Wie een politieagent in een spottende video op sociale media zet en daar beledigende commentaren onder schrijft, pleegt mogelijk een misdrijf. Maar voor welke rechter komt die persoon terecht? Het hof van beroep te Bergen oordeelde op 12 juni 2026 dat een dergelijke publicatie, gekwalificeerd als belaging, een drukpersmisdrijf vormt waarvoor uitsluitend het hof van assisen bevoegd is. In tegenstelling tot de eerste rechter, die de beklaagde nog had veroordeeld, verklaarde het hof zich onbevoegd en vernietigde het het vonnis. Het is een opmerkelijke uitkomst, die de toepassing van een negentiende-eeuwse grondwetsbepaling op moderne sociale media scherp blootlegt.
De feiten
In november 2023 belde een burger de politie van een Henegouwse zone met de melding dat aan de gevel van een woning een vlag van Hamas hing. Ter plaatse stelden de agenten enkel een Palestijnse vlag vast en een paneel met de woorden “Palestine libre”. Van enige verheerlijking van Hamas was geen sprake. Een inspecteur liet via de parlofoon van het gebouw een boodschap achter waarin hij vroeg de vlag te verwijderen om verstoring van de openbare orde te vermijden.
Eind januari 2024 plaatste de eigenaar van het gebouw, vader van de bewoner, die parlofoonboodschap op zijn TikTok-account. De video werd omkaderd met een “Free Palestine”-logo en een lachende emoji met een zweetdruppel. De man voegde er geschreven commentaren aan toe waarin hij de inspecteur “stupide” noemde en de spot dreef met diens gestotter. De publicatie kende een ruime verspreiding: begin februari 2024 telde ze 555 hartjes, 204 reacties en 134 keer delen, en was ze ruim 43.000 keer bekeken.
De inspecteur diende klacht in. De zaak werd eerst vervolgd als smaad op grond van art. 276 Strafwetboek, maar door de rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen, geherkwalificeerd als belaging op grond van art. 442bis Strafwetboek. In eerste aanleg volgde een veroordeling tot een geldboete en tot schadevergoeding aan de inspecteur. Zowel de beklaagde als het openbaar ministerie tekenden hoger beroep aan.
De beslissing
Het hof van beroep boog zich over een voorafgaande bevoegdheidsvraag: vormen de feiten een drukpersmisdrijf, dat krachtens art. 150 Grondwet tot de exclusieve bevoegdheid van het hof van assisen behoort?
Het hof toetste de vier cumulatieve voorwaarden van het drukpersmisdrijf. Ten eerste een gemeenrechtelijk misdrijf: de belaging via de video en de beledigende commentaren komt daarvoor in aanmerking. Ten tweede de uiting van een potentieel strafbare mening of opinie. Het hof oordeelde dat de beklaagde met zijn publicatie het optreden van de politiediensten wou aanklagen en daarmee deelnam aan een debat van algemeen belang over de werking van de politie. Dat de mening summier of weinig genuanceerd was, doet daaraan niet af: art. 150 Grondwet stelt de bevoegdheid van de jury niet afhankelijk van de maatschappelijke relevantie of de mate van uitwerking van de uiting.
Ten derde de vereiste van een geschrift of een gelijkaardig procedé. Het hof steunde hier op de gevestigde cassatierechtspraak sinds het arrest van 6 maart 2012, waarin het Hof oordeelde dat digitale verspreiding een procedé is dat gelijkstaat met de drukpers. Geschreven uitingen op sociale media worden daarmee gelijkgesteld met de gedrukte tekst. Het hof erkende dat zuiver mondelinge of audiovisuele uitingen geen drukpersmisdrijf opleveren, maar oordeelde dat de litigieuze publicatie in haar geheel moest worden beschouwd. Die publicatie bestond niet enkel uit de video, maar onlosmakelijk ook uit de geschreven elementen: de vermelding “free Palestine”, de emoji en vooral de geschreven commentaren die de beklaagde gaandeweg onder de post toevoegde.
Ten vierde de openbaarmaking. Door de publicatie op een vrij toegankelijk TikTok-account had de beklaagde zijn uiting onmiskenbaar openbaar gemaakt, wat ook bleek uit het aantal weergaven en reacties.
Aangezien de feiten een onlosmakelijk geheel van geschreven en audiovisuele communicatie vormden, oordeelde het hof dat zij niet konden worden gesplitst. Het steunde voor de gevolgtrekking op het cassatiearrest van 26 maart 2025: de connexiteit tussen misdrijven van verschillende aard maakt het hoogste gerecht bevoegd voor het geheel. In dit geval is dat het hof van assisen. Het hof van beroep verklaarde zich vervolgens zonder rechtsmacht, zowel op strafrechtelijk als op burgerlijk vlak.
Juridische analyse en duiding
Een correcte connexiteitsregel, toegepast na een betwistbare kwalificatie
De connexiteitsredenering zelf is juridisch onberispelijk. In zijn arrest van 26 maart 2025 bevestigde het Hof van Cassatie dat de connexiteit tussen twee misdrijven van verschillende aard tot gevolg heeft dat het hoogste gerecht bevoegd wordt voor het geheel, en dat de bevoegdheid van openbare orde is zodat partijen er niet van kunnen afwijken. Dat arrest betrof overigens een heel andere materie, namelijk administratieve geldboeten inzake jacht en afvalstoffen, met een betwisting over de verdeling tussen politierechtbank en correctionele rechtbank. Het hof van beroep past het beginsel correct toe.
De kwestie zit niet in die laatste stap, maar in de voorafgaande kwalificatiebeslissing: de geschreven belaging op TikTok wordt als drukpersmisdrijf bestempeld. Net daar wringt het arrest met de recente cassatielijn. In de doxingzaak waarover wij eerder berichtten in Is doxing een drukpersmisdrijf?, oordeelde het Hof van Cassatie in 4 juni 2025 dat een online publicatie moet worden opgesplitst. Loutere gegevens uiten geen mening en kunnen geen drukpersmisdrijf vormen. En zelfs negatief geladen tekst die op zich een opinie uitdrukt, overschrijdt in een context van belaging de grens niet als drukpersmisdrijf, maar fungeert als instrument van belaging. Daaruit volgt dat de gewone correctionele rechtbank bevoegd blijft.
Toegepast op deze zaak had die benadering tot een andere uitkomst kunnen leiden. De spottende commentaren over de inspecteur waren minstens evenzeer een middel om die persoon in zijn rust te storen als een bijdrage aan een opiniedebat. Het hof van beroep koos er echter voor de opiniërende dimensie te laten primeren en het geheel naar assisen te verwijzen.
De terugkerende moeilijkheid: tekst, beeld en het hybride karakter van sociale media
Sinds het cassatiearrest van 6 maart 2012 staat vast dat geschreven uitingen op het internet een drukpersmisdrijf kunnen vormen. Even vast staat sinds het arrest van 29 oktober 2013 dat zuiver mondelinge of audiovisuele uitingen dat niet kunnen, omdat het dan niet om geschreven teksten gaat. Een publicatie die video en geschreven tekst combineert, valt precies tussen beide categorieën.
Die spanning is geen randverschijnsel. Ze ligt aan de basis van een verdeeldheid in de feitenrechtspraak. De correctionele rechtbank te Gent oordeelde op 3 november 2025, in de zaak die wij bespraken in Is laster via een YouTube-video een drukpersmisdrijf?, dat het onderscheid tussen tekst en beeld arbitrair zou zijn en dat ook een audiovisuele uiting een drukpersmisdrijf kan vormen. Daarmee week die rechtbank uitdrukkelijk af van de cassatierechtspraak. Het hof van beroep te Bergen sluit feitelijk bij die ruime strekking aan, zij het langs de omweg van de geschreven commentaren en de connexiteit. Het resultaat is identiek: een online uiting met een audiovisuele kern belandt bij het hof van assisen.
Een grondwetsbepaling uit 1831 en het risico op feitelijke straffeloosheid
Art. 150 Grondwet werd geschreven om de pers te beschermen tegen al te lichtvaardige correctionele vervolging, met de assisenjury als waarborg. Door de zwaarte en kostprijs van de assisenprocedure worden drukpersmisdrijven in de praktijk echter vrijwel nooit voor assisen gebracht. Wie online pesterijen onder die noemer brengt, verschuift de zaak dus naar een procedure die zelden wordt gevoerd, met feitelijke straffeloosheid als waarschijnlijk gevolg. Dat een bepaling bedoeld als schild voor de persvrijheid zo functioneert als ontsnappingsroute voor cyberbelaging, voedt het debat over een herziening van art. 150 Grondwet, dat al langer wordt gevoerd.
