Mogen de spelersmakelaarsregels van de FIFA de vergoeding, de licenties en de gegevens van makelaars aan banden leggen?

Het Hof van Justitie heeft op 16 juli 2026 (C-209/23) geoordeeld dat de FIFA-regels voor spelersmakelaars op verschillende punten botsen met het Europese mededingings-, dienstenverkeer- en gegevensbeschermingsrecht. In de zaak van de Duitse makelaar FT en de vennootschap RRC Sports tegen de FIFA verklaart het Hof dat een private sportfederatie niet vrij is om via haar reglement de markt van de makelaardij naar haar hand te zetten. Het antwoord is dus genuanceerd: sommige regels kunnen door de beugel, andere niet, en telkens hangt het af van een toets aan de artikelen 56, 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en aan artikel 6 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDPR).

De feiten

FT is spelersmakelaar en ondervoorzitter van de makelaarsvereniging The Football Forum. Samen met RRC Sports, een Duitse vennootschap die eveneens als makelaar optreedt en waarvan FT bestuurder is, trok hij naar het Landgericht Mainz. De FIFA is de mondiale overkoepelende voetbalorganisatie, met 211 nationale bonden als lid, waaronder de Duitse Deutscher Fußball-Bund. Die bonden moeten zich statutair binden aan de FIFA-regels.

Op 16 december 2022 stelde de FIFA-raad de FIFA Football Agent Regulations (FFAR) vast, het reglement dat de activiteit, de vergoeding en het gedrag van makelaars regelt. FT en RRC Sports vroegen de Duitse rechter om de FIFA te verbieden dertien van die regels toe te passen, omdat die volgens hen in strijd zijn met het Unierecht. De Duitse rechter schorste zijn zaak en stelde één brede prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van dat pakket regels met vier Unierechtelijke bepalingen.

De beslissing

Het Hof brengt eerst een principe in herinnering dat het al in eerdere sportzaken vastlegde: artikel 165 VWEU, dat de bijzondere kenmerken van sport erkent, onttrekt de sport niet aan het gewone economische recht van de Unie (HvJ 21 december 2023, C-333/21, European Superleague Company, EU:C:2023:1011). Zodra een regeling een economische activiteit raakt, valt ze onder de artikelen 56, 101 en 102 VWEU, ook als een sportfederatie ze heeft uitgevaardigd. De activiteit van makelaars, die tegen betaling spelers en trainers aan clubs koppelt, is zo’n economische activiteit. Het reglement valt dus binnen het bereik van die verdragsbepalingen.

Voor de toepassing van artikel 101 VWEU kwalificeert het Hof de FIFA als een ondernemersvereniging, en het FFAR als een besluit van een ondernemersvereniging. Vervolgens onderzoekt het per categorie of de regels de mededinging beperken.

Vergoeding, licentie, meervoudige vertegenwoordiging, benadering en informatie

Het Hof deelt de betwiste regels in vijf categorieën in en toetst ze afzonderlijk. De meeste regels zijn volgens het Hof geen beperking van de mededinging “naar strekking”, dat wil zeggen niet zo schadelijk dat een onderzoek naar de gevolgen overbodig is. Zo oordeelt het Hof dat het plafond op de makelaarsvergoeding uit artikel 15, lid 2, FFAR geen strekkingsbeperking is, omdat het geen vast maximum oplegt maar een relatief plafond, evenredig aan het salaris of de transfersom, dat mee kan stijgen. Ook de regels over meervoudige vertegenwoordiging en de meeste licentievoorwaarden ontsnappen aan die kwalificatie.

Slechts twee regels beschouwt het Hof, onder voorbehoud van verificatie door de nationale rechter, wel als een beperking naar strekking. De eerste is de regel uit artikel 14, lid 12, a) FFAR, voor zover die een makelaar het reeds verschuldigde deel van zijn vergoeding ontneemt wanneer de speler later naar een andere club vertrekt, ook al speelde die makelaar in die nieuwe transfer geen enkele rol. Zo’n willekeurig verlies van een verworven vergoeding is volgens het Hof naar zijn aard schadelijk voor de mededinging (in lijn met HvJ 4 oktober 2024, C-650/22, FIFA, EU:C:2024:824). De tweede is de benaderingsregel uit artikel 16, lid 1, b) en c) FFAR, maar enkel omdat die niet geldt voor makelaars die zelf al een exclusief contract hebben: die krijgen daardoor een oneigenlijk voordeel tegenover hun concurrenten.

Voor alle overige regels is een onderzoek naar de concrete gevolgen nodig, dat aan de verwijzende rechter toekomt. Waar een beperking wordt vastgesteld, kan die alsnog ontsnappen aan het verbod als ze een legitieme doelstelling van algemeen belang dient en evenredig is, of als ze voldoet aan de vier vrijstellingsvoorwaarden van artikel 101, lid 3, VWEU. Doelstellingen als de bescherming van onervaren spelers en het vermijden van belangenconflicten kunnen zulke legitieme doelstellingen zijn; een louter economisch doel, zoals het drukken van de makelaarskosten, kan dat niet.

Machtspositie, dienstenverkeer en gegevens

Onder artikel 102 VWEU oordeelt het Hof dat de FIFA een machtspositie heeft op de markten die het FFAR raakt, ook al is de FIFA daar zelf niet als onderneming actief. Die machtspositie vloeit voort uit haar regelgevende, controlerende en sanctionerende bevoegdheid. Of de betwiste regels misbruik opleveren, door uitsluiting of door uitbuiting, moet de nationale rechter beoordelen.

Onder artikel 56 VWEU stelt het Hof vast dat sommige regels een belemmering van het vrij verrichten van diensten vormen: de beperking van meervoudige vertegenwoordiging, de licentievoorwaarde over strafrechtelijke en tuchtrechtelijke antecedenten, en de benaderingsregel. De vergoedingsregels vormen op zich geen belemmering, louter omdat minder strenge regels denkbaar waren.

Onder artikel 6, lid 1, f) AVG ten slotte onderzoekt het Hof de regels die makelaars verplichten gegevens op het FIFA-platform te plaatsen (art. 16, lid 2, FFAR) en die de FIFA verplichten bepaalde informatie openbaar te maken (art. 19 FFAR). Het Hof besluit dat de AVG zich verzet tegen twee onderdelen van artikel 19 FFAR: de bekendmaking van elke sanctie tegen makelaars of hun cliënten, en de bekendmaking van de gedetailleerde gegevens van alle transacties waarbij makelaars betrokken zijn.

Juridische analyse en duiding

Het plafond op de vergoeding overleeft, omdat het meebeweegt

De belangrijkste verrassing zit in wat het Hof níét als kartelinbreuk bestempelt. Een gezamenlijk vastgelegd prijsplafond tussen concurrenten klinkt als een schoolvoorbeeld van een verboden afspraak. Toch redde één technisch kenmerk de regel: het plafond ligt niet vast in euro’s, maar in een percentage van het spelerssalaris of de transfersom. Betaalt een club meer voor een speler, dan mag de makelaar ook meer verdienen. Het plafond beweegt dus mee met de markt.

Dat onderscheid is scherper dan het lijkt. De advocaat-generaal noemde dit in zijn conclusie van 15 mei 2025 een “dynamische maximumprijs” en wees erop dat er noch in de rechtspraak, noch in de economische literatuur eensgezindheid bestaat over de vraag of afspraken over maximumprijzen intrinsiek schadelijk zijn. Het Hof volgt die voorzichtige lijn: een relatief plafond belet makelaars niet om op prijs of kwaliteit te concurreren, en dus is een gevolgenonderzoek nodig. Wie het arrest leest als een groen licht voor prijsplafonds in de sport, gaat te snel: het Hof zegt enkel dat dit plafond niet op voorhand verboden is, niet dat het toegelaten blijft na de gevolgentoets.

De echte inbreuken zitten in de details, niet in het grote principe

Opvallend is dat de twee regels die het Hof wél als strekkingsbeperking aanmerkt, allebei kleine, bijna technische bepalingen zijn. De eerste ontneemt een makelaar een vergoeding waarop hij al recht had, enkel omdat de speler later ergens anders tekent, zonder dat die makelaar daar nog iets mee te maken heeft. Het Hof knoopt hier expliciet aan bij zijn arrest van 4 oktober 2024 in de zaak FIFA, waarin het een soortgelijk willekeurig verlies van rechten als mededingingsschadelijk bestempelde. De tweede regel verbiedt makelaars om cliënten van een concurrent te benaderen buiten een venster van twee maanden, maar legt diezelfde beperking niet op aan makelaars die zelf al een exclusief contract hebben. Die asymmetrie bevoordeelt de gevestigde makelaar en verstoort zo het spel van vraag en aanbod.

De les is dat de scherpste mededingingsrechtelijke pijn niet in de spraakmakende plafonds zit, maar in bepalingen die op het eerste gezicht neutraal lijken. Een reglement kan overwegend overeind blijven en toch op één detail sneuvelen, precies omdat dat detail een categorie marktdeelnemers zonder reden anders behandelt.

Een federatie kan misbruik maken van een markt waarop ze niet eens aanwezig is

Onder artikel 102 VWEU maakt het Hof een principiële stap. De FIFA verkoopt zelf geen makelaarsdiensten en treedt niet op als concurrent van de makelaars. Toch heeft ze volgens het Hof een machtspositie op die markt, niet omdat ze er handel drijft, maar omdat ze de spelregels ervan schrijft, controleert en met sancties afdwingt. De macht van de poortwachter volstaat, ook zonder eigen aanwezigheid op het speelveld.

De advocaat-generaal formuleerde het nog explicieter: wie in feite de voorwaarden bepaalt waaronder anderen tot een markt toetreden en hoe zij daar concurreren, oefent een regelgevende functie uit die streng moet worden afgebakend, ongeacht of hij zelf op die markt actief is. Dat is een belangrijke bevestiging voor iedereen die te maken heeft met private normerende instanties: certificerende beroepsorganisaties, keurmerkbeheerders, platformexploitanten. Regelgevende macht is marktmacht, ook zonder eigen product.

Transparantie tegenover makelaars is niet vanzelf een gerechtvaardigd belang

Het gegevensbeschermingsluik verdient bijzondere aandacht, want het reikt ver buiten de sport. Het Hof aanvaardt dat de FIFA een gerechtvaardigd belang heeft om na te gaan of makelaars en hun cliënten de regels naleven, en dat het daarvoor gegevens mag verzamelen op zijn platform. Maar bij artikel 19 FFAR, dat een deel van die gegevens openbaar maakt, trekt het Hof een grens.

De bekendmaking van elke sanctie tegen een makelaar of cliënt gaat te ver, omdat ze geen onderscheid maakt naar de ernst van de inbreuk en niet ophoudt na verloop van tijd. En de publicatie van de details van álle transacties botst met het beginsel van minimale gegevensverwerking uit artikel 5, lid 1, c) AVG: de omvang ervan is niet afgebakend. De advocaat-generaal voegde daar een bedenking aan toe die het Hof niet uitdrukkelijk overneemt, maar die de kern raakt: als concurrenten elkaars vergoedingen en transacties kunnen inzien, kan dat net heimelijke afstemming en oneerlijke concurrentie in de hand werken. Transparantie is dan geen deugd meer, maar een mededingingsrisico. Voor wie zelf een verwerking op “transparantie” wil steunen, is dat een nuttige waarschuwing: transparantie tegenover een overheid is iets anders dan transparantie tussen concurrenten, en het doel ervan moet telkens concreet worden benoemd.

Wat betekent dit concreet?

Voor spelersmakelaars. Het arrest geeft munitie om de scherpste kantjes van het FFAR aan te vechten, maar het is geen vrijbrief. De vergoedingsplafonds sneuvelen niet automatisch; hun lot hangt af van de gevolgentoets bij de nationale rechter. Waar u wél sterk staat, is bij de regel die u een reeds verdiende vergoeding afneemt na een latere transfer, en bij de bekendmaking van uw commerciële gegevens en sancties. Bewaar bewijs van de concrete last die deze regels u opleggen, want die last is precies wat de rechter moet wegen.

Voor sportfederaties en andere private normerende organisaties. Regelgevende macht over een markt is marktmacht, ook zonder eigen commerciële aanwezigheid. Een reglement dat de toegang tot een beroep of de voorwaarden van concurrentie bepaalt, moet elke afzonderlijke regel kunnen verantwoorden met een echt, niet louter economisch algemeen belang, en met de minst beperkende maatregel die dat doel bereikt. Een pakket dat “in globo” nuttig lijkt, biedt geen dekking: elke bepaling wordt apart getoetst.

Voor iedereen die een verwerking op gerechtvaardigd belang steunt. De drietrapstoets van artikel 6, lid 1, f) AVG, gerechtvaardigd belang, noodzakelijkheid en belangenafweging, blijft de kern. Wie gegevens openbaar wil maken, moet de kring van bestemmelingen beperken tot wie ze echt nodig heeft, de omvang afbakenen en rekening houden met de redelijke verwachtingen van de betrokkene. Een ongedifferentieerde bekendmaking van sancties, zonder onderscheid naar ernst of tijdsverloop, doorstaat die toets niet.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Mag een sportfederatie de vergoeding van makelaars plafonneren?
Niet op voorhand verboden, maar ook niet zonder meer toegelaten. Het Hof oordeelde dat een plafond dat evenredig is aan het salaris of de transfersom, en dus meebeweegt met de markt, geen beperking “naar strekking” is. Of het toch de mededinging beperkt, en of het dan gerechtvaardigd of vrijgesteld kan worden, moet de nationale rechter beoordelen aan de hand van de concrete gevolgen.

Kan een organisatie misbruik maken van een machtspositie op een markt waar ze zelf niet actief is?
Ja. Volgens het Hof van Justitie volstaat het dat de organisatie via haar regelgevende, controlerende en sanctionerende bevoegdheid de spelregels van die markt bepaalt. Ze hoeft er zelf geen goederen of diensten aan te bieden om een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU te hebben.

Mag een instantie de opgelegde sancties tegen haar leden publiceren onder de AVG?
Alleen binnen grenzen. Een ongedifferentieerde publicatie van elke sanctie, zonder onderscheid naar de ernst van de inbreuk en zonder tijdslimiet, doorstaat de toets van artikel 6, lid 1, f) AVG niet. Bovendien gelden voor sancties die betrekking hebben op strafrechtelijke veroordelingen de bijkomende waarborgen van artikel 10 AVG.

Conclusie

Het arrest bevestigt dat de autonomie van sportfederaties ophoudt waar het economische recht van de Unie begint, en dat elke regel afzonderlijk moet worden getoetst, niet het reglement als geheel. De vergoedingsplafonds overleven voorlopig, twee kleinere bepalingen sneuvelen als kartelinbreuk, en het gegevensluik legt een algemene les bloot over de grenzen van transparantie. De praktische gevolgen reiken tot ver buiten het voetbal, tot elke private organisatie die een markt normeert of gegevens verwerkt op grond van een gerechtvaardigd belang.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics