Een oppositiepoliticus die in een radio-interview de op handen zijnde privatisering van een beursgenoteerd overheidsbedrijf onthult: schendt hij daarmee het verbod op het meedelen van voorkennis? In het arrest van 18 juni 2026 oordeelt het Hof van Justitie (C-376/24) dat dit niet noodzakelijk het geval is. De openbaarmaking van voorkennis in de media door een politicus kan vallen onder de normale uitoefening van zijn functie en onder de bescherming van de persvrijheid, op voorwaarde dat zij noodzakelijk en evenredig is. De zaak draait om de Belgische ex-minister Labille, die in 2016 de verkoop van een deel van het staatsbelang in Bpost aan PostNL bekendmaakte.
De feiten
Jean-Pascal Labille was van januari 2013 tot oktober 2014 minister van Overheidsbedrijven in de federale regering. Na de verkiezingen van mei 2014 belandde zijn partij in de oppositie. In mei 2016 maakte de wet van 16 december 2015 de privatisering van beursgenoteerde overheidsbedrijven zoals Bpost juridisch mogelijk, en op 11 mei 2016 werden de statuten van Bpost daartoe aangepast.
Op 27 mei 2016 verklaarde Labille tijdens een radioprogramma van de RTBF dat Bpost op zeer korte termijn haar statuut van overheidsbedrijf zou verliezen en dat de staat een deel van zijn aandelen zou verkopen, en dat dit “echt een kwestie van uren” was. Hij voegde eraan toe dat werd onderhandeld over de verkoop van tien procent van de aandelen aan het Nederlandse PostNL. Diezelfde dag bevestigde en verfijnde hij die informatie tegenover lavenir.net en Le Soir.
Op dat ogenblik liepen er vertrouwelijke onderhandelingen met PostNL en stond een persbericht over de afronding gepland voor 6 juni 2016. Na de verklaringen van Labille vroeg Bpost de schorsing van de handel in haar aandeel; de onderhandelingen vielen stil en de fusie ging niet door. De sanctiecommissie van de FSMA legde Labille bij beslissing van 11 mei 2023 een administratieve geldboete van 12 500 EUR op wegens schending van artikel 25, § 1, 1°, b) van de wet van 2 augustus 2002. Labille tekende beroep aan bij het hof van beroep Brussel, dat twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie voorlegde.
De beslissing
Het Hof herformuleert beide vragen en behandelt ze samen. Het toepasselijke recht is in beginsel artikel 3, onder a), van Richtlijn 2003/6, dat van kracht was ten tijde van de feiten en inhoudelijk overeenstemt met artikel 10, lid 1, van de Verordening marktmisbruik. Of de gunstigere regeling van artikel 21 van die verordening met terugwerkende kracht geldt (lex mitior, art. 49, lid 1, Handvest), hangt af van de uitlegging van dat artikel zelf en behoort tot het onderzoek ten gronde.
Het uitgangspunt is dat de uitzondering op het verbod, namelijk de mededeling “in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie”, restrictief moet worden uitgelegd. Zij vereist een nauw verband tussen de openbaarmaking en die normale uitoefening, en is slechts gerechtvaardigd wanneer de mededeling strikt noodzakelijk is en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt.
Toch sluit het Hof niet uit dat de openbaarmaking door een politicus onder die normale uitoefening valt. Dat is met name het geval wanneer een actief en invloedrijk lid van een oppositiepartij, los van parlementaire functies, het regeringsbeleid wil aanvechten en de belangen van een deel van het electoraat wil verdedigen door hun standpunten in het publieke debat te brengen.
Vervolgens oordeelt het Hof dat artikel 21 van de verordening van toepassing kan zijn op een openbaarmaking door een politicus. De woorden “andere uitdrukkingsvormen in de media” zien in algemene zin op de verspreiding van informatie in de media en zijn niet beperkt tot journalisten. Gelet op het belang van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting moeten de begrippen “journalistieke doeleinden” en “andere uitdrukkingsvormen in de media” ruim worden uitgelegd.
De toepassing van artikel 21 hangt wel af van twee negatieve voorwaarden: de betrokkene of nauw verbonden personen mogen geen voordeel of winst behalen, en de openbaarmaking mag niet bedoeld zijn om de markt te misleiden. Het Hof verduidelijkt dat het voordeel in beginsel economisch van aard moet zijn; een louter politiek voordeel telt niet mee. De verwijzende rechter stelde vast dat Labille geen voordeel behaalde en niet de bedoeling had de markt te misleiden.
Het Hof besluit dat artikel 3, onder a), van Richtlijn 2003/6, artikel 10, lid 1, en artikel 21 van Verordening nr. 596/2014, gelezen in het licht van de artikelen 11 en 52 van het Handvest, artikel 10 EVRM en het gelijkheidsbeginsel, zo moeten worden uitgelegd dat de openbaarmaking onder de normale uitoefening van de functie van de politicus kan vallen, voor zover zij noodzakelijk is en strookt met het evenredigheidsbeginsel. De concrete toetsing daarvan komt toe aan de verwijzende rechter.
Juridische analyse en duiding
Het Hof bouwt voort op het arrest Autorité des marchés financiers, maar verlegt de grens
Het arrest is de logische uitbreiding van het Autorité des marchés financiers arrest, waarin het Hof in 2022 oordeelde dat de mededeling van voorkennis voor journalistieke doeleinden niet wederrechtelijk is wanneer zij noodzakelijk en evenredig is. Waar dat arrest een journalist betrof, gaat het nu om een politicus. De redenering is parallel: het vereiste van een nauw verband krijgt bijzondere kenmerken door de aard van de openbaarmaking en wordt gekleurd door de grondrechtelijke context.
De kern van de uitbreiding zit in de lezing van “andere uitdrukkingsvormen in de media” als een objectief, niet subjectief criterium. Beschermd is de verspreiding van informatie in de media als zodanig, ongeacht of zij van een journalist of van iemand anders uitgaat. Die objectieve lezing sluit aan bij de ruime invulling die het Hof eerder gaf aan het begrip journalistieke activiteit in de gegevensbeschermingscontext, en bij de rechtspraak van het EHRM die erkent dat het platform voor publiek debat niet tot de reguliere pers beperkt is.
De economische lezing van “voordeel” is de scharnier van het arrest
De meest betekenisvolle verduidelijking betreft de eerste negatieve voorwaarde van artikel 21. Het Hof beperkt het begrip “voordeel of winst” tot een economisch voordeel, dat de vermogenssituatie van de verspreider of nauw verbonden personen positief beïnvloedt. Een politiek rendement, zoals het electorale gewin van een succesvolle oppositiecampagne, valt er uitdrukkelijk buiten.
Die afbakening is beslissend. Zou ook politiek voordeel meetellen, dan zou de uitzondering nagenoeg leeglopen, want vrijwel elke politieke uiting levert enig onrechtstreeks politiek gewin op. De advocaat-generaal had op dit punt al gewaarschuwd dat een andere lezing de werkingssfeer van de uitzondering aanzienlijk zou inperken. Het Hof volgt die lijn en verankert ze in overweging 23 van de verordening, die het oneerlijke voordeel koppelt aan markttransacties.
De noodzakelijkheidstoets blijft de zwakke plek voor de betrokkene
De erkenning in beginsel mag niet verhullen dat de feitelijke uitkomst onzeker blijft. Het Hof reikt de verwijzende rechter expliciet tegenargumenten aan: in België had al een debat over privatisering plaatsgevonden bij de wet van 16 december 2015, en een persbericht over de afronding stond gepland voor 6 juni 2016. De rechter moet nagaan of de onthulling, met concrete details over de partijen en het resterende staatsbelang, wel het meest geschikte middel was om het publiek te informeren.
Hier wringt het. De boodschap van Labille was juist tijdkritisch: de transactie kon nog worden tegengehouden. Een algemeen heropend debat zou niet hetzelfde effect hebben gehad als de onthulling dat de regering op zeer korte termijn tot privatisering zou besluiten. De advocaat-generaal achtte de verspreiding dan ook noodzakelijk. Het Hof laat die afweging echter volledig over aan de feitenrechter, wat de uitkomst voor de betrokkene allerminst verzekert.
Wat betekent dit concreet?
Voor politici Een oppositiepoliticus kan zich op de uitzondering van de Verordening marktmisbruik beroepen wanneer hij in de media koersgevoelige informatie deelt om een debat van algemeen belang aan te zwengelen. Beslissend is dat hij geen economisch voordeel haalt en de markt niet wil misleiden. Het loont om bij een gevoelige onthulling vooraf vast te leggen welk publiek belang ermee wordt gediend en waarom de mediaweg het meest geschikte kanaal is, want net op dat noodzakelijkheidspunt zal de toezichthouder de tegenaanval inzetten.
Voor emittenten en hun bestuurders. Het arrest beschermt de spreker, niet de onderneming. Een beursgenoteerde vennootschap die te maken krijgt met een externe onthulling van een lopende transactie behoudt haar eigen instrumenten: de aanvraag tot schorsing van de notering en, in voorkomend geval, de openbaarmaking van de voorkennis. Wie als bestuurder of insider zelf gevoelige informatie deelt buiten de strikt functionele kring, blijft volledig onder het verbod vallen.
Voor de FSMA en andere toezichthouders. De sanctiepraktijk verschuift naar een grondrechtelijke evenredigheidstoets. Een boete voor het meedelen van voorkennis in een politieke of mediacontext zal moeten worden gemotiveerd vanuit de afweging tussen de marktintegriteit en de vrijheid van meningsuiting, met bijzondere terughoudendheid wanneer het gaat om politieke uitingen over kwesties van algemeen belang.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Mag een gewone burger voorkennis delen omdat hij een maatschappelijk debat wil voeren?
Niet zonder meer. De uitzondering vereist een nauw verband met de normale uitoefening van werk, beroep of functie. Het Hof beoordeelt de rol en functie van de spreker per geval. De bescherming geldt dus niet voor iedereen die zich op het publiek belang beroept, maar wordt concreet getoetst aan de positie van de betrokkene en aan de noodzakelijkheid en evenredigheid van de mededeling.
Telt een politiek voordeel mee als verboden “voordeel” onder de Verordening marktmisbruik?
Neen. Het Hof beperkt het begrip voordeel of winst tot een economisch voordeel dat de vermogenssituatie van de spreker of nauw verbonden personen positief beïnvloedt. Een louter politiek of electoraal gewin valt buiten die voorwaarde en sluit de bescherming dus niet uit.
Beschermt dit arrest ook andere niet-journalisten, zoals deskundigen of commentatoren?
Het arrest spreekt van “andere uitdrukkingsvormen in de media” in objectieve zin, los van de hoedanigheid van de spreker. De bescherming kan dus in beginsel ook gelden voor deskundigen of commentatoren die in de media informatie van algemeen belang verspreiden, telkens onder dezelfde voorwaarden van noodzakelijkheid en evenredigheid.
Conclusie
Het Hof van Justitie erkent dat de openbaarmaking van voorwetenschap door een politicus in de media kan ontsnappen aan het verbod, wanneer zij past binnen de normale uitoefening van zijn functie en de persvrijheid daarom verlangt. De economische lezing van het begrip voordeel en de ruime, objectieve uitlegging van “andere uitdrukkingsvormen in de media” verruimen de bescherming gevoelig. Tegelijk verschuift het zwaartepunt naar de feitelijke noodzakelijkheids- en evenredigheidstoets, die de verwijzende rechter moet voeren en die de uitkomst voor de betrokkene ongewis laat.