Wat betekent dit concreet?
Voor wie online kritiek uit op overheidsoptreden. Wie een politie-interventie of ander overheidsoptreden aan de kaak stelt op sociale media, geniet in beginsel de procedurele bescherming van de drukpersregeling, ook bij summiere of weinig genuanceerde uitlatingen. De keerzijde is dat de kwalificatie sterk afhangt van de concrete vorm van de publicatie en van de vraag of de uiting overwegend opiniërend dan wel belagend van aard is. Wie zich op een debat van algemeen belang beroept, doet er goed aan dat ook inhoudelijk te kunnen staven.
Voor slachtoffers van online belaging en cyberpesten. Wordt de gedraging als drukpersmisdrijf gekwalificeerd, dan verschuift de zaak naar het hof van assisen, met een reëel risico op feitelijke straffeloosheid. Het loont dus om bij de kwalificatie het belagende karakter van de gedraging te benadrukken en te wijzen op de cassatielijn die cyberbelaging correctioneel houdt. Op het niveau van de grond van de zaak is bovendien voorzichtigheid geboden: zoals wij toelichtten in Doxing en belaging: wanneer leidt de verspreiding van persoonsgegevens online effectief tot een veroordeling?, vereist een sterke strafzaak wegens belaging dat de beklaagde zelf herhaaldelijk of voortdurend heeft gehandeld, dat de overlast rechtstreeks uit zijn gedrag volgt en niet louter uit autonome reacties van derden. Het is raadzaam een gedetailleerd dossier op te bouwen met tijdstippen en bewaarde schermafdrukken.
Voor procespartijen in lopende strafzaken. De bevoegdheidsvraag is van openbare orde en kan in elke stand van het geding worden opgeworpen, ook voor het eerst in hoger beroep. Een verkeerd ingeschatte kwalificatie kan een volledig vonnis tenietdoen, met verlies van tijd en proceskosten tot gevolg. Een grondige analyse van de drukpersvoorwaarden bij de aanvang van het dossier is dan ook geen overbodige luxe.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Is een beledigend bericht op sociale media altijd een drukpersmisdrijf?
Neen. Een geschreven, opiniërende uiting op sociale media kan een drukpersmisdrijf vormen, maar enkel als alle voorwaarden vervuld zijn: een gemeenrechtelijk misdrijf, de uiting van een mening, een geschrift of gelijkaardig procedé, en openbaarmaking. Zuiver mondelinge of audiovisuele uitingen vallen er volgens de cassatierechtspraak buiten, en bij online belaging neemt het Hof van Cassatie aan dat de correctionele rechtbank bevoegd blijft.
Waarom is het hof van assisen bevoegd voor een drukpersmisdrijf?
Art. 150 Grondwet wijst drukpersmisdrijven toe aan het hof van assisen, met als enige uitzondering de drukpersmisdrijven ingegeven door racisme of xenofobie. Die regeling dateert uit 1831 en wou de persvrijheid beschermen tegen al te lichtvaardige vervolging. Door de zwaarte en kostprijs van de assisenprocedure worden drukpersmisdrijven in de praktijk echter zelden vervolgd.
Wat gebeurt er nadat een rechtbank zich onbevoegd verklaart?
De zaak gaat dan in beginsel naar het hof van assisen, het enige gerecht dat over een drukpersmisdrijf kan oordelen. Omdat een assisenprocedure traag en duur is, leidt dit er in de praktijk vaak toe dat de feiten niet verder strafrechtelijk worden vervolgd.
Conclusie
Met dit arrest verklaart het hof van beroep te Bergen zich onbevoegd om te oordelen over een spottende TikTok-video met beledigende commentaren over een politieagent, omdat het geheel als een drukpersmisdrijf wordt gekwalificeerd dat tot de bevoegdheid van het hof van assisen behoort. De connexiteitsredenering is juridisch correct, maar de voorafgaande kwalificatie van geschreven cyberbelaging als drukpersmisdrijf staat op gespannen voet met de recente cassatielijn die online belaging bij de correctionele rechtbank houdt. Het arrest illustreert de aanhoudende verdeeldheid in de rechtspraak over de toepassing van art. 150 Grondwet op sociale media, en het risico op feitelijke straffeloosheid van online uitingen.



