Lijdt een bedrijf reputatieschade wanneer zijn beelden zonder licentie worden vertoond?

Wie in een café een voetbalwedstrijd op een groot scherm laat zien zonder de vereiste licentie, pleegt een inbreuk op de rechten van de rechthebbende op de beelden. Maar heeft die rechthebbende dan ook automatisch recht op een vergoeding voor reputatieschade? In een arrest van 27 mei 2026 antwoordt het hof van beroep te Antwerpen ontkennend: een commerciële vennootschap die haar eigen, ongewijzigde beelden ziet vertonen, lijdt in de regel geen morele schade. Reputatieschade is geen automatisme, maar moet in concreto bewezen worden.

De feiten

The 12th Player, een vennootschap die stelt de naburige rechten op de televisie-uitzendingen van de Jupiler Pro League te bezitten, verweet een Antwerpse café-uitbater dat die wedstrijden had vertoond zonder een B2B-licentie te hebben genomen. De rechthebbende steunde op twee vaststellingen: een eigen vaststelling door een aangestelde van Eleven Sports op 28 april 2024, en een vaststelling door een gerechtsdeurwaarder op 4 augustus 2024.

In eerste aanleg wees de ondernemingsrechtbank Antwerpen de vordering af. Volgens de eerste rechter was niet bewezen dat er een mededeling aan het publiek had plaatsgevonden: er kon niet worden vastgesteld dat ook maar één persoon naar het scherm keek. Tegen dat vonnis stelde de rechthebbende hoger beroep in. Omdat de rechten sinds 1 juli 2025 bij een andere houder liggen, vorderde zij in beroep geen stakingsmaatregelen meer, maar enkel schadevergoeding voor de vastgestelde inbreuk.

De beslissing

Het hof hervormt het bestreden vonnis en stelt vast dat de café-uitbater wel degelijk één inbreuk pleegde. Op drie punten wijkt het af van de eerste rechter.

Vooreerst geeft het hof een ruime invulling aan het begrip mededeling aan het publiek. Verwijzend naar de rechtspraak van het Hof van Justitie oordeelt het dat het publiek niet enkel bestaat uit de klanten die effectief kijken, maar uit elke persoon die vrij het café kan binnenwandelen. In dit geval was er zelfs geen sprake van een louter potentieel publiek: op de foto in het proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder zijn kijkende personen zichtbaar, en de gerechtsdeurwaarder kon de zaak zelf betreden. De intentie van de uitbater, die aanvoerde dat hij enkel zijn nieuwe installatie testte, is volgens het hof niet relevant voor de beoordeling van de inbreuk.

Wat het bewijs betreft, maakt het hof een scherp onderscheid tussen de twee vaststellingen. De eigen vaststelling van de aangestelde van de rechthebbende wordt verworpen: die werd niet verricht door een beëdigd persoon en kan daarom niet als zuiver objectief gelden. De vaststelling van de gerechtsdeurwaarder daarentegen is neergelegd in een proces-verbaal met authentieke bewijswaarde krachtens art. 8.17 Burgerlijk Wetboek, en levert wel het bewijs van één inbreuk op 4 augustus 2024.

Vervolgens begroot het hof de schade. Op grond van art. XI.335, § 1 Wetboek van Economisch Recht heeft de benadeelde recht op vergoeding van alle schade die hij door de inbreuk lijdt; art. XI.335, § 2 laat toe die schade forfaitair te begroten wanneer de omvang niet anders bepaald kan worden. De schade omvat klassiek de gederfde winst en het geleden verlies. De gederfde winst bestaat in de misgelopen licentievergoeding, hier beperkt tot één maand aan het toepasselijke tarief van 84,99 euro, nu slechts één inbreuk bewezen is. Het geleden verlies omvat de kosten van de gerechtsdeurwaarder (375 euro) en een ex aequo et bono begrote vergoeding voor interne opvolging, die van 1.000 euro tot 500 euro wordt herleid gelet op de professionele organisatie van de rechthebbende.

De gevorderde vergoeding voor reputatieschade wijst het hof af. Voor een vennootschap met een commercieel doel is mogelijke schade volgens het hof uitsluitend economisch van aard en kan zij zich enkel vertalen in een te bewijzen daling van de winst. Bovendien wordt de reputatieschade niet aangetoond.

Juridische analyse en duiding

Waarom de aansprakelijkheid op de naburige rechten steunt, niet op het auteursrecht van de wedstrijd

De rechthebbende steunde zowel op auteurs- als naburige rechten, en de café-uitbater betwistte de beschermbaarheid niet. Toch verdient het onderscheid aandacht. Het Hof van Justitie oordeelde in FAPL/Murphy dat een voetbalwedstrijd als zodanig geen auteursrechtelijk werk is, omdat zij niet de eigen intellectuele schepping van een auteur vormt. Enkel bijkomende elementen zoals de openingsvideo, de hymne of de graphics kunnen als werk worden beschermd. De stevigste bescherming voor de exploitant van live sportbeelden ligt dan ook niet in het auteursrecht op de wedstrijd zelf, maar in het naburig recht van de producent van de eerste vastlegging van films. Dat het hof beide grondslagen samen aanhoudt zonder ze te ontrafelen, is in deze zaak zonder gevolg omdat de bescherming onbetwist bleef, maar het illustreert dat de kwalificatie in een betwiste zaak wel het verschil kan maken.

Een daadwerkelijk publiek maakt de discussie over het potentieel publiek overbodig

De eerste rechter had de vordering afgewezen omdat niet vaststond dat iemand keek. Die redenering miskent de vaste lijn van het Hof van Justitie, dat het begrip mededeling aan het publiek ruim uitlegt om een hoog beschermingsniveau te verzekeren. Reeds in SGAE/Rafael Hoteles aanvaardde het Hof dat ook potentiële kijkers meetellen, en in ITV Broadcasting verduidelijkte het dat het moet gaan om een vrij groot aantal personen. Het hof van beroep hoefde die discussie in casu niet te beslechten: de gerechtsdeurwaarder stelde effectief kijkende personen vast, zodat er een daadwerkelijk en geen louter potentieel publiek was. De vaststelling dat het publiek ook wie vrij kan binnenwandelen omvat, ligt volledig in lijn met de horeca-rechtspraak van het Hof en behoeft geen verdere motivering.

Geen principiële uitsluiting van morele schade voor commerciële vennootschappen

Een opmerkelijk onderdeel is de afwijzing van de reputatieschade. De formulering van het hof, dat schade bij een commerciële vennootschap uitsluitend economisch van aard is, mag niet als een absolute regel worden gelezen. Het Hof van Justitie oordeelde in Liffers dat een schadevergoeding op basis van de hypothetische licentievergoeding een aparte vergoeding voor morele schade niet uitsluit. Ook commerciële vennootschappen kunnen dus in beginsel niet-economische schade lijden.

De afwijzing steunt hier op de concrete omstandigheden. Anders dan bij klassieke namaak, waar reputatieschade kan ontstaan doordat namaakproducten van inferieure kwaliteit zijn, werd in dit geval de authentieke, ongewijzigde uitzending vertoond. De reputatie van de rechthebbende wordt daardoor niet aangetast: de eindklant ziet immers het echte product. Het hof sluit evenwel niet uit dat in vergelijkbare gevallen wél reputatieschade ontstaat, bijvoorbeeld wanneer een uitzending in een ongepaste context wordt getoond. Steeds geldt echter dat de morele schade bewezen moet worden en niet uit de inbreuk zelf mag worden afgeleid.

Wat betekent dit concreet?

Voor exploitanten van audiovisuele rechten. Wie live sportbeelden of andere uitzendingen exploiteert en inbreuken wil verhalen, doet er goed aan de vaststelling door een gerechtsdeurwaarder te laten verrichten. Een eigen vaststelling door een niet-beëdigde aangestelde wordt niet als objectief bewijs aanvaard, en de kosten ervan zijn dus ook niet verhaalbaar. Even belangrijk is dat de schade wordt onderbouwd per bewezen inbreuk: één vastgestelde vertoning levert één maand licentievergoeding op, niet een geëxtrapoleerd bedrag over meerdere maanden bij gebrek aan verdere vaststellingen. Wie interne opvolgingskosten of reputatieschade vordert, moet die concreet aantonen; een routineuze, professioneel georganiseerde inbreukbestrijding leidt tot een matiging van de forfaitaire vergoeding.

Voor horeca-uitbaters. Het vertonen van betaalvoetbal op een publiek toegankelijk scherm zonder B2B-licentie vormt een inbreuk, ook bij een eenmalige vertoning en ongeacht hoeveel klanten effectief kijken. Het argument dat men enkel de installatie testte of niet op de hoogte was van de licentieplicht, wordt niet aanvaard: de intentie is irrelevant en, gelet op de ruime media-aandacht rond de invoering van de licenties, kan onwetendheid bezwaarlijk worden ingeroepen. Wie zich verweert, heeft er wel belang bij de bewijswaarde van de aangevoerde stukken kritisch te toetsen, zoals hier met succes gebeurde voor de niet-beëdigde vaststelling en de niet-aangetekende brieven.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Mag een café een voetbalwedstrijd tonen zonder licentie als er niemand kijkt?
Nee. Zodra de wedstrijd op een scherm in de publiek toegankelijke ruimte te zien is, is er een mededeling aan het publiek, ook al kijkt op dat ogenblik niemand. Het volstaat dat klanten of voorbijgangers vrij kunnen binnenkomen en zouden kunnen kijken.

Krijgt een rechthebbende automatisch een vergoeding voor reputatieschade bij een inbreuk?
Nee. Reputatieschade wordt niet vermoed. Zeker wanneer de authentieke, ongewijzigde beelden worden vertoond, is aantasting van de reputatie niet evident. De rechthebbende moet de morele schade concreet bewijzen.

Welk bewijs van een inbreuk aanvaardt de rechter?
Een vaststelling door een gerechtsdeurwaarder, neergelegd in een proces-verbaal, heeft authentieke bewijswaarde. Een eigen vaststelling door een niet-beëdigde aangestelde van de rechthebbende wordt niet als objectief bewijs aanvaard.

Conclusie

Het arrest bevestigt twee bekende principes en nuanceert een derde. De mededeling aan het publiek wordt ruim ingevuld en omvat ook wie vrij kan binnenwandelen; de vaststelling door een gerechtsdeurwaarder blijft het bewijsmiddel bij uitstek; en reputatieschade voor een commerciële vennootschap is geen automatisme, maar moet in concreto worden aangetoond. De afwijzing van de morele schade steunt op de vaststelling dat de authentieke beelden werden getoond, en mag niet als een principiële uitsluiting worden gelezen. De les voor rechthebbenden is dat een goed onderbouwd, per inbreuk bewezen dossier meer oplevert dan een ruime, geëxtrapoleerde vordering.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics