Een tekening die een wereldberoemd strippersonage bijna identiek overneemt en in een nazi-uniform steekt, is geen parodie in de zin van het auteursrecht. Dat oordeelde de voorzitter van de Franstalige ondernemingsrechtbank in Brussel op 8 oktober 2025 in een zaak waarin de rechthebbenden op het werk van Hergé optraden tegen een extreemrechts weekblad en een tekenaar die figuren uit De avonturen van Kuifje hadden gebruikt om hun ideeën te illustreren. De rechter wees zowel de parodie- als de actualiteitsuitzondering af en stelde bovendien een aantasting van het moreel recht op integriteit vast.
De feiten
De rechthebbenden op het oeuvre van Hergé, waaronder de reeks De avonturen van Kuifje, stelden een vordering tot staking in tegen de uitgever van het Franse weekblad Rivarol en tegen een tekenaar die onder een pseudoniem zowel in dat blad als op sociale media publiceerde.
Drie publicaties stonden centraal. In maart 2021 verspreidde de tekenaar via X een afbeelding van een personage dat trekje voor trekje op Kuifje lijkt, maar het nazi-uniform van Léon Degrelle draagt, met als bijschrift de hashtags die uitdrukkelijk naar Degrelle, Kuifje en Hergé verwezen. In februari 2023 nam Rivarol vier prentjes uit het album De Zwarte Rotsen over ter illustratie van een artikel. In maart 2023 publiceerde het blad nog een prentje bij een artikel over de veertigste verjaardag van het overlijden van Hergé.



De verweerders beriepen zich op verschillende uitzonderingen: de parodie, de actualiteit, de zogenaamde politieke karikatuur en het loutere overnemen van de stijl van de klare lijn. De rechthebbenden vorderden de staking van elke verdere verspreiding, versterkt met een dwangsom.
De beslissing
De voorzitter stelde voorop dat het geschil uitsluitend het auteursrecht betreft, niet het persrecht. Vast stond dat De avonturen van Kuifje een auteursrechtelijk beschermd werk is, dat de eisers de rechthebbenden zijn en dat zij geen toestemming hadden gegeven. Het debat spitste zich dus toe op de vraag of de verweerders een uitzondering konden inroepen.
Parodie
De rechter beoordeelde de parodie (art. XI.190, 10° Wetboek van Economisch Recht (WER)), aan de hand van de twee voorwaarden uit het arrest Deckmyn van het Hof van Justitie: de tweede creatie moet merkbaar verschillen van het bestaande werk en moet uiting geven aan humor of spot. Aan beide voorwaarden was niet voldaan. De overname van de vier prentjes was een slaafse reproductie, waarbij enkel de tekst werd gewijzigd en de tekening ongewijzigd bleef. Een voldoende onderscheid, een individualisering van het tweede werk, ontbrak manifest. Het argument dat dit onderscheid alleen al volgde uit de extreemrechtse context van het blad waarin de tekening verscheen, verwierp de rechter: dat zou erop neerkomen dat het blad wegens zijn redactionele lijn ontslagen zou zijn van de plicht om het auteursrecht te eerbiedigen. Bovendien ontbrak elke humor of spot; de prentjes met Kuifje hadden louter een illustratieve functie zonder verband met het artikel.
Stijl, karikatuur en pastiche
Ook de overige door de tekenaar ingeroepen verweren faalden. Een uitzondering voor politieke satire of voor het behoren tot het publieke domein van de geschiedenis bestaat niet in de wet. De karikatuur veronderstelt fysieke vervormingen en overdrijvingen, wat hier niet gebeurde. Het pastiche, dat de imitatie van een stijl beoogt, ging hier niet op: de publicatie ging verder dan het overnemen van de klare lijn, want zij toont een personage dat trek voor trek op Kuifje lijkt. De internetgebruiker kan daarin niet anders dan de beroemde reporter herkennen, zodat de afbeelding onmiskenbaar verwarring sticht.
Actualiteit
De actualiteitsuitzondering (art. XI.190, 1° WER) veronderstelt volgens de voorzitter dat het werk zelf het voorwerp van de actualiteit uitmaakt en dat de reproductie nodig is om te informeren over een onmiddellijke gebeurtenis. Beide publicaties betroffen een postuum eerbetoon dat zich elk jaar of decennium kan herhalen, geen dringende actualiteit. Bovendien is de herdachte gebeurtenis zelf geen beschermd werk. De uitzondering ging dus niet op.
Moreel recht
Ten overvloede stelde de rechter een aantasting van het moreel recht op integriteit vast (art. XI.165 §2 WER). De niet-toegelaten reproducties en de vervormingen van het werk om bladzijden met extreemrechtse ideeën te illustreren, brengen Kuifje in verband met racistische, fascistische en antisemitische uitlatingen. De rechthebbenden mogen zich tegen die associatie verzetten, ongeacht of enkel het specifieke lezerspubliek van het blad die associatie maakt.
De voorzitter beval de staking van elke verdere directe of indirecte exploitatie van de originele personages uit De avonturen van Kuifje, op straffe van een dwangsom van 50.000 EUR per inbreuk, met een maximum van 200.000 EUR.
Juridische analyse en duiding
Dezelfde rechtbank, twee tegengestelde methodes
De uitspraak is opvallend wanneer men ze naast een eerder vonnis van dezelfde Brusselse rechtbank uit 2025 legt. In die eerdere zaak — over de overname van een albumcover van Martine door datzelfde weekblad — toetste de rechter de parodie aan een reeks oudere, cumulatieve voorwaarden uit de Belgische rechtsleer, waaronder de eis dat de parodie zelf een origineel werk met een persoonlijke stempel moet zijn, zonder het arrest Deckmyn te vermelden. Net die benadering heeft het Hof van Justitie verworpen.
In het hier besproken vonnis kiest dezelfde rechtbank wél voor de Deckmyn-toets en houdt zij het strikt bij de twee Unierechtelijke voorwaarden. Dat is de juiste methode. Sinds Deckmyn is parodie een autonoom Unierechtelijk begrip dat niet mag worden aangevuld met nationale voorwaarden zoals de eis dat de parodie zelf oorspronkelijk zou moeten zijn. Dat dezelfde rechtbank binnen korte tijd beide methodes hanteert, illustreert hoe diep de oudere Belgische parodieleer nog verankerd zit en hoe wisselvallig de toepassing van Deckmyn in de feitenrechtspraak blijft.
De grens tussen werkbegrip en uitzondering
Bij de toepassing van de eerste Deckmyn-voorwaarde — het merkbare verschil — schuift de redenering dicht aan tegen de originaliteitstoets. De rechter stelt vast dat de overname een slaafse reproductie is en dat individualisering ontbreekt. Dat is correct, maar het verdient nuancering: het merkbare verschil van Deckmyn is geen originaliteitseis voor de parodie zelf, maar een vereiste dat de tweede creatie zich voldoende van het origineel losmaakt. Het Hof heeft in Deckmyn juist benadrukt dat de parodie geen eigen oorspronkelijk karakter hoeft te vertonen. De rechter blijft hier aan de goede kant van die lijn, maar de motivering had scherper kunnen maken dat het ontbrekende verschil niet wordt afgeleid uit een gebrek aan originaliteit, maar uit de bijna integrale overname.
Het rechtvaardig evenwicht en de vrije meningsuiting
Deckmyn vereist dat de toepassing van de parodie-uitzondering een rechtvaardig evenwicht eerbiedigt tussen de rechten van de auteur en de uitingsvrijheid van de gebruiker. De rechter behandelt de vrijheid van meningsuiting hier eerder als sluitstuk dan als afwegingskader: hij stelt dat de uitingsvrijheid niet toelaat om zonder toestemming beschermde werken te gebruiken. Dat is op zich juist, maar de redenering had aan kracht gewonnen door uitdrukkelijk de discriminerende boodschap mee te wegen. In Deckmyn erkende het Hof immers het belang van de rechthebbende om zijn werk niet met een discriminerende boodschap geassocieerd te zien. Die overweging sluit naadloos aan bij de vaststelling van de aantasting van het moreel recht, maar wordt in het vonnis niet expliciet aan Deckmyn gekoppeld.
Wat betekent dit concreet?
Voor auteurs en rechthebbenden. De uitspraak bevestigt dat de parodie-uitzondering een hoge drempel kent en dat een nagenoeg identieke overname van een beschermd werk, zeker in een context die de reputatie van de auteur schaadt, buiten die uitzondering valt. De vordering tot staking blijft bovendien mogelijk ook al dateren de publicaties van enkele jaren geleden: zolang een objectief risico op herhaling bestaat, is er een actueel belang. Het feit dat de inbreukmakende publicaties intussen offline zijn gehaald, neemt dat risico niet weg. Naast het vermogensrecht biedt het moreel recht op integriteit in het auteursrecht een zelfstandige grond om zich te verzetten tegen een associatie met gedachtegoed dat de auteur verwerpt.
Voor uitgevers en makers die zich op een uitzondering beroepen. Een redactionele of politieke context maakt een overname niet vanzelf tot parodie. Wie zich op de parodie wil beroepen, moet een merkbaar verschil met het origineel aantonen en een humoristische of spottende dimensie; het loutere overnemen van een stijl volstaat evenmin als die stijl zo wordt toegepast dat het oorspronkelijke personage herkenbaar blijft. De actualiteitsuitzondering kan zo gelezen worden dat het werk zelf het voorwerp van de actualiteit is, niet een verjaardag of herdenking. En een uitzondering biedt nooit dekking tegen een aantasting van het moreel recht.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Wanneer is iets een toegelaten parodie volgens het auteursrecht?
Sinds het arrest Deckmyn van het Hof van Justitie volstaan twee voorwaarden: de creatie moet merkbaar verschillen van het bestaande werk en moet uiting geven aan humor of spot. Oudere Belgische voorwaarden, zoals de eis dat de parodie zelf origineel zou moeten zijn, gelden niet meer. Wel moet de toepassing een rechtvaardig evenwicht eerbiedigen tussen het auteursrecht en de vrije meningsuiting.
Mag een tijdschrift een bekend stripfiguur overnemen om een artikel te illustreren?
Niet zonder toestemming van de rechthebbenden. Een illustratieve overname zonder humoristische of spottende dimensie en zonder merkbaar verschil met het origineel valt niet onder de parodie-uitzondering, en een verjaardag of herdenking volstaat niet voor de actualiteitsuitzondering.
Kan een auteur zich verzetten tegen het gebruik van zijn werk in een politieke context die hij afkeurt?
Ja. Naast de vermogensrechten beschikt de auteur over een onvervreemdbaar moreel recht op integriteit, dat hem toelaat zich te verzetten tegen elke aantasting van zijn werk die zijn eer of reputatie schaadt, waaronder een associatie met racistische, fascistische of antisemitische uitlatingen.
Conclusie
Deze beslissing bevestigt dat de parodie-uitzondering strikt wordt uitgelegd: een bijna identieke overname van een beschermd strippersonage, zonder merkbaar verschil en zonder humor of spot, is geen parodie, en een herdenking maakt nog geen actualiteit. Het moreel recht op integriteit biedt bovendien een zelfstandige bescherming tegen een associatie met gedachtegoed dat de auteur verwerpt. De kracht van de uitspraak ligt in de correcte toepassing van de Unierechtelijke Deckmyn-toets, waar een eerder vonnis van dezelfde rechtbank die net naliet.



