De correctionele rechter is bevoegd om doxing te berechten — dat stelde het Hof van Cassatie in een arrest van 4 juni 2025. Maar bevoegdheid is niet hetzelfde als veroordeling. In een arrest van 11 maart 2026 sprak het hof van beroep te Luik de beklaagde in dezelfde zaak vrij van alle telasteleggingen. Dit arrest brengt een belangrijke nuance aan: ook wanneer iemand persoonsgegevens online verspreidt en daarna een lawine aan haatreacties volgt, is niet automatisch voldaan aan de wettelijke vereisten voor belaging.
De feiten
De zaak gaat terug tot 24 februari 2016. Op die dag publiceert de oprichter van de satirische website Nordpresse een bericht als reactie op een artikel in een dagblad van de Sudpresse-groep. Het bericht bevat de foto van de journaliste die het artikel had ondertekend, haar naam en de gemeente waar zij woonde. De begeleidende tekst stempelt het artikel af als een “vod” en wenst haar omgeving “veel moed”.
De journaliste ontvangt in de dagen die volgen een stroom van haatberichten en bedreigingen via sociale media, afkomstig van derden. Ze legt klacht neer voor belaging en stelt zich burgerlijke partij.
Na een lange procedureslag — waarbij de correctionele rechter aanvankelijk onbevoegd werd verklaard, gevolgd door een arrest in regeling van bevoegdheid van het Hof van Cassatie op 4 juni 2025 dat de correctionele bevoegdheid bevestigde — sprak het hof van beroep te Luik zich op 11 maart 2026 ten gronde uit over de zaak.
De beslissing
Het hof van beroep te Luik spreekt de beklaagde vrij van beide telasteleggingen.
Telastelegging A — onrechtmatig gebruik van een legaal opgenomen telecommunicatie (art. 314bis §2, al. 2 Sw.)
De beklaagde had een telefoongesprek met een redacteur van Sudpresse legaal opgenomen en vervolgens online gepubliceerd. Voor strafbaarheid onder artikel 314bis §2 van het Strafwetboek is vereist dat het gebruik van de opname gebeurde met een frauduleus opzet (het oogmerk zich of anderen een onrechtmatig voordeel te verschaffen) of een bedrieglijk inzicht (de wil om schade toe te brengen aan anderen).
Het hof stelt vast dat geen van beide intenties bewezen is. De publicatie kadert in een journalistieke kritische aanpak: de beklaagde wilde aantonen dat Sudpresse zijn publicatie trachtte te intimideren. De enkele wetenschap dat de publicatie bij sommige lezers inadequate reacties kon uitlokken, volstaat niet als bewijs van het vereiste bijzonder opzet.
Telastelegging B — belaging (art. 442bis, al. 1 Sw.)
Artikel 442bis van het Strafwetboek straft eenieder die ernstig afbreuk doet aan de persoonlijke levenssfeer van een persoon door hem op hinderlijke wijze lastig te vallen, terwijl hij wist of had moeten weten dat hij de rust van die persoon hierdoor ernstig zou verstoren.
Het hof stelt vast dat de beklaagde enkel de gemeente — niet het volledige adres — van de journaliste had gepubliceerd, en dat die informatie via openbare bronnen zoals haar LinkedIn-profiel reeds toegankelijk was. De enkele publicatie van 24 februari 2016 is in haar context — een satirische website gericht op kritiek op journalistieke praktijken van Sudpresse — niet van aard om op zich objectief als ernstig verstorend voor de persoonlijke levenssfeer te worden gekwalificeerd.
Cruciaal is verder dat de overlast die de journaliste ondervond afkomstig was van autonome derden, en niet van herhaalde of voortdurende gedragingen van de beklaagde zelf. Belaging vereist immers “aanhoudende of herhaalde gedragingen”, of minstens één gedraging waarvan de aard incessante of recurrente gevolgen meebrengt die aan de beklaagde toerekenbaar zijn (Cass. 29 oktober 2013). Aan dat vereiste was in casu niet voldaan.
Juridische analyse en duiding
Het Hof van Cassatie had op 4 juni 2025 uitsluitend uitspraak gedaan over de bevoegdheidsvraag — met name of de feiten als drukpersmisdrijf dan wel als gemeenrechtelijke belaging moesten worden gekwalificeerd. Die vraag beantwoordde het Hof in het voordeel van de correctionele bevoegdheid. Over de gegrondheid van de telasteleggingen heeft het Hof van Cassatie zich niet uitgesproken. Het hof van beroep te Luik moest als verwijzingsrechter vervolgens de feiten ten gronde beoordelen — en komt tot een vrijspraak.
De toets onder artikel 442bis Sw.
De vrijspraak wegens belaging werpt licht op de materiële bestanddelen van artikel 442bis Sw. en de manier waarop die in de context van online publicaties worden toegepast.
Het hof hanteert een objectieve toets: de gedraging moet, los van de subjectieve beleving van het slachtoffer, objectief van aard zijn om de persoonlijke levenssfeer ernstig te verstoren. Het enkele feit dat de journaliste na de publicatie haatreacties ontving, volstaat niet. De rechter moet nagaan of die gevolgen toerekenbaar zijn aan de gedraging van de beklaagde zelf, dan wel aan het autonoom handelen van derden.
Dit is bijzonder relevant voor de kwalificatie van zogenaamd brigading of pile-on-fenomenen: wanneer een initiële publicatie een massa-reactie van derden uitlokt, is de vraag niet of de schade reëel was — die was het onmiskenbaar — maar of de initiële publicatie in haar eigen kenmerken (herhaling, aard, omvang van de verspreide gegevens) de bestanddelen van belaging vervult.
Het publiek karakter van de gegevens
Het hof hecht belang aan het gegeven dat de verspreide gegevens — de gemeente en de foto — deels al publiek toegankelijk waren. Dit is een belangrijk feitelijk element bij de beoordeling van de ernst van de aantasting van de persoonlijke levenssfeer. Het hergebruiken van reeds publiek toegankelijke informatie, ook al is dat met een onvriendelijke bedoeling, draagt niet noodzakelijk het gewicht van een ernstige privacyschending in strafrechtelijke zin.
Dit neemt niet weg dat dergelijk gedrag in andere contexten — waarbij niet-openbare gegevens worden verspreid, of waarbij de beklaagde zelf herhaaldelijk optreedt — wél degelijk strafbaar kan zijn.
Wat dit concreet betekent
Voor slachtoffers van online haatcampagnes
Een vrijspraak in deze zaak betekent niet dat doxing of online belaging juridisch ongrijpbaar zijn. Wel leert dit arrest dat een sterke strafzaak wegens belaging vereist dat:
- de beklaagde zelf herhaaldelijk of voortdurend heeft opgetreden, of een gedraging heeft gesteld waarvan de aard op zichzelf incessante gevolgen meebrengt;
- de verspreide gegevens niet reeds publiek toegankelijk waren;
- de overlast aantoonbaar direct voortvloeit uit het gedrag van de beklaagde, en niet louter uit autonome reacties van derden.
Wie slachtoffer is van een gecoördineerde online aanval, doet er goed aan een gedetailleerd dossier op te bouwen van alle individuele gedragingen, met tijdsaanduiding en bewaring van schermafbeeldingen, zodat het herhalend of aanhoudend karakter van de feiten aantoonbaar is.
Voor de beklaagde partij
Het arrest toont aan dat de loutere verspreiding van deels openbare persoonsgegevens, in een satirische of journalistiek-kritische context, op zichzelf niet volstaat voor een veroordeling wegens belaging. De intentie en de objectieve impact van de gedraging blijven doorslaggevend.
Voor journalisten en media
De uitspraak bevestigt dat journalistieke kritiek — ook scherpe kritiek — een ruime bescherming geniet. Wie een artikel bekritiseert, ook krachtig, pleegt in beginsel geen strafbaar feit. De grens ligt daar waar persoonsgegevens worden ingezet als instrument om intimidatie door derden uit te lokken, en waar die inzet zelf de materiële bestanddelen van een strafbaar feit vervult.
Veelgestelde vragen
Kan ik aangifte doen voor belaging als ik online haatreacties ontvang naar aanleiding van een publicatie over mij?
Ja, aangifte doen is altijd mogelijk. Of een vervolging kans van slagen heeft, hangt af van de feiten: de rechter zal nagaan of de initiële gedraging van de beklaagde zelf de bestanddelen van belaging vervult, dan wel of de schade uitsluitend het gevolg is van het autonoom optreden van derden. Een gedetailleerd bewijsdossier is daarbij onontbeerlijk.
Maakt het een verschil of de verspreide gegevens al ergens openbaar stonden?
Ja, het hof van beroep te Luik heeft dit als relevant beschouwd bij de beoordeling van de ernst van de aantasting van de persoonlijke levenssfeer. Volledig private gegevens die worden uitgelekt, wegen zwaarder dan informatie die al via openbare bronnen raadpleegbaar was.
Is er naast het strafrecht ook een civielrechtelijke weg?
Zeker. Wie schade lijdt door de verspreiding van persoonsgegevens of een online haatcampagne, kan ook een burgerlijke vordering instellen op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid, dan wel een klacht indienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit wegens schending van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDPR). Die wegen staan open ongeacht de uitkomst van een strafrechtelijke procedure.
Conclusie
Het arrest van het hof van beroep te Luik van 11 maart 2026 levert een belangrijke toevoeging aan het Cassatiearrest van 4 juni 2025: de correctionele rechter is bevoegd om doxing en belaging te beoordelen, maar een veroordeling veronderstelt dat alle wettelijke bestanddelen bewezen zijn. De loutere verspreiding van deels openbare persoonsgegevens, gevolgd door reacties van autonome derden, volstaat daartoe niet. Wie effectief in België bescherming zoekt tegen online intimidatie, heeft nood aan een juridisch onderbouwd dossier dat de eigen gedragingen van de dader in het vizier stelt.



