Een negatief artikel in de pers kan aanzienlijke schade toebrengen aan iemands reputatie, zeker in een cruciale periode zoals een verkiezing of een zakelijke onderhandeling. De reflex is dan ook vaak om naar de rechter te stappen en een publicatieverbod te vragen.
Het korte antwoord? In België is dit in principe niet mogelijk.
De Belgische Grondwet verbiedt ‘voorafgaande censuur’. Een rechter kan de pers niet preventief het zwijgen opleggen. Een arrest van het hof van beroep te Luik van 19 juni 2025 bevestigt deze regel met klem.
De feiten: een politicus, een artikel en een publicatieverbod
De zaak die leidde tot het arrest was bijzonder delicaat. Een kandidaat-burgemeester en lijsttrekker voor de lokale verkiezingen werd enkele dagen voor de stembusgang gecontacteerd door een journalist. De journalist was van plan een artikel te publiceren over een gerechtelijk onderzoek naar de politicus wegens fiscale fraude.
De politicus vreesde voor onherstelbare reputatieschade en een beïnvloeding van de verkiezingsresultaten. Hij stapte onmiddellijk naar de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg via een eenzijdig verzoekschrift en vroeg om de publicatie van het artikel “voorlopig te schorsen”.
De beslissing: de bocht van de eerste rechter en de correctie door het hof
De eerste rechter: een (onmogelijke) evenwichtsoefening
In een eerste beschikking (en later bevestigd na een tegensprekelijk debat) gaf de rechter de politicus gelijk. De rechtbank beval de krant (Le Soir) om de publicatie van het artikel tijdelijk te stoppen.
De rechter motiveerde dit door te stellen dat er geen sprake was van “censuur zoals in een dictatuur”, maar van een “stipte rechterlijke tussenkomst” om een conflict tussen twee fundamentele rechten te beslechten:
- Het recht op vrijheid van meningsuiting (van de pers).
- Het recht op eerbiediging van het privéleven en de reputatie (van de politicus).
De rechter oordeelde dat de publicatie, zo kort voor de verkiezingen en gebaseerd op een geheim dossier, een “wil om te schaden” leek te insinueren. Hij stelde dat het “algemeen belang” niet gediend was met de publicatie op dat moment.
Het hof van beroep: de Grondwet is absoluut
De uitgeverij ging in beroep tegen deze beslissing. Het hof van beroep van Luik heeft de beslissing van de eerste rechter volledig hervormd.
Het hof vernietigde het publicatieverbod en verklaarde de oorspronkelijke vordering van de politicus ongegrond. De redenering van het hof was glashelder en direct:
- Dit is wél censuur: De gevraagde maatregel is een schoolvoorbeeld van “voorafgaande censuur” (un censure préalable).
- De Grondwet verbiedt dit: Zowel artikel 19 als artikel 25 van de Belgische Grondwet verbieden dit soort preventieve maatregelen. De Grondwet laat enkel toe om misbruiken van de persvrijheid nadien (a posteriori) te bestraffen, niet om ze vooraf (a priori) te verbieden.
- Ook het EVRM biedt geen basis: Het hof analyseerde ook artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hoewel het EVRM in theorie wel preventieve beperkingen toelaat, vereist het dat zo’n beperking “bij wet voorzien” is (de legaliteitsvoorwaarde).
- Er is geen wet: Het hof verwijst expliciet naar het arrest RTBF t. België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (29 april 2011). In dat arrest stelde het EHRM al vast dat het Belgische recht (zoals de algemene regels van het kort geding) geen voldoende duidelijke en voorspelbare wettelijke basis biedt om een preventief publicatieverbod door een rechter toe te staan.
- Conclusie: Omdat er geen wettelijke basis is, is de eerste voorwaarde van het EVRM niet vervuld en is de maatregel onwettig.
Juridische analyse en duiding
Deze zaak legt de kern bloot van een fundamenteel juridisch debat in België: de “monistische” versus de “dualistische” visie op persvrijheid.
- De dualistische visie (van de eerste rechter): Deze stroming, die eind 20e eeuw opkwam, stelt dat het absolute censuurverbod van artikel 25 Grondwet (uit 1831) moet worden “afgewogen” tegen andere, even belangrijke grondrechten, zoals het recht op privacy (Art. 22 Grondwet). Volgens deze visie zou een rechter preventief mogen ingrijpen om een onomkeerbare schending van die andere rechten te voorkomen.
- De monistische visie (van het hof van beroep): Deze visie, die trouw blijft aan de tekst van de Grondwet, stelt dat het verbod op censuur absoluut is en geen uitzonderingen duldt. De grondwetgevers van 1831 wilden de pers net onttrekken aan elke vorm van rechterlijke inmenging vooraf, en enkel sancties na publicatie toelaten.
De dualistische visie, hoewel academisch interessant, botst in de praktijk op een onoverkomelijk obstakel: het eerder genoemde arrest RTBF t. België.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in 2011 duidelijk gesteld dat, zelfs al zou men een afweging van rechten willen maken, het Belgische wettelijke kader daar momenteel simpelweg niet in voorziet. Een rechter die vandaag toch een publicatie verbiedt, handelt dus zonder duidelijke wettelijke basis en schendt daardoor artikel 10 EVRM.
Deze zaak, net als eerdere zaken (zoals die rond Conner Rousseau), legt in elk geval een tendens bloot waarbij politici de rechter in kort geding proberen te gebruiken om de pers, in de praktijk, te censureren.
De enige manier om preventieve verboden mogelijk te maken, zou een herziening van de Grondwet zelf zijn. Dit zou dan wel een gevaarlijke deur openen en het risico op strategische rechtszaken om de pers te muilkorven (zogenaamde ‘SLAPPs’) aanzienlijk verhogen.
In de huidige stand van het recht is de conclusie dus absoluut: een rechter kan en mag geen preventief publicatieverbod opleggen aan de pers.
Wat dit concreet betekent
- Voor de pers (journalisten en uitgevers): Uw recht om te publiceren zonder voorafgaande rechterlijke controle is zeer sterk beschermd door de Grondwet. Dit arrest bevestigt dat u niet kunt worden gedwongen om een artikel tegen te houden, zelfs niet door een rechter in kort geding. Dit betekent echter geen straffeloosheid: u blijft na publicatie (a posteriori) volledig verantwoordelijk voor wat u schrijft en kunt worden aangeklaagd voor laster, eerroof of schending van de privacy.
- Voor burgers en publieke figuren: U kunt een rechter niet vragen om een artikel dat u schaadt, tegen te houden vóór publicatie. De grondwettelijke bescherming van de pers weegt op dat moment zwaarder door. Uw juridische opties liggen na de publicatie. U kunt een vordering tot schadevergoeding instellen (op basis van artikel 6.6-6.7 van het Burgerlijk Wetboek), een recht van antwoord eisen, of (in theorie) een strafklacht indienen wegens een persmisdrijf.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Wat is het verschil tussen het verbod in de Belgische Grondwet (Art. 25) en het EVRM (Art. 10)?
Artikel 25 van de Grondwet is absoluut: “de censuur kan nooit worden ingevoerd”. Het verbiedt elke preventieve maatregel. Artikel 10 EVRM, dat de vrijheid van meningsuiting waarborgt, laat in zijn tweede paragraaf wél uitzonderingen toe (zoals voor de bescherming van de reputatie of rechten van anderen), mits deze “bij wet zijn voorzien” en “noodzakelijk zijn in een democratische samenleving”. De Belgische Grondwet is op dit punt dus strenger en biedt meer bescherming aan de pers dan het EVRM.
Kan een rechter dan nooit een publicatie verbieden?
In het kader van de pers (kranten, online artikels, reportages) is een preventief verbod (vooraf) door het Grondwettelijk verbod op censuur uitgesloten. Een rechter kan wel oordelen dat een eenmaal gepubliceerde tekst onrechtmatig is en de verdere verspreiding ervan (bijvoorbeeld de verkoop van een boek) bevelen. Het Hof van Cassatie heeft in het verleden geoordeeld dat dit geen ‘censuur’ meer is, omdat de mening al is geuit en de maatregel een repressief (bestraffend) karakter heeft.
Wat als een artikel mijn privacy of geheim van het onderzoek schendt?
Ook dan geldt het verbod op voorafgaande censuur. Het hof van beroep stelde in dit arrest expliciet dat het niet aan de kortgedingrechter is om te onderzoeken of een journalist het geheim van het onderzoek of zijn beroepsgeheim heeft geschonden om een preventief verbod te rechtvaardigen. De enige sanctie voor een dergelijke schending kan na de publicatie plaatsvinden, via een burgerlijke of strafrechtelijke procedure.
Conclusie
Het arrest van het hof van beroep te Luik is een krachtige en noodzakelijke herinnering aan de fundamenten van onze persvrijheid. Het Belgische grondwettelijke verbod op censuur is absoluut en geldt ook voor de rechter.
Hoewel de verleiding groot kan zijn om een rechter te vragen een schadelijk artikel tegen te houden, is dit juridisch geen begaanbare weg. De focus moet liggen op de acties die na publicatie mogelijk zijn.



