Mag een extreemrechts blad een kinderboekfiguur op zijn cover zetten als ‘parodie’?

Neen. De voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel oordeelde zoals in kort geding op 28 mei 2025 dat een blad dat de cover van een bekend kinderboek bijna identiek overnam en er zijn eigen titel op plakte, geen geldige parodie maakt en bovendien het moreel recht van de auteurs schendt. De zaak draaide om weekblad Rivarol, dat een omslag van de reeks “Martine” (uitgegeven door Casterman) hertekende tot “Martine lit Rivarol”. De rechter beval de staking onder verbeurte van een dwangsom.

De feiten

Casterman geeft al meer dan zeventig jaar de reeks “Martine” uit, geschreven door Gilbert Delahaye en getekend door Marcel Marlier. De erfgenamen van beide auteurs, overleden in 1997 en 2011, treden mee op als eisers en houden de morele rechten op het werk. Dat “Martine” een oorspronkelijk en auteursrechtelijk beschermd werk is, wordt door geen van de partijen betwist.

Rivarol is een Frans weekblad, uitgegeven door Éditions Les Tuileries, bekend om zijn radicaal extreemrechtse en haatdragende standpunten. In het nummer van 31 januari 2024 nam het blad een gewijzigde “Martine”-cover over, waarbij enkel de oorspronkelijke titel werd vervangen door “Martine lit Rivarol”. De afbeelding dook op 3 februari 2024 ook op in de Franse televisie-uitzending “Star Academy” op TF1, waar een danseres het exemplaar in handen hield.

De eisers dagvaardden Éditions Les Tuileries op 9 januari 2025 om de inbreuk te laten vaststellen en te doen staken. De uitgever dagvaardde op haar beurt productiehuis Endemol, producent van “Star Academy”, in gedwongen tussenkomst en vrijwaring.

De beslissing

Het procesbelang blijft actueel

De uitgever wierp op dat de vordering laattijdig was: de publicatie dateerde van januari 2024, de dagvaarding van een jaar later, zodat het belang niet langer “actueel” zou zijn. Bovendien had zij het nummer uit de onlineverkoop gehaald, waardoor de vordering haar voorwerp zou hebben verloren.

De rechter verwerpt beide argumenten. Op grond van de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.) worden hoedanigheid en belang beoordeeld op het ogenblik van de instelling van de vordering, en een stakingsvordering kent geen urgentievereiste, zodat geen termijn de eisers bond. Beslissend is dat het uit de handel nemen geen voldoende waarborg vormt dat elk herhalingsrisico objectief is uitgesloten: dat risico verdwijnt pas wanneer de verweerder de gewraakte handeling niet meer kán herhalen. Aangezien Éditions Les Tuileries de afbeelding opnieuw kon publiceren of het nummer terug online kon plaatsen, bleef het belang actueel en was de vordering ontvankelijk.

Geen geldige parodie

Ten gronde beriep de uitgever zich op de parodie-uitzondering van art. XI.190, 10° Wetboek van Economisch Recht (WER), dat de auteur belet zich te verzetten tegen “een karikatuur, een parodie of een pastiche, rekening houdend met de eerlijke gebruiken”. De rechter toetst de publicatie aan een reeks cumulatieve voorwaarden uit de Belgische rechtsleer: de parodie moet een kritische functie hebben tegenover het werk waarmee de spot wordt gedreven, zelf een oorspronkelijk werk zijn met een persoonlijke stempel, voldoende afstand nemen van het origineel, een humoristisch oogmerk hebben en niet meer elementen overnemen dan strikt noodzakelijk.

De cover van Rivarol slaagt op geen van deze punten. Zij heeft geen kritische functie tegenover “Martine” maar een louter promotioneel doel voor het blad zelf. Zij is geen oorspronkelijk werk, want vrijwel alle elementen van de oorspronkelijke cover werden quasi identiek overgenomen, met wijziging enkel van de titel, het gelezen album, de uitgeversnaam en het albumnummer. Daardoor neemt de publicatie de tekening over zoals zij in het origineel verschijnt en ontstaat verwarringsgevaar bij het publiek. Ten slotte ziet de rechter geen humoristisch oogmerk: een op jongeren gericht personage afbeelden in een extremistisch georiënteerd universum is op zich niet humoristisch, ook niet voor een specifiek lezerspubliek. De verwijzing naar de cartoons van Charlie Hebdo wijst de rechter af als irrelevant, omdat het daar om oorspronkelijke werken en om expressievrijheid ging, niet om een ongeoorloofde reproductie.

Aantasting van het moreel recht en staking

Bij gebreke aan parodie is de reproductie ongeoorloofd. Daarbovenop oordeelt de rechter dat de uitgever het moreel integriteitsrecht van art. XI.165, § 2 WER heeft geschonden: door het werk te associëren met een ideologie die de eisers zeggen af te keuren, is afbreuk gedaan aan de integriteit, de eer en de goede naam van de auteurs. De staking wordt bevolen op grond van art. XVII.14 WER, gekoppeld aan een dwangsom van 50.000 EUR per inbreuk met een maximum van 200.000 EUR. Die maatregel is geen censuur: de expressievrijheid mag in dit geval de bescherming van het auteursrecht niet in de weg staan. De gedwongen tussenkomst tegen Endemol wordt ongegrond verklaard, en Éditions Les Tuileries wordt wegens een tergende tussenvordering veroordeeld tot een schadevergoeding aan Endemol.

Juridische analyse en duiding

De rechter past een toets toe die het Hof van Justitie al in 2014 verwierp

De opmerkelijkste vaststelling is wat in het vonnis ontbreekt. De rechter toetst de parodie aan een lijst van vijf à zes cumulatieve voorwaarden uit oudere Belgische rechtsleer, waaronder de eis dat de parodie zelf een oorspronkelijk werk moet zijn met een persoonlijke stempel. Net die benadering heeft het Hof van Justitie in het Deckmyn-arrest uitdrukkelijk verworpen. Het Hof oordeelde dat “parodie” een autonoom Unierechtelijk begrip is met slechts twee wezenlijke kenmerken: een bestaand werk nabootsen met duidelijke verschillen, en aan humor doen of de spot drijven. Een parodie hoeft volgens het Hof juist géén eigen oorspronkelijk karakter te vertonen, behalve dan de duidelijke verschillen met het geparodieerde werk.

Dat de rechtbank Deckmyn niet vermeldt, is geen detail. Het vonnis bouwt zijn motivering rond precies de voorwaarde die het Hof als onverenigbaar met het Unierecht beschouwt.

De uitkomst was met de Deckmyn-toets vermoedelijk dezelfde geweest

Toch is de kans groot dat een Deckmyn-conforme toets tot hetzelfde resultaat had geleid, langs een andere weg. Deckmyn vereist nabootsing mét duidelijke verschillen; hier was de cover quasi identiek, zodat het onderscheidende element ontbrak. Deckmyn vereist een humoristisch of spottend karakter; de rechter stelde vast dat dit ontbrak. En Deckmyn voorzag uitdrukkelijk dat de rechthebbende er een rechtmatig belang bij heeft niet geassocieerd te worden met een discriminerende of haatdragende boodschap, wat hier de kern van de zaak vormt. De zwakte van het vonnis zit dus niet in de uitkomst maar in de gekozen redenering: een correcte toepassing van het Unierechtelijke kader had dezelfde staking gedragen, met een steviger fundament.

De samenloop van vermogensrecht en moreel recht

Het vonnis illustreert dat een ongeoorloofde reproductie en een aantasting van het moreel integriteitsrecht naast elkaar kunnen bestaan. De parodie-uitzondering, ook al was zij hier van toepassing geweest, dekt bovendien geen schending van het moreel recht: het recht van de auteur om zich te verzetten tegen elke wijziging die zijn eer of reputatie schaadt, blijft overeind ongeacht de exceptie. De associatie van een kindvriendelijk werk met een extremistisch blad raakt de persoonlijkheidsdimensie van het auteursrecht, die losstaat van het loutere exploitatiemonopolie.

Wat betekent dit concreet?

Voor auteurs en uitgevers van bekende beeldwerken. Wie merkt dat zijn werk wordt overgenomen in een context die zijn reputatie schaadt, beschikt over een dubbel wapen: de vermogensrechtelijke inbreuk én de aantasting van het moreel integriteitsrecht. Het loutere uit de handel nemen door de inbreukmaker laat het procesbelang onverlet, zolang herhaling niet objectief uitgesloten is. Een stakingsvordering blijft dus zinvol, ook een jaar na de feiten, en kan worden gekoppeld aan een dwangsom.

Voor wie zich op de parodie-uitzondering wil beroepen. De drempel ligt hoog. Een quasi identieke overname met enkel een gewijzigde titel haalt het niet: er moet werkelijke nabootsing mét duidelijke verschillen zijn, een humoristisch of spottend oogmerk, en geen verwarringsgevaar. Een louter promotioneel of commercieel doel ondergraaft de exceptie. En zelfs een geslaagde parodie biedt geen vrijgeleide wanneer het gebruik het moreel recht van de auteur aantast, bijvoorbeeld door associatie met een verwerpelijke boodschap.

Voor procespartijen. Wie een derde in gedwongen tussenkomst betrekt, doet er goed aan de aansprakelijkheidsgrond ernstig te toetsen. Het lichtzinnig dagvaarden van een partij die manifest geen rol speelde in de inbreuk, kan uitmonden in een veroordeling wegens tergend en roekeloos geding en een verhoogde rechtsplegingsvergoeding.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Mag ik een bekend stripfiguur of kinderboekfiguur gebruiken voor een parodie?
Dat kan, maar binnen strikte grenzen. Het Hof van Justitie aanvaardt parodie wanneer een bestaand werk wordt nagebootst met duidelijke verschillen en er aan humor wordt gedaan of de spot wordt gedreven. Een bijna identieke overname zonder humoristisch oogmerk valt buiten de uitzondering en blijft een inbreuk.

Kan een auteur optreden tegen het gebruik van zijn werk in een politiek of ideologisch kader dat hij afkeurt?
Ja. Naast het vermogensrechtelijke verbod beschikt de auteur over een moreel integriteitsrecht dat hem toelaat zich te verzetten tegen wijzigingen of associaties die zijn eer of reputatie schaden. Dat recht blijft bestaan ook wanneer een exceptie zoals parodie zou spelen.

Is een stakingsvordering nog mogelijk lang na de publicatie?
Ja. Hoedanigheid en belang worden beoordeeld op het ogenblik van de dagvaarding, en een stakingsvordering kent geen urgentievereiste. Zolang de inbreukmaker de handeling kan herhalen, blijft het belang actueel, ook al werd de publicatie intussen uit de handel genomen.

Conclusie

Het vonnis bevestigt dat de parodie-uitzondering in het Belgische auteursrecht een hoge drempel kent en dat een quasi identieke overname van een beschermd werk, zeker in een reputatieschadende context, daarbuiten valt en bovendien het moreel recht van de auteur schendt. De zwakte zit niet in de uitkomst maar in de motivering, die de Europese Deckmyn-rechtspraak onvermeld laat.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics