Het nabootsen van andermans ontwerpen is in principe toegelaten, tenzij men inbreuk maakt op intellectuele eigendomsrechten zoals het auteursrecht of zich schuldig maakt aan oneerlijke marktpraktijken. In een arrest van het hof van beroep te Gent van 8 december 2025 in de zaak tussen schoenenmerken Morobé en Studio 10, werd dit principe scherp gesteld. Het hof oordeelde dat enkel zeer specifieke, originele elementen (zoals een kenmerkend vlechtwerk) auteursrechtelijke bescherming genieten, en dat het overnemen van een algemene modetrend of “look & feel” geen inbreuk uitmaakt zolang de totaalindruk voldoende verschilt.
De feiten
De zaak draait rond het bekende Belgische schoenenlabel MOROBÉ, dat in 2017 een platte sandaal (“Robien”) op de markt bracht. Het opvallendste kenmerk van dit ontwerp was een specifiek gepolsterd (gewatteerd) vlechtwerk op de wreef.

MOROBÉ verwerkte dit vlechtwerk nadien als een soort ‘signatuur’ in diverse andere modellen, zoals de Gaelle, Marianne, Rita, Ruth en Romy. Daarnaast bracht het merk ook een model genaamd “Mimi” uit, zonder dit vlechtwerk.
Toen het eveneens Belgische modebedrijf STUDIO 10 onder haar label March23 een reeks schoenen (Blair, Jacky, Cara, Ava, Cece en Amane) op de markt bracht, stuurde MOROBÉ een ingebrekestelling wegens inbreuk op haar auteursrechten en het stellen van oneerlijke marktpraktijken. STUDIO 10 nam daarop zelf het initiatief en dagvaardde MOROBÉ om via de rechtbank een verklaring van niet-inbreuk te bekomen.
(zie onder de Gaelle links en Blair rechts)
In eerste aanleg oordeelde de ondernemingsrechtbank van Gent op 15 februari 2024 reeds dat enkel het specifieke vlechtwerk van MOROBÉ auteursrechtelijk beschermd was, en niet de volledige vormgeving van de schoenen. Aangezien het vlechtwerk van STUDIO 10 visueel voldoende afweek, was er volgens de eerste rechter geen sprake van namaak of oneerlijke marktpraktijken. MOROBÉ tekende hiertegen hoger beroep aan, waarop STUDIO 10 een incidenteel beroep instelde om de bescherming van het vlechtwerk zélf aan te vechten.
De beslissing van het hof van beroep
Het hof van beroep te Gent heeft in zijn arrest de krijtlijnen rond de bescherming van modeartikelen en gebruiksvoorwerpen grondig geanalyseerd. Het hof kwam tot de volgende conclusies:
Bescherming van het vlechtwerk en de bewijslast bij anterioriteiten
STUDIO 10 probeerde in beroep aan te tonen dat het vlechtwerk van MOROBÉ überhaupt geen auteursrecht verdiende, door te wijzen op ‘anterioriteiten’ (eerdere ontwerpen uit het vormgevingserfgoed), zoals sandalen van Dr. Scholl en Bare Traps uit de jaren ’70. Het hof verwierp dit verweer echter. Om originaliteit aan te vechten, moet de tegenpartij bewijzen dat een ouder ontwerp exact dezelfde combinatie en schikking van elementen bevat én dat de ontwerper daar redelijkerwijs kennis van kon hebben . Omdat STUDIO 10 ongedateerde en onduidelijke documenten voorlegde, bleef de originaliteit van het vlechtwerk van MOROBÉ overeind.
Geen auteursrecht op een combinatie van banale elementen
MOROBÉ betoogde dat de combinatie van op zich courante elementen (zoals een open sandaal, een hoge hak, een rechthoekige tip en een enkelriempje) de schoenen origineel maakte. Het hof oordeelde strikt: het louter opsommen van uiterlijke kenmerken volstaat niet. Men moet aantonen waarom net die specifieke schikking een vrije en creatieve keuze is die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt. Omdat MOROBÉ dit niet kon bewijzen, kregen de schoenmodellen in hun geheel (inclusief het model “Mimi”) geen auteursrechtelijke bescherming.
Geen inbreuk wegens een andere totaalindruk
Omdat enkel het vlechtwerk beschermd was, moest het hof enkel die specifieke elementen vergelijken. Het hof stelde vast dat het vlechtwerk van STUDIO 10 wezenlijk verschilde: het bestond uit fijnere riemen met knopen, had een meer open structuur, de centrale vorm was compacter (vierkant in plaats van ovaal uitgestrekt) en de riemen liepen op een andere manier over de voet. Er was dus geen sprake van een auteursrechtelijke reproductie.
Geen oneerlijke marktpraktijken bij gebrek aan verwarring
Wanneer er geen inbreuk is op een intellectueel recht, staat het ondernemingen vrij om zich door elkaar te laten inspireren, zelfs door nabootsing. Van oneerlijke marktpraktijken (artikel VI.104 van het Wetboek van Economisch Recht) is pas sprake als de nabootsing gepaard gaat met ‘begeleidende omstandigheden’, zoals het creëren van verwarringsgevaar of het onrechtmatig aanhaken bij de reputatie van een concurrent. Het hof oordeelde dat de “look & feel” van beide schoenencollecties volstrekt anders was (robuust vs. lichter en transparanter), waardoor elke verwarring bij het publiek was uitgesloten.
Juridische analyse en duiding
Dit arrest is een schoolvoorbeeld van de delicate balansoefening die rechters moeten maken tussen de bescherming van creatieve arbeid enerzijds en de vrijheid van mededinging anderzijds.
Het hof van beroep sluit zich in zijn redenering naadloos aan bij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (cf. de arresten Infopaq, Cofemel en Brompton Bicycle). Het hof benadrukt volmondig dat het auteursrecht geen ‘nieuwheidsvereiste’ kent (zoals in het octrooirecht of modellenrecht), maar louter vereist dat het werk een intellectuele schepping is die de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelt door middel van vrije en creatieve keuzes. De zogenaamde techniekexceptie (vormen die louter technisch bepaald zijn) en de afbakening tegenover louter modetrends spelen hierbij een belangrijke rol.
Wat bijzonder interessant is voor de rechtspraktijk, is de strenge toepassing van de stelplicht en de bewijslast. Degene die auteursrecht claimt, mag zijn objectieve uitdrukkingsvorm niet subjectief blijven aanpassen aan de van namaak verdachte producten van de tegenpartij. Tegelijkertijd legt het hof de lat voor de verwerende partij inzake anterioriteiten (voorbekendheden) zeer hoog: het volstaat niet om een vage foto uit de jaren ’70 voor te leggen. Men moet exact dateren, een identieke schikking aantonen én bewijzen dat de eiser hiervan redelijkerwijs kennis had.
Een parallel met de zaak Louboutin
Deze strenge beoordeling van de originaliteitsvereiste in de modesector staat niet op zich. Zoals we eerder analyseerden in onze blog over de zaak Christian Louboutin tegen Steve Madden, trok het hof van beroep te Luik een sterk vergelijkbare conclusie. Ook daar oordeelde de rechter dat het louter combineren van algemeen bekende modetrends (zoals transparante materialen en spikes) of functionele elementen (zoals hoge hakken voor stabiliteit) onvoldoende is om een auteursrechtelijk monopolie te claimen op de algemene vorm van een schoen. Beide arresten bevestigen op Belgisch niveau de hoge drempel: zonder een duidelijke, unieke signatuur (zoals het specifieke vlechtwerk bij Morobé, of de rode zool als merk bij Louboutin) behoort een ontwerp al snel tot het publieke domein.
Wat dit concreet betekent
Voor ontwerpers, modehuizen en ondernemers in de retailsector bevat dit arrest zeer concrete en strategische lessen:
- Identificeer uw signatuur: U kunt geen auteursrecht claimen op een schoen, kledingstuk of gebruiksvoorwerp louter omdat het uit een mooie combinatie van banale basiselementen (zoals een type hak of een sluiting) bestaat. Ontwikkel een uniek, creatief kenmerk (zoals een zeer specifiek vlechtwerk, een unieke print of een ongewone geometrische snit) dat fungeert als uw handtekening. Enkel dit onderdeel zal krachtig beschermd zijn.
- Inspiratie versus namaak: Voor concurrenten bevestigt dit arrest dat ‘over het muurtje kijken’ en zich laten inspireren door trends juridisch is toegestaan. Zolang u andermans écht originele, beschermde elementen niet reproduceert en ervoor zorgt dat uw product een wezenlijk andere totaalindruk (een andere “look & feel”) nalaat bij de consument, opereert u doorgaans binnen de grenzen van de eerlijke marktpraktijken.
- Documenteer uw ontwerpproces: Zowel voor het bewijzen van uw eigen originaliteit als voor het weerleggen van ‘voorbekendheden’, is een gedateerd archief van schetsen en ontwerpen (het zgn. ontwerpproces) van onschatbare waarde bij een juridisch conflict.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Is elk kledingstuk of schoenontwerp beschermd door het auteursrecht?
Nee. Om auteursrechtelijke bescherming te genieten, moet een ontwerp een “eigen intellectuele schepping” zijn die de stempel van de maker draagt. Banale ontwerpen, louter functionele elementen of het simpelweg combineren van bestaande modetrends komen niet in aanmerking voor bescherming.
Mag ik mij laten inspireren door ontwerpen van concurrenten?
Ja, inspiratie opdoen en het volgen van modetrends is onderdeel van de vrije markt. Nabootsing is pas verboden wanneer u identieke of sterk gelijkende elementen kopieert die auteursrechtelijk beschermd zijn, óf wanneer u uw producten zodanig nabootst dat er verwarring ontstaat bij de consument (parasitaire mededinging).
Wat moet ik doen als iemand mijn ontwerp kopieert?
Verzamel direct bewijs van de inbreuk (foto’s, aankoopbewijzen) en documenteer uw eigen creatiedatum en ontwerpproces. Neem vervolgens contact op met een gespecialiseerde advocaat om te evalueren of uw ontwerp voldoet aan de originaliteitsvereiste en om een strategische ingebrekestelling voor te bereiden.
Conclusie
Deze uitspraak van het hof van beroep te Gent illustreert treffend dat niet elk modeontwerp in België zomaar auteursrechtelijke bescherming geniet. Waar een uniek detail, zoals een specifiek vlechtwerk, wel beschermd is, blijft de combinatie van courante stijlelementen tot het publiek domein behoren. Ook de grens tussen toegelaten inspiratie en verboden oneerlijke marktpraktijken wordt strikt bewaakt: zolang er geen verwarring ontstaat en de totaalindruk verschilt, is nabootsing geen onrechtmatige daad.





