Volstaat de terugbetalingsplicht van de bank bij phishing om een kort geding te starten?

Wie slachtoffer wordt van een niet-toegestane betalingstransactie wil zijn geld snel terug, en wijst daarvoor op de wettelijke onmiddellijke terugbetalingsplicht van de bank. Maar opent die wettelijke onmiddellijkheid ook de deur van een kort geding procedure? Twee voorzitters van ondernemingsrechtbanken gaven binnen twee weken een tegengesteld antwoord: de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Antwerpen kende op 26 mei 2026 een terugbetaling van bijna 50.000 EUR toe, terwijl de voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel op 10 juni 2026 een terugbetalingsvordering van 238.281,38 EUR ongegrond verklaarde wegens gebrek aan spoedeisendheid. Hieronder leest u waar de breuklijn ligt.

De feiten

De zaak betrof een onderneming. Op 8 januari 2026 werd van haar betaalrekening 294.900 EUR gedebiteerd door wat zij als niet-toegestane betalingstransacties omschreef. Na een gedeeltelijke terugbetaling bleef 238.281,38 EUR openstaan. De onderneming dagvaardde haar bank op 26 maart 2026 in kort geding en vorderde, in afwachting van een definitieve aansprakelijkheidsverdeling, het herstel van haar rekening op grond van art. VII.43 Wetboek van Economisch Recht (WER). De bank betwistte de spoedeisendheid.

Uit de stukken bleek dat de bank de onderneming op 21 januari 2026 een kaskrediet van 300.000 EUR had toegekend, lopend tot eind 2026. De onderneming koos daarvoor veeleer dan eigen middelen vrij te maken, hoewel haar geldbeleggingen volgens haar eigen rapporteringsbalans 3.722.780,99 EUR bedroegen en haar liquide middelen 236.260,64 EUR.

De beslissing

De voorzitter herinnert eraan dat de spoedeisendheid zowel een bevoegdheids- als een gegrondheidsvereiste van het kort geding is. Als bevoegdheidsvereiste volstaat het dat de eiser ze in de dagvaarding aanvoert; als gegrondheidsvereiste is ze een feitenkwestie die concreet wordt beoordeeld.

De onderneming voerde aan dat de spoedeisendheid voortvloeit uit de wet zelf, namelijk uit de onmiddellijke terugbetalingsplicht van art. VII.43, § 1 WER. De voorzitter verwerpt dat. Het feit dat die bepaling de bank een voorlopige en onmiddellijke terugbetalingsverplichting oplegt, betekent niet dat de door art. 584 Gererechtelijk Wetboek (Ger.W.) vereiste spoedeisendheid wettelijk wordt vermoed. Waar de wetgever een vermoeden van spoedeisendheid heeft willen vestigen, heeft hij dat uitdrukkelijk gedaan; voor deze terugbetalingsvordering is dat niet gebeurd.

Doorslaggevend is vervolgens dat de eiser dezelfde voorlopige veroordeling ook bij de rechter ten gronde kon vorderen op grond van art. 19, derde lid Ger.W., desnoods in korte debatten conform art. 735, § 2 Ger.W. Wanneer de eiser de gevorderde maatregel even doeltreffend voor de bodemrechter kan bekomen, ontbreekt de spoedeisendheid. De onderneming had niet eens aangevoerd dat die weg voor haar niet openstond. Bovendien kwam haar financiële nood, gelet op haar ruime liquide middelen en de keuze voor een kaskrediet, niet zodanig dringend voor dat zij haar toevlucht moest nemen tot het kort geding. De vordering werd ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

Juridische analyse en duiding

Twee voorzitters, twee tegengestelde lezingen van dezelfde onmiddellijke terugbetalingsplicht

De kern van de spanning ligt in de vraag of de wettelijke plicht tot onmiddellijke terugbetaling van art. VII.43 WER doorwerkt in de processuele spoedeisendheid van art. 584 Ger.W. De Brusselse voorzitter houdt beide strikt gescheiden: de onmiddellijke terugbetaling is een materieelrechtelijk kenmerk van de verbintenis, de spoedeisendheid een afzonderlijke toegangsvoorwaarde die de rechter geval per geval toetst. Die benadering sluit aan bij de klassieke leer dat de spoedeisendheid niet aan de ontvankelijkheid maar aan de grond raakt, zodat een kortgedingvordering perfect ontvankelijk kan zijn en toch ongegrond bij gebrek aan hoogdringendheid.

De voorzitter van de ondernemingsrechtbank Antwerpen deed op 26 mei 2026 net het omgekeerde. In een zaak waarin een bejaard echtpaar van 90 en 93 jaar na een phishingoproep 49.958 EUR naar Portugal zag verdwijnen, kende hij de terugbetaling toe, vermeerderd met verwijlinteresten vanaf de fraudedatum en met de bank in de kosten. Die voorzitter leidde de hoogdringendheid rechtstreeks af uit de aard van de wettelijke termijn: doordat de wetgever een terugbetaling onmiddellijk en uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag oplegt, is de niet-naleving naar haar aard dringend; de leeftijd en financiële afhankelijkheid van de eisers kwamen daar slechts ten overvloede bij. Het is een doctrinair niet vanzelfsprekende constructie, omdat ze de hoogdringendheid, normaal een soevereine feitenappreciatie, in dit type dossier bijna automatisch aanwezig maakt. We bespraken die redenering uitvoerig in onze eerdere bijdrage over de vraag of de bank na phishing eerst moet terugbetalen zelfs bij grove nalatigheid.

Het resultaat is een reële verdeeldheid in de feitenrechtspraak. De uitkomst lijkt dus sterk af te hangen van het gevatte rechtscollege en, naar alle waarschijnlijkheid, van de feitelijke context.

De feitelijke context als verzoenende sleutel

De tegenstelling is wellicht minder absoluut dan ze lijkt. Beide voorzitters formuleren hun principe in algemene bewoordingen, maar de onderliggende feiten verschillen fundamenteel. In Antwerpen ging het om een hoogbejaard echtpaar dat een aanzienlijk bedrag plots zag verdwijnen; in Brussel om een onderneming met enkele miljoenen aan beleggingen die de betwiste som zonder noemenswaardige hinder kon missen en bovendien een kaskrediet had bekomen.

De spoedeisendheid afgeleid uit de aard van de termijn overtuigt nu eenmaal sterker bij een kwetsbare consument voor wie het verdwenen bedrag belangrijk is, dan bij een kapitaalkrachtige onderneming die de terugbetaling probleemloos kan afwachten. Het is dan ook verdedigbaar de Brusselse beschikking niet te lezen als een afwijzing van de Antwerpse lijn, maar als de toepassing van diezelfde spoedeisendheidstoets op een dossier waarin de feitelijke dringendheid eenvoudig ontbrak. Het onderscheid tussen consument en onderneming, dat in het wettelijk regime van niet-toegestane betalingtransacties ook relevant is via de afwijkingsmogelijkheid van art. VII.29 WER voor niet-consumenten, kleurt zo ook de procesrechtelijke beoordeling.

Het procesrisico van de gekozen procesweg

Wat de Brusselse beschikking vooral illustreert, is dat de keuze tussen kort geding en procedure ten gronde met voorlopige maatregelen een zelfstandig procesrisico vormt. De voorzitter raakt met geen woord aan de grondvraag of de transacties toegestaan waren. De vordering strandt volledig op een processuele voorvraag. Een materieel mogelijk sterke aanspraak gaat verloren, niet omdat de eiser ongelijk had, maar omdat de gekozen weg in zijn concrete omstandigheden niet als spoedeisend werd erkend. De Antwerpse beschikking toont de keerzijde: daar wordt het kort geding net een snel en doeltreffend drukmiddel, gesteund op de conclusie van advocaat-generaal Rantos van 5 maart 2026 in de hangende zaak C-70/25 bij het HvJ, die de onmiddellijke terugbetalingsplicht ook bij een vermoeden van grove nalatigheid laat gelden.

Wat betekent dit concreet?

Voor consumenten die slachtoffer werden van bankfraude. De Antwerpse lijn biedt een krachtig argument: de onmiddellijke terugbetalingsplicht van art. VII.43 WER kan op zich de spoedeisendheid van het kort geding dragen, zeker bij kwetsbare betalers voor wie het bedrag zwaar doorweegt. Onderbouw uw dossier met een gedetailleerd feitenrelaas van het fraudeverloop en bewijs van tijdige melding (fraudelijn, Card Stop, politieklacht), en stel de bank formeel in gebreke vóór de dagvaarding.

Voor ondernemingen en kapitaalkrachtige eisers. De Brusselse beschikking is een waarschuwing. Wie over ruime liquide middelen of beleggingen beschikt, of voor een kredietoplossing koos in plaats van eigen middelen vrij te maken, ziet de aangevoerde dringendheid snel onderuitgehaald. Overweeg in dat geval de voorlopige veroordeling bij de rechtbank ten gronde op grond van art. 19, derde lid Ger.W., desnoods in korte debatten. Kiest u toch voor het kort geding, motiveer dan in de dagvaarding concreet waarom de rechtbank te gronde geen even doeltreffend alternatief biedt en waarin de werkelijke dringendheid bestaat.

Voor banken en betalingsdienstaanbieders. Het argument grove nalatigheid (dus geen terugbetaling) verliest in kort geding aan kracht, maar de spoedeisendheidsdrempel blijft een reële verweerlijn, zeker tegenover niet-kwetsbare eisers. Wie de voorlopige terugbetaling wil opschorten binnen het regime zelf, kan dat in beginsel enkel via de strikte uitzondering van art. VII.43 WER: een redelijk vermoeden van fraude door de betaler zelf, schriftelijk gemeld aan de FOD Economie.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Kan ik mijn bank via een kort geding verplichten om frauduleus overgeschreven geld onmiddellijk terug te betalen?
Dat hangt af van het rechtscollege en van uw situatie. Sommige rechters leiden de spoedeisendheid rechtstreeks af uit de wettelijke terugbetalingstermijn van art. VII.43 WER, vooral bij kwetsbare consumenten. Andere oordelen dat die wettelijke onmiddellijkheid op zich geen spoedeisendheid creëert, zeker wanneer u het bedrag financieel kunt missen of dezelfde maatregel even goed bij in een procedure ten gronde kunt vorderen.

Wat is het verschil tussen een kort geding en een voorlopige maatregel via art. 19, derde lid Ger.W.?
Het kort geding is een afzonderlijke, buitengewone procedure die spoedeisendheid vereist. Art. 19, derde lid Ger.W. laat de rechter ten gronde toe om hangende de zaak ten gronde een voorlopige maatregel te bevelen, zonder dat hiervoor een aparte kortgedingprocedure moet worden gevoerd. Levert die weg een even doeltreffend resultaat op, dan kan de noodzaak van het kort geding wegvallen.

Speelt het een rol of ik als consument dan wel als onderneming optreed?
Ja, op twee niveaus. Materieelrechtelijk laat art. VII.29 WER toe dat tegenover niet-consumenten contractueel van een aantal beschermingsbepalingen wordt afgeweken. Procesrechtelijk weegt de feitelijke dringendheid bij een kwetsbare consument vaak zwaarder door dan bij een kapitaalkrachtige onderneming, wat de toegang tot het kort geding beïnvloedt.

Conclusie

Twee ondernemingsrechtbanken, twee tegengestelde antwoorden op dezelfde vraag: de onmiddellijke terugbetalingsplicht van de bank is een sterk materieelrechtelijk argument, maar of zij ook automatisch de poort van het kort geding opent, blijft betwist. De Antwerpse voorzitter leidt de dringendheid af uit de aard van de wettelijke termijn, de Brusselse houdt materieelrechtelijke onmiddellijkheid en processuele spoedeisendheid strikt gescheiden. Het verschil tussen een kwetsbare consument en een kapitaalkrachtige onderneming verklaart wellicht een groot deel van die divergentie. Tot een hoger rechtscollege duidelijkheid schept, doet wie terugbetaling nastreeft er goed aan de procesweg zorgvuldig te kiezen en de spoedeisendheid concreet te onderbouwen.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics