Wie het slachtoffer wordt van phishing en plots geld ziet verdwijnen, botst bijna altijd op hetzelfde antwoord van de bank: u was grof nalatig, dus wij betalen niet terug. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank Antwerpen oordeelde op 26 mei 2026 dat dit antwoord juridisch geen stand houdt in kort geding. De bank — in deze zaak Argenta Spaarbank — moet het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie eerst terugbetalen; de discussie over grove nalatigheid en aansprakelijkheid hoort pas daarna thuis in een bodemprocedure.
De feiten
Een echtpaar van 90 en 93 jaar, klant bij Argenta Spaarbank, werd op 23 januari 2026 het slachtoffer van een phishingoproep. Iemand deed zich telefonisch voor als bankmedewerker terwijl de man net een overschrijving uitvoerde. Diezelfde dag bleken twee overschrijvingen naar een onbekende rekening in Portugal te zijn uitgevoerd, samen goed voor 49.958 euro.
De zoon verwittigde meteen de fraudelijn en Card Stop en diende klacht in bij de politie. Na een ingebrekestelling op 5 maart 2026 dagvaardden de echtgenoten op 30 maart 2026 in kort geding om terugbetaling te verkrijgen. De bank weigerde: volgens haar ging het om toegestane transacties, minstens om grove nalatigheid.
De beslissing
De voorzitter wijst de vordering tot terugbetaling van 49.958 euro toe, vermeerderd met verwijlinteresten vanaf 23 januari 2026, en legt de bank de kosten op.
Centraal staat de verhouding tussen twee bepalingen van het WER, die de omzetting vormen van de richtlijn 2015/2366 (PSD2). Art. VII.43 WER verplicht de betalingsdienstaanbieder om bij een niet-toegestane betalingstransactie het bedrag onmiddellijk terug te betalen, en uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag. Op die verplichting bestaat in de tekst zelf één uitzondering: wanneer de bank redelijke gronden heeft om fraude door de betaler zélf te vermoeden, mits zij dit schriftelijk meldt aan de FOD Economie. Art. VII.44 WER regelt vervolgens de definitieve aansprakelijkheidsverdeling, onder meer bij grove nalatigheid.
De rechtbank leidt uit deze opbouw een principe af van “eerst betalen, daarna pas argumenteren”. De voorzitter beantwoordt twee vragen.
Ten eerste: moet de kortgedingrechter onderzoeken of de verrichting toegestaan was? Neen. Zou hij naast het wettelijke fraudevermoeden ook een vermoeden van toelating aanvaarden als grond om niet terug te betalen, dan voegt hij een uitzondering toe die noch in de richtlijn, noch in het WER staat. Het onderzoek naar het toegestane karakter is bovendien juridisch en technisch zo omvangrijk dat het de termijn van één werkdag steeds zou overschrijden, waardoor de terugbetalingsplicht dode letter wordt. Het volstaat dat de voorwaarden van art. VII.43 WER ogenschijnlijk vervuld zijn.
Ten tweede: moet de rechter onderzoeken of de betaler grof nalatig was? Evenmin. De rechtbank steunt uitdrukkelijk op de conclusie van advocaat-generaal Rantos van 5 maart 2026 in de hangende zaak C-70/25 bij het HvJ. Volgens die conclusie geldt de onmiddellijke terugbetalingsplicht ook bij een vermoeden van grove nalatigheid. Art. 73 PSD2 ziet op de terugbetaling; art. 74 op de latere aansprakelijkheidsverdeling. Een lezing waarbij de bank kan weigeren bij het enkele vermoeden van grove nalatigheid zou art. 73 zijn nuttige werking ontnemen. De bank verwijt de eisers dan ook ten onrechte dat zij nog geen bodemprocedure aanspanden: het is net de bedoeling van de wetgever om het procesrisico bij de betalingsdienstaanbieder te leggen, niet bij de betaler.
Juridische analyse en duiding
Een nationale rechter die anticipeert op een nog onbeslecht prejudicieel debat
Het meest opvallende aan deze beschikking is de methode. De voorzitter steunt zijn beoordeling van de tweede vraag rechtstreeks op een conclusie van een advocaat-generaal in een zaak die op het ogenblik van de uitspraak nog niet door het HvJ was beslecht. Een conclusie van een advocaat-generaal bindt het Hof niet en heeft geen gezag van gewijsde. De rechtbank gebruikt ze hier niet als bindende bron, maar als overtuigend richtsnoer bij de uitlegging van een Unierechtelijk geharmoniseerde bepaling waarvoor de lidstaten geen beoordelingsmarge hebben.
Die voorzichtigheid is verdedigbaar in kort geding, waar de rechter slechts een schijn van recht beoordeelt en geen definitieve rechtspositie vaststelt. Toch blijft het een wankel evenwicht: zou het HvJ de conclusie niet volgen, dan rust de redenering over de tweede vraag op een achterhaalde premisse. De voorlopige aard van de uitspraak vangt dat risico grotendeels op, maar het illustreert hoe sterk de feitenrechter vandaag leunt op de verwachte Europese lijn.
De doorbraak van art. VII.43 WER als zelfstandige rechtsgrond
Klassiek werd in de phishingrechtspraak vooral getwist over art. VII.44 WER en de grove nalatigheid. De rechtsgrond voor de betalingsverplichting zelf — art. VII.43 WER — bleef daarbij vaak op de achtergrond. De rechtsleer stelde zelfs vast dat banken die voorlopige terugbetalingsplicht zelden of nooit naleven, ondanks de cruciale beschermingsfunctie ervan (G. Straetmans en R. Steennot, Handboek consumentenbescherming en marktpraktijken, Intersentia, 2023, 620).
Deze beschikking plaatst art. VII.43 WER nu uitdrukkelijk vooraan: het schept een autonome, voorlopige betalingsverplichting die losstaat van de aansprakelijkheidsvraag. De redenering sluit aan bij een recente strekking in de feitenrechtspraak die de samenhang tussen beide bepalingen herijkt en art. VII.43 WER als zelfstandige grondslag voor de voorlopige terugbetaling aanvaardt. Voor de bankklant verschuift daarmee het zwaartepunt: niet langer moet hij in kort geding aantonen dat hem geen grove nalatigheid treft, het volstaat dat de transactie ogenschijnlijk niet-toegestaan was.
Hoogdringendheid uit de aard van de wettelijke termijn
Juridisch interessant is hoe de rechtbank de hoogdringendheid afleidt uit de wet zelf. Doordat de wetgever een terugbetaling “onmiddellijk” en “uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag” oplegt, is de niet-naleving van die verplichting naar haar aard dringend. De leeftijd en de financiële afhankelijkheid van de eisers komen pas “ten overvloede” aan bod.
Die constructie is doctrinair niet vanzelfsprekend. Hoogdringendheid is in beginsel een feitenkwestie die tot de onaantastbare appreciatie van de kortgedingrechter behoort. Door de urgentie te koppelen aan de aard van de wettelijke termijn maakt de rechtbank de spoedeisendheid in dit type dossier bijna altijd aanwezig — wat de drempel tot het kort geding voor phishingslachtoffers aanzienlijk verlaagt.
Wat betekent dit concreet?
Voor slachtoffers van phishing. De beschikking biedt een snel en krachtig drukmiddel. Wie geconfronteerd wordt met een weigering tot terugbetaling, hoeft niet te wachten op een lange bodemprocedure: het kort geding op grond van art. VII.43 WER kan volstaan om het bedrag voorlopig terug te krijgen. Belangrijk is een gedetailleerd en geloofwaardig feitenrelaas van het fraudeverloop, gestaafd met bewijs van tijdige melding (Card Stop, fraudelijn, politieklacht). Behoud alle communicatie — sms’en, e-mails, schermafbeeldingen — en stel de bank formeel in gebreke vóór de dagvaarding. Een voorafgaande klacht bij Ombudsfin is kosteloos en kan de zaak versterken.
Voor banken en andere betalingsdienstaanbieders. Het argument “grove nalatigheid, dus geen terugbetaling” verliest in kort geding sterk aan kracht. Wie de voorlopige terugbetaling wil opschorten, kan dat in beginsel enkel binnen de strikte uitzondering van art. VII.43 WER: een redelijk vermoeden van fraude door de betaler zelf, schriftelijk gemeld aan de FOD Economie. Wie buiten dat kader weigert, riskeert niet alleen de hoofdsom maar ook verwijlinteresten vanaf de fraudedatum en de volledige proceskosten. De juiste weg is terugbetalen en daarna, desnoods via een bodemprocedure, de aansprakelijkheid en eventuele grove nalatigheid laten beoordelen onder art. VII.44 WER.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Moet mijn bank mij na phishing onmiddellijk terugbetalen?
Bij een niet-toegestane betalingstransactie moet de bank het bedrag in beginsel onmiddellijk terugbetalen, uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag (art. VII.43 WER). De enige uitzondering is een redelijk vermoeden van fraude door uzelf, dat de bank schriftelijk moet melden aan de FOD Economie. Een loutere bewering van grove nalatigheid volstaat niet om de terugbetaling op te schorten.
Kan de bank weigeren omdat ik grof nalatig zou zijn geweest?
Niet om de voorlopige terugbetaling te weigeren. Volgens deze beschikking en de conclusie van de advocaat-generaal in zaak C-70/25 hoort de discussie over grove nalatigheid thuis in een latere fase, op grond van art. VII.44 WER. De bank moet eerst terugbetalen en kan daarna in een bodemprocedure proberen het bedrag terug te vorderen, waarbij zij de grove nalatigheid en het oorzakelijk verband moet bewijzen.
Moet ik eerst een bodemprocedure starten om mijn geld terug te krijgen?
Neen. Net omdat de wet korte termijnen oplegt, kan een kort geding volstaan. Het is niet aan u om eerst ten gronde te procederen: de wetgever legt het procesrisico bij de bank, niet bij de klant.
Conclusie
De beschikking van 26 mei 2026 bevestigt een consumentvriendelijke lezing van het betalingsrecht: bij een niet-toegestane betalingstransactie geldt het beginsel “eerst betalen, daarna pas argumenteren”. De kortgedingrechter moet noch het toegestane karakter van de verrichting, noch een mogelijke grove nalatigheid onderzoeken — het volstaat dat de voorwaarden van art. VII.43 WER ogenschijnlijk vervuld zijn. De discussie over aansprakelijkheid verschuift naar een latere bodemprocedure onder art. VII.44 WER, waarin het procesrisico bij de bank ligt. Of het HvJ deze lijn in zaak C-70/25 bevestigt, zal de definitieve draagwijdte bepalen, maar de richting is duidelijk.



