Mag een voorlopig stakingsbevel blijven gelden als de winnaar nooit naar de bodemrechter stapt?

Wie in kort geding een verbod afdwingt tegen een vermeende inbreuk op een merk of ander intellectueel eigendomsrecht, lijkt soms te denken dat de zaak daarmee definitief beslecht is. Maar het Hof van Justitie oordeelde op 23 april 2026 (zaak C‑132/25, M.M. Ristorazione / Villa Ramazzini) dat zo’n voorlopige maatregel niet eeuwig kan blijven gelden zonder dat de eiser binnen de wettelijke termijn een bodemprocedure instelt. Doet hij dat niet, dan kan de verweerder de opheffing vragen — ook wanneer het bevel “vooruitloopt” op een uitspraak ten gronde.

De feiten

Villa Ramazzini, houder van het Italiaanse beeldmerk Mò Mò, verkreeg in maart 2018 bij de rechtbank van Rome een voorlopig bevel tegen M.M. Ristorazione. Dat bevel verbood het gebruik van het teken “Mò Mò Pizza, Sapori e Salute”, gelastte de verwijdering ervan van het uithangbord en koppelde er een dwangsom aan voor elke dag vertraging.

Villa Ramazzini stelde vervolgens nooit een procedure ten gronde in. M.M. Ristorazione vroeg daarop te laten vaststellen dat het bevel had opgehouden gevolg te hebben, met een beroep op artikel 9, lid 5, van de Handhavingsrichtlijn.

De Italiaanse rechters in eerste aanleg en in beroep wezen dat verzoek af. Zij steunden op een bepaling uit het Italiaanse wetboek industriële eigendom die de vervalsanctie — het verlies van werking bij gebrek aan een tijdige bodemprocedure — buiten toepassing verklaart voor zogenaamde “anticiperende maatregelen”: maatregelen die naar hun aard al vooruitlopen op een beslissing ten gronde. Volgens die rechters viel een stakingsbevel daaronder en bleef het dus gelden. De Italiaanse Corte suprema di cassazione twijfelde en legde de vraag voor aan het Hof van Justitie.

De beslissing

Het Hof oordeelt dat artikel 9, lid 5, van de Handhavingsrichtlijn zich verzet tegen een nationale regeling die toelaat dat bepaalde voorlopige maatregelen — ook maatregelen die vooruitlopen op de gevolgen van een beslissing ten gronde — blijven gelden, terwijl de eiser niet binnen de gestelde termijn een bodemprocedure heeft ingesteld en de verweerder om opheffing verzoekt.

De redenering van het Hof verloopt in vier stappen. Vooreerst dekt de tekst van artikel 9, lid 5, gelezen samen met de leden 1 en 2, een breed gamma aan voorlopige maatregelen. De bepaling sluit maatregelen die op een uitspraak ten gronde vooruitlopen niet uit (punt 33).

Vervolgens wijst het Hof op de context: de bepaling verleent de verweerder het recht om de maatregel te beëindigen wanneer de eiser het geschil niet doorzet. Die beëindiging gebeurt niet automatisch, maar op verzoek van de verweerder (punten 34‑35).

Wat het oogmerk betreft, herinnert het Hof eraan dat de richtlijn billijke en evenredige handhaving wil verzekeren en misbruik wil tegengaan. Artikel 9, lid 5, moet ervoor zorgen dat een voorlopige maatregel niet “eeuwig van kracht blijft zonder een beslissing ten principale” (punt 39). De bepaling bevat geen enkele uitzondering en vormt een waarborg ten gunste van de verweerder, als tegengewicht voor de snelle voorlopige maatregelen die de eiser kan verkrijgen (punt 40).

Ten slotte verwerpt het Hof de Italiaanse argumenten. Het aangevoerde beginsel van proceseconomie kan niet voorgaan op de uitdrukkelijke bepalingen van het Unierecht (punt 42). En de regel van artikel 2, lid 1, dat lidstaten gunstiger maatregelen voor rechthebbenden mogen behouden, laat niet toe een voorlopige maatregel te handhaven zonder verplichting tot een bodemprocedure: die toepassingsvoorwaarden vallen niet onder de procedurele autonomie van de lidstaten (punt 43). Of een concrete “anticiperende maatregel” een voorlopige maatregel in de zin van artikel 9, lid 1, is, laat het Hof aan de nationale rechter — al merkt het op dat het loutere feit dat een bevel definitief kan worden, het voorlopige rechtskarakter ervan niet wegneemt (punten 45‑47).

Juridische analyse en duiding

Het Hof sluit de achterpoort van de “atypische” voorlopige maatregel

De kern van het arrest is dat het etiket dat het nationale recht op een maatregel plakt — “anticiperend”, “atypisch”, “naar zijn aard definitief beschermend” — niet bepaalt of artikel 9, lid 5, van toepassing is. Beslissend is de functionele werkelijkheid: zolang zowel eiser als verweerder een bodemprocedure kan inleiden en de wetgever de maatregel zelf als voorlopig heeft aangemerkt, is hij niet juridisch definitief (punt 46). Het Hof bouwt hier consequent voort op zijn oudere rechtspraak over artikel 50 van de TRIPs-overeenkomst, waarin het al oordeelde dat zelfs de bereidheid van partijen om een kortgedingvonnis als definitieve beslechting te aanvaarden het voorlopige rechtskarakter niet wijzigt (Hermès, punt 44, aangehaald in punt 47).

Die functionele benadering verdient bijval. Ze voorkomt dat lidstaten via een kwalificatietruc de waarborgen van de richtlijn uithollen. De redenering ligt ook in het verlengde van het arrest Phoenix Contact, waarin het Hof de doeltreffendheid van de voorlopige maatregelen benadrukte; in deze zaak daarentegen belicht het de spiegelzijde, namelijk de waarborg tegen onevenredig of langdurig gebruik daarvan.

De grens van het “gunstigheidsbeginsel” van artikel 2

Theoretisch interessanter is de afwijzing van het argument op grond van artikel 2, lid 1. Lidstaten mogen rechthebbenden méér bescherming bieden dan de richtlijn, maar het Hof oordeelt dat dit gunstigheidsbeginsel niet zover reikt dat de toepassingsvoorwaarden zélf van de voorlopige maatregelen mogen worden uitgehold (punt 43). Het Hof kadert dit binnen het evenwicht dat de Uniewetgever heeft gezocht tussen de rechten van de houder en de rechten van verdediging uit hoofde van de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten, gelezen in het licht van artikel 50 van de TRIPs-overeenkomst.

De boodschap is principieel: een “voordeel” voor de rechthebbende dat de verdedigingsrechten van de verweerder op lange termijn ondergraaft, is geen toegelaten gunstiger maatregel maar een verstoring van het door de richtlijn bewaakte evenwicht. Die lezing zal in toekomstige geschillen over nationale handhavingsregels herbruikbaar blijken.

Relevantie voor het Belgische recht: een geruststellende maar niet overbodige uitspraak

Voor de Belgische praktijk is de uitspraak vooral bevestigend. De Belgische wetgever heeft artikel 9, lid 5, van de Handhavingsrichtlijn omgezet in artikel 1369ter Gerechtelijk Wetboek. Die bepaling herneemt de richtlijntekst vrijwel woordelijk: wanneer iemand die kan optreden om een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht te doen staken artikel 584 Ger.W. toepast, worden de voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder herroepen of houden ze op gevolg te hebben indien de eiser niet binnen een redelijke termijn een bodemprocedure instelt — bij gebreke van een door de rechter bepaalde termijn binnen ten hoogste twintig werkdagen of eenendertig dagen vanaf de betekening van de beschikking.

Anders dan het Italiaanse recht kent het Belgische recht geen uitzondering die “anticiperende maatregelen” aan deze regel onttrekt. De Belgische omzetting bevat dus niet het gebrek dat het Hof in in deze zaak sanctioneerde. Toch is de uitspraak niet zonder belang. Ze bevestigt dat de voorlopige aard van een Belgische kortgedingvonnis niet uit het oog mag verliezen, ook niet wanneer een verbod in de praktijk als een eindpunt wordt ervaren. Het arrest is bovendien richtinggevend bij de uitlegging van art. 1369ter Ger.W. zelf, dat richtlijnconform moet worden gelezen.

Wat betekent dit concreet?

Voor houders van intellectuele eigendomsrechten. Een voorlopig stakingsbevel is geen eindstation. Wie zich op een voorlopige maatregel verlaat zonder een procedure ten gronde in te leiden, loopt het risico dat de tegenpartij de opheffing vraagt zodra de termijn is verstreken. Wie de bescherming duurzaam wil verankeren, plant dus best meteen ook de bodemprocedure — of weegt zorgvuldig af of de tegenpartij zich feitelijk bij het bevel zal neerleggen. Reken niet op stilzwijgende bestendiging.

Voor wie met een voorlopig bevel wordt geconfronteerd. De uitspraak verstevigt een verweermiddel dat in de praktijk soms onderbenut blijft. Heeft de tegenpartij wel een verbod verkregen maar nooit een procedure ten gronde aangevangen binnen de termijn, dan kan de opheffing of het verval van de maatregel worden gevorderd. Het is dus aangewezen om na de betekening van een voorlopige maatregel actief te bewaken of en wanneer een bodemprocedure wordt ingeleid, en de relevante termijnen nauwgezet te noteren.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Moet ik na een gewonnen kort geding altijd nog een bodemprocedure starten?
Niet in elke zaak, maar wel wanneer u in een geschil over intellectuele eigendom voorlopige maatregelen hebt verkregen in kort geding op grond van artikel 584 Ger.W. In dat geval bepaalt art. 1369ter Ger.W., in navolging van artikel 9, lid 5, van de Handhavingsrichtlijn, dat u binnen een redelijke termijn een procedure ten gronde moet instellen. Doet u dat niet, dan kan de tegenpartij de herroeping van de maatregel vragen, of houdt die van rechtswege op gevolg te hebben. Buiten dat kader bestaat een dergelijke verplichting na een kort geding niet.

Vervalt een voorlopig bevel automatisch als er geen bodemprocedure volgt?
De wet voorziet in twee sancties. Art. 1369ter Ger.W. bepaalt dat de voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder worden herroepen of van rechtswege ophouden gevolg te hebben wanneer de eiser niet binnen de termijn een bodemprocedure instelt. Beide gevolgen zijn mogelijk: een herroeping op verzoek én een verval van rechtswege. Wie zekerheid wil dat de maatregel verdwijnt, vordert in de praktijk best uitdrukkelijk de herroeping of de vaststelling van het verval, in plaats van louter af te wachten.

Geldt dit ook voor een verbod dat in de praktijk als definitief aanvoelt?
Ja. Het Hof van Justitie oordeelt dat het voorlopige rechtskarakter van een maatregel niet wijzigt door de omstandigheid dat partijen het bevel feitelijk als een definitieve beslechting aanvaarden. Zolang nog een bodemprocedure mogelijk is, blijft de maatregel voorlopig en valt hij onder de waarborg van artikel 9, lid 5.

Conclusie

Met het arrest van 23 april 2026 bevestigt het Hof van Justitie dat de waarborg van artikel 9, lid 5, van de Handhavingsrichtlijn geen uitzonderingen duldt: een voorlopige maatregel in een geschil over intellectuele eigendom mag niet onbeperkt blijven gelden wanneer de eiser geen procedure ten gronde inleidt en de verweerder om opheffing verzoekt. Het etiket “anticiperende maatregel” verandert daar niets aan. Voor het Belgische recht, dat met art. 1369ter Ger.W. al een conforme omzetting kent, is dit een welkome bevestiging die de voorlopige aard van het kortgedingbevel nog eens scherp stelt.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics