Kan een onderneming kritische publicaties van een NGO of media aanvechten via het ondernemingsrecht?

Ja, een onderneming kan via de stakingsvordering uit het Wetboek van Economisch Recht (WER) optreden tegen kritische publicaties van een NGO of media-organisatie. Een uitspraak van 30 maart 2026 van de Franstalige ondernemingsrechtbank van Brussel bevestigt dat ook non-profitorganisaties als ‘onderneming’ worden beschouwd en dus gebonden zijn aan de regels rond oneerlijke marktpraktijken en slechtmaking. Dit biedt ondernemingen een belangrijk instrument om reputatieschade aan te pakken, maar roept bezorgdheden op omtrent de persvrijheid en de toename van zogenaamde ‘SLAPP’-procedures.

De feiten en de juridische context

In een recent geschil kruisten de Kirgizische Bakai Bank en de non-profitorganisatie Open Dialogue Foundation (ODF) de degens. ODF, een stichting die in 2009 werd opgericht om de democratie en de rechtsstaat te vrijwaren, had op haar website artikels gepubliceerd waarin zij Bakai Bank ervan beschuldigde Rusland te helpen bij het omzeilen van internationale financiële sancties.

Bakai Bank eiste hierop de onmiddellijke staking van de publicaties en vorderde een aanzienlijke schadevergoeding. De bank baseerde deze vordering op de artikelen VI.104 en VI.105, 10° van het Wetboek van Economisch Recht (WER). Deze bepalingen verbieden de communicatie van denigrerende elementen die de professionele belangen of reputatie van een andere onderneming kunnen schaden, beter bekend als ‘slechtmaking’. ODF verweerde zich door te benadrukken dat zij optreedt als ‘maatschappelijke waakhond’ (zoals de pers) en beriep zich op haar grondwettelijk verankerde vrijheid van meningsuiting.

De beslissing en de regelgeving

De Franstalige ondernemingsrechtbank van Brussel oordeelde op 30 maart 2026 grotendeels in het voordeel van de bank.

Allereerst bevestigde de rechter dat ODF juridisch kwalificeert als een “onderneming” in de zin van Boek VI WER. Het feit dat de NGO geen winstoogmerk heeft, is hierbij ondergeschikt; bepalend is dat de organisatie op duurzame wijze diensten verstrekt op de markt, zoals het publiceren van rapporten om beleidsbeslissingen te beïnvloeden.

Vervolgens oordeelde de rechtbank dat de zware aantijgingen van ODF onvoldoende feitelijk onderbouwd waren. De rechter nam er aanstoot aan dat ODF geen “uitputtende audit” van de bank had uitgevoerd, en zich louter baseerde op algemene journalistieke bronnen en statistieken. Hierdoor overschreed ODF volgens het vonnis de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. Hoewel de torenhoge schadeclaims van Bakai Bank van tafel werden geveegd wegens overdreven, veroordeelde de rechter ODF wel tot een gedwongen publicatie. De NGO moet het vonnis gedurende 30 dagen “zonder commentaar” bovenaan haar website publiceren, op straffe van een dwangsom van 10.000 euro per dag. De tegeneis van ODF, die de actie van de bank als een tergend en roekeloos geding bestempelde, werd afgewezen.

Juridische analyse en duiding

Dit vonnis vormt een markante toepassing van het economisch recht. Steeds vaker proberen partijen redactionele keuzes of kritische rapporten aan te vechten via de B2B-regels van het WER, een tactiek die vaak wordt gelinkt aan ‘SLAPP’-procedures (Strategic Lawsuits Against Public Participation).

Waar rechtbanken in eerdere zaken, zoals vzw Ecole de Clerheid t. RTBF van 8 april 2026, nog zeer terughoudend waren om preventief in te grijpen uit vrees voor ongeoorloofde censuur (conform artikel 25 van de Belgische Grondwet), gaat de rechtbank hier veel verder. De vraag stelt zich evenwel of de rechtspraak rond artikel 10 van het EVRM (vrijheid van meningsuiting) wel voldoende wordt gerespecteerd in de afweging met artikel 8 EVRM (bescherming van de reputatie).

De eis dat een maatschappelijke waakhond een ‘uitputtende audit’ moet verrichten bij een onderneming alvorens kritiek te mogen uiten, is een vrij hoge drempel die de journalistieke en maatschappelijke controlefunctie de facto onmogelijk maakt. Daarenboven ruikt het verbod om bij de veroordeling online enige commentaar (“zonder commentaar”) te plaatsen naar preventieve censuur inzake de verdere interpretatie van dat vonnis. De grens tussen de regulering van eerlijke mededinging (waarvoor het WER oorspronkelijk diende) en de inperking van het vrije woord vervaagt hier aanzienlijk.

Wat dit concreet betekent

  • Voor non-profitorganisaties, journalisten en media: U bent juridisch niet immuun voor het ondernemingsrecht. Ook als NGO of journalistiek platform wordt u veelal aanzien als ‘onderneming’ met een economische activiteit. Dit betekent dat u blootstaat aan stakingsvorderingen wegens slechtmaking als u harde claims publiceert over een bedrijf, zonder dat uw feitelijke bewijsvoering (vrijwel absoluut) sluitend is.
  • Voor ondernemingen in een reputatiecrisis: Dit vonnis bevestigt dat u wel degelijk doeltreffende rechtsmiddelen heeft tegen onterechte moddercampagnes, zelfs als deze afkomstig zijn van idealistische organisaties of de pers. Het ondernemingsrecht (Boek VI WER) biedt snelle instrumenten om uw imago te beschermen via publicatiebevelen. U moet echter de delicate balans bewaken; agressief procederen kan al snel publiekelijk als een ‘SLAPP’ geframed worden, wat tot verdere imagoschade kan leiden.

Veelgestelde vragen

Kan een vzw of NGO beschouwd worden als een onderneming?
Ja. Onder het Belgische ondernemingsrecht hanteert men een functioneel begrip. Zodra een organisatie (ook een vzw of NGO) op duurzame wijze diensten of goederen aanbiedt, wordt zij als een onderneming gekwalificeerd en valt zij onder de regels van het Wetboek van Economisch Recht.

Wat verstaat men juridisch onder ‘slechtmaking’?
Slechtmaking (of zwartmaking) is een onrechtmatige marktpraktijk waarbij een onderneming kritische of denigrerende informatie verspreidt die de zakelijke belangen, goederen of diensten van een andere onderneming kan schaden. Ook als feiten correct zijn, kan de context of toon ertoe leiden dat de communicatie juridisch als slechtmaking wordt gekwalificeerd.

Mag een rechtbank de pers of een NGO verbieden om commentaar te geven?
Hoewel een rechter de (al dan niet preventieve) publicatie van een vonnis kan opleggen als herstelmaatregel, is een expliciet verbod om “enige commentaar” te leveren bij deze publicatie juridisch zeer controversieel. Dit raakt aan de absolute grenzen van het recht op vrijheid van meningsuiting en het grondwettelijk verbod op preventieve censuur.

Conclusie

De grens tussen het beschermen van een merk tegen reputatieschade en het respecteren van de persvrijheid staat onder hoogspanning. Uitspraken waarbij het ondernemingsrecht met succes wordt ingezet tegen rapporten van NGO’s of onderzoeksjournalisten, tonen aan dat het juridisch speelveld voor bedrijven in België verruimt, maar creëren ook een juridisch mijnenveld inzake censuur.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics