Steeds meer rusthuizen, woonzorgcentra en verpleeginstellingen vangen radio- en televisiesignalen op met een eigen satellietantenne en geven dat signaal via een intern kabelnetwerk door aan de kamers van hun bewoners. Vraagt dat gebruik van auteursrechtelijk beschermde muziek of beeldcontent een licentie van de auteursrechthebbenden? In een arrest van 30 april 2026 in de zaak C-127/24 (GEMA tegen VHC 2 Seniorenresidenz) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie deze vraag uitdrukkelijk ontkennend beantwoord. De interne doorgifte van een via satelliet ontvangen signaal naar de kamers van de bewoners is volgens het Hof géén mededeling aan het publiek in de zin van art. 3, lid 1 van de richtlijn 2001/29. Er is dus geen afzonderlijke vergoeding verschuldigd aan auteursrechtorganisaties zoals GEMA — en bij uitbreiding Sabam.
De feiten
VHC 2 Seniorenresidenz und Pflegeheim gGmbH baat in Duitsland een rust- en verzorgingstehuis uit waar permanent 89 hulpbehoevende ouderen verblijven. De inrichting telt 88 eenpersoons- en 3 tweepersoonskamers, verdeeld over vier residentiële zones, naast verschillende gemeenschappelijke ruimten zoals restaurants en huiskamers.
Via een eigen satellietontvangstinstallatie vangt het tehuis radio- en televisieprogramma’s op, die het via zijn kabelnetwerk gelijktijdig, volledig en ongewijzigd doorzendt naar de aansluitingen in de kamers van de bewoners en naar de verpleegkamers.
GEMA, de Duitse collectieve beheersorganisatie voor muziekauteursrechten, vorderde voor de Duitse rechter staking van die doorgifte, met het argument dat er een licentie vereist was. De rechter in eerste aanleg in Frankenthal volgde GEMA. Het Oberlandesgericht Zweibrücken vernietigde dat vonnis en oordeelde dat de bewoners geen “publiek” vormden maar een private groep. De zaak belandde via beroep in Revision bij het Bundesgerichtshof, dat het Hof van Justitie drie prejudiciële vragen stelde over de uitlegging van het begrip “mededeling aan het publiek”.
De beslissing
Het Hof oordeelt dat de doorgifte door VHC 2 géén mededeling aan het publiek is in de zin van art. 3, lid 1 van de richtlijn 2001/29.
Voor die kwalificatie hanteert het Hof de gevestigde toets uit zijn vaste rechtspraak: een handeling is pas een mededeling aan het publiek wanneer het werk wordt meegedeeld volgens een specifieke technische werkwijze die verschilt van die welke tot dan toe werd gebruikt, óf, bij ontstentenis daarvan, gericht is tot een nieuw publiek. Aan geen van beide criteria is in deze zaak voldaan.
Wat de technische werkwijze betreft, oordeelt het Hof dat het loutere doorgeven van een via satelliet ontvangen signaal via een intern kabelnetwerk binnen één gebouw of inrichting, géén “specifieke technische werkwijze” oplevert. Het Hof verwijst daarvoor naar de logica van het arrest ITV Broadcasting (C-607/11) en plaatst de zaak in de tweede situatie die in dat arrest werd onderscheiden: niet die van een wederdoorgifte over een nieuw medium (zoals het open internet), maar die van een gebruiker die door zijn bewuste interventie een uitzending toegankelijk maakt. De situatie is volgens het Hof rechtstreeks vergelijkbaar met die van het hotel in het SGAE-arrest (C-306/05).
Doorslaggevend is dan het criterium van het nieuwe publiek. En precies hier komt het Hof tot een afwijkende uitkomst ten opzichte van wat het eerder oordeelde voor hotelgasten, klanten van horeca en patiënten van een kuurinrichting. Het Hof grijpt terug naar zijn eerder arrest van 20 juni 2024 in zaak C-135/23 GEMA, waarin het over huurders van appartementen in een gebouw oordeelde dat zij geen nieuw publiek vormen. Die situatie is volgens het Hof vergelijkbaar met die van bewoners van een rusthuis, omdat het in beide gevallen gaat om personen die er permanent wonen.
Het argument dat de exploitant van een rust- en verzorgingstehuis, anders dan een gewone verhuurder, ook tal van andere diensten verleent waarvan de bewoners afhankelijk zijn, vindt geen genade in de ogen van het Hof. Wat telt is dat de bewoners, als bezitters van de ontvangsttoestellen die de uitzending in hun privésfeer ontvangen, deel uitmaken van het publiek dat de auteursrechthebbenden reeds in aanmerking namen toen zij toestemming gaven voor de oorspronkelijke uitzending.
Het commerciële karakter van de activiteit van de exploitant doet aan die analyse niets af. Het winstoogmerk is volgens vaste rechtspraak een relevante, maar geen doorslaggevende factor. Tot slot wijst het Hof erop dat de tegenovergestelde lezing zou neerkomen op een onverschuldigde dubbele beloning van de rechthebbenden, terwijl overweging 10 van de richtlijn enkel een “passende” beloning vooropstelt.
Juridische analyse en duiding
De privésfeer als nieuw scharnierpunt in de rechtspraak
Het arrest bevestigt en verstevigt een lijn die zich sinds 2024 aftekent: voor de toets van het “nieuw publiek” verschuift de focus van de tussenkomende exploitant naar de positie van de uiteindelijke ontvanger. Zolang die ontvanger zich in zijn privésfeer bevindt en als bezitter van een ontvangsttoestel kan worden gezien — al dan niet ter beschikking gesteld door de exploitant — is er geen sprake van een nieuw publiek.
Die verschuiving is fundamenteel. In de SGAE-lijn lag de klemtoon op de bewuste interventie van de gebruiker die toegang verleent aan personen die anders geen toegang tot het werk zouden hebben. Dat zogenoemde “interventie-criterium” was vrijwel mechanisch: een hotel, een wachtkamer, een café, telkens werd geconcludeerd dat er een nieuw publiek was. Het GEMA-arrest van juni 2024 introduceerde voor het eerst een uitzondering voor permanente bewoners van een appartementsgebouw, en dit arrest trekt die uitzondering door naar woonzorginstellingen.
Voor woonzorginstellingen levert dat een tweepolige toets op. Beslissend zijn het permanente karakter van het verblijf én de kwalificatie van de woongelegenheid als privésfeer. Het Hof legt expliciet uit dat de gemeenschappelijke ruimten in een woonzorgcentrum (restaurants, zitkamers) als verlengstuk van die privésfeer kunnen worden gezien — een element dat advocaat-generaal Szpunar in zijn conclusie nadrukkelijk had bepleit en dat het Hof impliciet overneemt.
Een Belgische voorloper: Cass. 18 februari 2000
Voor de Belgische lezer is het resultaat geen volledig nieuw geluid. Op 18 februari 2000 verwierp het Hof van Cassatie de cassatievoorziening van Sabam tegen een vonnis van de vrederechter te Marche-en-Famenne, dat had beslist dat de uitvoering van muziekwerken door een orkest in een rusthuis géén openbare uitvoering vormde. De feitenrechter had vastgesteld dat de uitvoering plaatsvond in “de besloten en intieme kring van bewoners die er hun residentie hebben en er in familieverband leven”, en concludeerde dat het optreden onder de ‘familiekring’ uitzondering viel — destijds art. 22, § 1, 3° van de Auteurswet van 30 juni 1994, navolgend art. XI.190, 3° WER doch afgeschaft sinds 1 augustus 2022. Het Hof van Cassatie aanvaardde die redenering.
Het Cassatie-arrest en het arrest C-127/24 leiden tot hetzelfde resultaat — geen licentievergoeding aan Sabam respectievelijk GEMA — maar bewandelen verschillende juridische wegen. het Hof van Cassatie steunde op de uitzondering “familiekring”. Het Hof van Justitie kiest een dogmatisch zuiverdere weg: het stelt vast dat er voor permanente bewoners van een tehuis helemaal géén mededeling aan het publiek is, zodat de uitzondering niet eens hoeft te worden aangeroepen. Dat sluit overigens aan bij een oudere observatie in de Belgische rechtsleer, namelijk dat de “familiekring” in onze traditie niet zozeer een echte uitzondering was, maar een negatieve afbakening van het begrip mededeling aan het publiek zelf. Om die reden werd deze ‘uitzondering’ dan ook in 2022 afgeschaft.
Een feitelijk verschil blijft dat het Cassatie-arrest een live muziekuitvoering betrof (een kerstoptreden in een gemeenschappelijke ruimte tussen bewoners onderling), terwijl het Hof van Justitie zich uitspreekt over de individuele tv-aansluiting in de privékamer. De onderliggende intuïtie is dezelfde: een rusthuis is voor zijn bewoners geen openbare ruimte, maar de plek waar zij hun privé-leven leiden.
Geen “specifieke technische werkwijze” bij doorgifte binnen één inrichting
Even belangrijk is de duidelijke afbakening van het begrip “specifieke technische werkwijze”. Het Hof bevestigt dat het criterium geldt voor wederdoorgifte over een wezenlijk verschillend medium (typisch: het open internet), niet voor de loutere doorgifte van een via antenne of satelliet ontvangen signaal via een interne kabel binnen één gebouw of complex.
Dat onderscheid is van praktisch belang omdat het de discussie over de aard van het signaal vrij krachtig vereenvoudigt. Wie binnen één perceel of inrichting een lokaal signaaldistributiesysteem opzet, doet juridisch hetzelfde als de hoteleigenaar in SGAE: hij maakt het signaal alleen maar toegankelijk. De vraag of er een mededeling aan het publiek is, hangt dan volledig af van het criterium van het nieuwe publiek — en dus van het permanente karakter van het verblijf en de privésfeer van de ontvangers.
Een interessante observatie is dat het Hof, anders dan in het arrest AKM (C-138/16), het criterium “specifieke technische werkwijze” hier wel degelijk afzonderlijk onderzoekt en afwijst, vóór het toekomt aan het criterium van het nieuw publiek. De twee criteria worden dus opnieuw als onafhankelijke alternatieven behandeld.
Het winstoogmerk: definitief gedevalueerd
Het arrest is ook leerrijk voor wat het niet doet: het laat het winstoogmerk volledig vallen als zelfstandig criterium. Het Hof herhaalt zijn standaardformule dat het winstgevende karakter “niet zonder belang” is maar “geen onmisbare voorwaarde”. In de feiten van VHC 2 is dat dubbel relevant. De exploitant is een commerciële gGmbH (een Duitse vorm van vennootschap met sociaal doel), de bewoners betalen een verblijfsvergoeding die mede de tv-aansluiting omvat, en toch volstaat dat niet om de drempel van een “mededeling aan het publiek” te halen.
Wat betekent dit concreet?
Voor woonzorgcentra en exploitanten van rust- en verzorgingstehuizen. Voor inrichtingen die enkel een via satelliet of antenne ontvangen signaal doorzenden naar de kamers van permanente bewoners, vervalt de juridische grondslag voor een afzonderlijke licentievergoeding aan auteursrechtorganisaties als Sabam. Wie zo’n vergoeding betaalt op grond van een lopend contract of een tariefverklaring, kan dat tarief opnieuw ter discussie stellen. Een opzegging of een herziening met aanrekening van het betaalde bedrag voor de periode vóór de uitspraak ligt niet evident, maar voor de toekomst is de juridische basis weggevallen voor de zuivere doorgifte. Aandacht blijft nodig wanneer het tehuis méér doet dan louter doorgeven: een eigen muziekprogramma, een wachtkamer-tv met geselecteerde inhoud, of een gemeenschappelijke streamingdienst kunnen wél een eigen mededeling aan het publiek opleveren.
Voor exploitanten van inrichtingen met “permanent” verblijf in bredere zin. Het arrest opent een redenering die ook van belang kan zijn voor andere settings met permanente bewoners: psychiatrische instellingen, instellingen voor personen met een beperking, beschut-wonen-formules en mogelijks studentenresidenties met een verblijf van een academiejaar of langer. Daar moet wel telkens concreet worden getoetst of het verblijf voldoende duurzaam is om als “privésfeer” te kwalificeren — kortverblijven en respijtformules vallen vermoedelijk buiten de redenering.
Voor hotel- en horeca-uitbaters. Het arrest verandert niets aan hun positie. De SGAE-lijn blijft onverkort gelden voor wie kortstondig verblijf aanbiedt. Ook apparthotels en gelijkaardige formules van kortverblijf blijven onder het regime van “mededeling aan het publiek” vallen, zoals het Hof in het Citadines-arrest van 11 april 2024 nog bevestigde.
Voor collectieve beheersorganisaties. Sabam en vergelijkbare organisaties zullen hun tariferingspraktijk voor woonzorgcentra moeten herbekijken. De uitspraak laat geen ruimte voor heffingen op de loutere doorgifte van het signaal naar de kamers. Bij gemengde tariefstructuren (gemeenschappelijke ruimten, eigen muziekuitzendingen, …) wordt het belang van een nauwkeurige tariefopbouw groter, omdat de zuivere kabeldoorgifte niet meer in de heffing kan worden vervat. Een revisie van de tarieven dringt zich op, zo niet vrijwillig, dan onder druk van geschillen.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Geldt dit arrest ook voor Belgische woonzorgcentra?
Ja. Art. 3, lid 1 van de richtlijn 2001/29 is integraal omgezet in het Belgische recht via art. XI.165, § 1 WER. Het begrip “mededeling aan het publiek” in het Belgische auteursrecht moet richtlijnconform — dus in lijn met de rechtspraak van het Hof — worden uitgelegd. De juridische lijn geldt dus rechtstreeks voor woonzorgcentra in België, en sluit bovendien aan bij een ouder Belgisch precedent uit 2000 waarin het Hof van Cassatie tot een gelijkaardig resultaat kwam.
Moet een woonzorgcentrum stoppen met Sabam-tarieven te betalen?
Niet automatisch. Veel woonzorgcentra hebben een globaal contract dat ook andere vormen van muziekgebruik omvat (bv. achtergrondmuziek in restaurants en gemeenschappelijke ruimten, eigen activiteiten met muziek). Dat luik blijft in beginsel licentieplichtig. Wel kan de tariefstructuur kritisch worden bekeken en kan een onderhandeling met Sabam worden geopend over een aangepast tarief dat de zuivere kabeldoorgifte uitsluit.
Wat als de bewoners de programma’s ook zonder de installatie van het tehuis zouden kunnen ontvangen?
Het Hof oordeelt uitdrukkelijk dat het voor de juridische beoordeling niet uitmaakt of de bewoners het signaal eventueel ook via de ether zouden kunnen ontvangen. Doorslaggevend is dat zij, als permanente bewoners, deel uitmaken van het publiek dat de rechthebbenden bij de oorspronkelijke uitzending al in aanmerking hebben genomen.
Conclusie
Het arrest van het Hof van Justitie bevestigt een onderscheid dat zich sinds het GEMA-arrest van juni 2024 ontwikkelt: de plaats van permanent verblijf is een privésfeer, en de bewoners ervan vormen geen nieuw publiek. Voor exploitanten van woonzorgcentra die enkel een ontvangen signaal doorzenden naar de kamers van hun bewoners, betekent dat het einde van de licentieverplichting voor die zuivere doorgifte. De redenering ligt bovendien in de lijn van een ouder arrest van het Hof van Cassatie uit 2000, dat tot eenzelfde resultaat kwam via de “familiekring” uitzondering die thans niet meer bestaat. Tegelijk blijft de SGAE-lijn voor hotels, horeca en kortverblijfformules onverkort overeind. De grens loopt voortaan langs de aard van het verblijf — permanent en privé, of tijdelijk en publiek — en niet langer enkel langs de aard van de tussenkomst.



