde de voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank van Brussel dat een vergunning voor het in de handel brengen (VHB) wel degelijk als een ouder recht kan fungeren dat de werking van een later Uniemerk beperkt.
De feiten: een conflict tussen een merk en een vergunning
De zaak draaide rond twee farmaceutische bedrijven actief in de diergeneeskunde. Eiseres, Huvepharma, is de houder van het Uniemerk “DOXORAL”, gedeponeerd in 2012 en beschermd in de hele Europese Unie voor diergeneeskundige producten.
Verweerster, het Belgische bedrijf EMDOKA, commercialiseert al 25 jaar een diergeneesmiddel onder de naam “DOXYRAL”. Deze naam werd niet als merk geregistreerd, maar is wel de officiële, door het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG) goedgekeurde benaming in het kader van een vergunning voor het in de handel brengen (VHB).
Nadat eerdere pogingen van EMDOKA om “DOXYRAL” als merk te registreren en het merk “DOXORAL” nietig te laten verklaren bij de intellectuele eigendomsautoriteiten (BBIE en EUIPO) faalden, stapte Huvepharma naar de stakingsrechter. Zij eiste een onmiddellijk verbod op het gebruik van de naam DOXYRAL in de hele EU, wegens inbreuk op haar merkrechten. EMDOKA verweerde zich en stelde op haar beurt een tegenvordering in om het merk DOXORAL alsnog nietig te laten verklaren.
De beslissing van de ondernemingsrechtbank
De voorzitter van de ondernemingsrechtbank, zitting houdend zoals in kort geding, velde een oordeel in twee delen: over de tegenvordering tot nietigverklaring en over de hoofdvordering tot staking.
De tegenvordering: het merk DOXORAL blijft geldig
De voorzitter verwierp de vraag van EMDOKA om het merk DOXORAL nietig te verklaren. De voorzitter oordeelde dat het merk, ondanks de mogelijke verwijzing van “DOX” naar het actieve bestanddeel doxycycline en “ORAL” naar de toedieningswijze, in zijn geheel een fantasienaam vormt. Het vereist een mentale inspanning van het publiek om de naam als louter beschrijvend te zien, waardoor het voldoende onderscheidend vermogen bezit om als merk te kunnen fungeren.
Interessant is dat de voorzitter ook de argumenten van Huvepharma verwierp dat deze tegenvordering verjaard was of dat EMDOKA haar recht had verwerkt door eerdere beslissingen te aanvaarden. De voorzitter bevestigde dat een vordering tot nietigverklaring op absolute gronden (zoals een gebrek aan onderscheidend vermogen) het algemeen belang dient en daarom onverjaarbaar is.
De hoofdvordering: geen stakingsbevel tegen DOXYRAL
De kern van de zaak lag bij de stakingsvordering van Huvepharma. De voorzitter wees deze vordering af en oordeelde dat EMDOKA de naam DOXYRAL in België mag blijven gebruiken.
De redenering van de voorzitter is als volgt:
- Een VHB creëert een recht: Een vergunning voor het in de handel brengen is niet louter een verzameling verplichtingen. Het verleent de houder een “publiekrechtelijk gestructureerde rechtstoestand”: het recht om een product onder de goedgekeurde naam op de markt te brengen.
- Een ouder recht van lokale betekenis: Dit recht om de naam DOXYRAL te gebruiken bestond al lang vóór het Uniemerk DOXORAL werd gedeponeerd. Daarom kwalificeert het als een “eerder, door het recht erkende positie met lokale draagwijde” in de zin van artikel 138 van de Uniemerkenverordening (UMVo).
- Merkenrecht doorkruist geen geneesmiddelenrecht: De voorzitter benadrukte dat het Uniemerkenrecht niet bedoeld is om de werking van de dwingende geneesmiddelenwetgeving te ondermijnen. De naamstabiliteit van geneesmiddelen is cruciaal voor de volksgezondheid, traceerbaarheid en veiligheid.
De voorzitter concludeerde dat de merkhouder zijn verbodsrecht niet kan inroepen tegen een partij die handelt op basis van een ouder, nationaal erkend en regulatoir verplicht recht. Het Uniemerk en de vergunde productnaam moeten naast elkaar bestaan (co-existentie).
Juridische analyse en duiding
Dit vonnis is een belangrijk signaal voor gereguleerde sectoren. Het illustreert dat het Uniemerkenrecht, ondanks zijn uniforme karakter, geen absoluut monopolie verleent dat alle oudere rechten van tafel veegt. De uitspraak bevestigt dat het concept “ouder recht” in de zin van artikel 138 UMVo ruimer is dan enkel klassieke intellectuele eigendomsrechten zoals een handelsnaam of auteursrecht. Een publiekrechtelijke vergunning die een naamgebruik verplicht stelt, kan eveneens als schild fungeren tegen een later merk.
De rechtbank maakt een helder onderscheid tussen de defensieve functie van een ouder recht (zich verweren tegen een stakingsvordering) en een offensieve functie (een later merk nietig laten verklaren). EMDOKA slaagde in het eerste, maar niet in het tweede. Dit toont aan dat de drempel om co-existentie af te dwingen lager ligt dan de drempel om een geregistreerd merk volledig uit het register te laten schrappen.
Daarnaast is de bevestiging van de onverjaarbaarheid van de nietigheidsvordering op absolute gronden een principiële stellingname. Het algemeen belang dat beschrijvende tekens beschikbaar moeten blijven voor iedereen, primeert op de rechtszekerheid van de individuele merkhouder.
Wat dit concreet betekent
- Voor de houder van een vergunde productnaam: Dit vonnis is een geruststelling. Een vergunning voor het in de handel brengen (VHB) is een sterk verweermiddel tegen een nieuwer merk. U bent niet rechteloos enkel omdat u de naam niet als merk heeft gedeponeerd. Het is echter nog steeds aan te raden om een merkregistratie te overwegen voor een sterkere, positieve bescherming.
- Voor de houder van een Uniemerk: Een freedom-to-operate-analyse moet verder gaan dan enkel de merkenregisters. Zeker in gereguleerde sectoren zoals de farmaceutische industrie is het cruciaal om ook productdatabases en vergunningenregisters te controleren. Een merk dat “beschikbaar” lijkt, kan in de praktijk toch op de grenzen van oudere, lokaal vergunde productnamen stuiten.
- Voor de farmaceutische sector: De uitspraak bekrachtigt de stabiliteit en het juridisch gewicht van het VHB-systeem. Investeringen in een productnaam die door de overheid is goedgekeurd, worden hierdoor beter beschermd tegen latere aanspraken uit het merkenrecht, wat de rechtszekerheid ten goede komt.
FAQ (Veelgestelde vragen)
Moet ik mijn door het FAGG goedgekeurde productnaam altijd als merk registreren?
Hoewel dit vonnis aantoont dat een VHB een defensief schild kan zijn, is een merkregistratie sterk aanbevolen. Enkel een merkregistratie geeft u het exclusieve recht om anderen te verbieden een gelijkaardige naam te gebruiken. Zonder merkregistratie kunt u zich enkel verdedigen.
Wat is een “ouder recht van lokale betekenis” precies?
Dit is een recht dat in een specifiek deel van de EU (bv. België) al bestond voordat een Uniemerk werd aangevraagd. Dit kan een handelsnaam zijn, maar zoals deze zaak toont, ook een recht dat voortvloeit uit een specifieke wettelijke regeling, zoals een vergunning om een product onder een bepaalde naam te verkopen.
Geldt deze uitspraak ook voor andere gereguleerde producten, zoals biociden of voedingssupplementen?
Het principe van de uitspraak kan potentieel worden doorgetrokken naar andere sectoren waar een productnaam onderdeel is van een dwingende, door de overheid verleende vergunning. De concrete toepassing zal echter steeds afhangen van de specifieke regelgeving in die sector.
Conclusie
Dit vonnis van de Brusselse ondernemingsrechtbank brengt een cruciale balans aan tussen het Uniemerkenrecht en nationale, regulatoire verplichtingen. Een ouder, lokaal en door de overheid vergund recht kan in België de werking van een later Uniemerk beperken, waardoor co-existentie noodzakelijk wordt. Het toont aan dat een merkrecht, hoe sterk ook, niet in een vacuüm bestaat en rekening moet houden met de realiteit van gereguleerde markten.



