Ja, maar niet via de regels over schadebedingen. Een bedongen opzeggingsvergoeding is volgens het hof van beroep te Antwerpen geen schadebeding en ontsnapt dus aan de matiging van artikel 1231 van het oud Burgerlijk Wetboek (oud BW). Wie zo’n vergoeding in kennelijk overdreven mate opeist, pleegt evenwel rechtsmisbruik, en dan mag de rechter het bedrag toch herleiden. Dat besliste het hof in een arrest van 20 mei 2026 over een franchisenemer in de autosector die zijn contract van vijf jaar na iets meer dan vier jaar stopzette. De franchisegever eiste drie jaar aan vergoedingen, goed voor 29.340 euro, en kreeg er acht maanden.
In het kort:
- Het hof van beroep te Antwerpen oordeelde op 20 mei 2026 dat een beding dat de franchisenemer toelaat het contract vroegtijdig te beëindigen tegen betaling van drie jaar aan vestigings- en marketingvergoedingen, een opzegbeding is en geen schadebeding.
- Een opzegbeding kan niet worden gematigd op grond van artikel 1231 oud BW, maar wel op grond van rechtsmisbruik: drie jaar vergoeding vorderen terwijl het contract nog dertien maanden liep, ging voor het hof kennelijk te ver.
- Het hof zocht daarbij inspiratie in de b2b-regels over onrechtmatige bedingen, hoewel die op een franchisecontract uit 2018 nog niet van toepassing waren, en kwam zo tot een vergoeding van 6.520 euro.
De feiten
Een franchisegever in de autobandensector en een franchisenemer sloten in 2018 een franchiseovereenkomst voor vijf jaar. Het contract droeg geen datum en de startdatum was niet ingevuld. De eerste factuur voor franchisevergoedingen sloeg op juli en augustus 2018, en een persbericht bevestigde de start in juli 2018. De overeenkomst liep dus in principe tot juli 2023.
Op 8 juni 2022 liet de franchisenemer weten dat hij de samenwerking stopzette. Hij verwees naar de moeilijke tijden in de autosector. Eind oktober 2022 sloot hij zijn deuren, zo bleek uit een aankondiging op zijn eigen website. Pas in een brief van 18 juli 2022 riep hij artikel 16, lid 5 van het contract in, dat een opzegging zonder vergoeding toeliet bij structureel verlies, maar enkel na een schriftelijke melding met bewijs en een onderzoek door een bedrijfsrevisor van de franchisegever.
De franchisegever beriep zich op artikel 16, lid 6 van het contract. Dat beding bepaalde dat een franchisenemer die op eigen verzoek vroegtijdig beëindigt, een direct opeisbare “schadevergoeding” verschuldigd is gelijk aan de vestigings- en marketingvergoedingen over drie jaar. De franchisegever begrootte die op 29.340 euro en schreef er op 26 december 2022 een factuur voor uit. De eerste rechter kwalificeerde het beding als een schadebeding en matigde het op grond van artikel 1231, § 1 oud BW tot de resterende contractduur van acht maanden, of 6.520 euro. Beide partijen stelden hoger beroep in: de franchisegever wilde het volledige bedrag, de franchisenemer wilde hoogstens drie maanden, of 2.445 euro.
De beslissing
Het arrest behandelt vier onderscheiden vragen.
De startdatum en de duur van de franchiseovereenkomst
Het hof volgde de eerste rechter: de overeenkomst startte in juli 2018 en liep tot juli 2023. De franchisenemer hield vol dat de samenwerking al in januari 2018 was begonnen en dus eind 2022 van rechtswege was verstreken, maar legde geen enkel stuk voor dat die stelling onderbouwde. Zonder facturen voor de eerste zes maanden van 2018 was er volgens het hof geen reden om van de eerste factuur en het persbericht af te wijken.
Het beroep op de opzegging wegens structureel verlies
De franchisenemer kon zich volgens het hof niet beroepen op artikel 16, lid 5 van het contract. De brief van 8 juni 2022 vermeldde enkel “de moeilijke voorbije tijden en de weinig hoopvolle periode in autoland”, wat het hof niet als een beroep op structurele verliezen aanvaardde. De franchisenemer legde toen geen cijfers voor, zodat de franchisegever nooit de kans kreeg een bedrijfsrevisor aan te stellen. Een e-mail van de eigen boekhouder van 8 november 2022 met interne balansen 2018-2021 kwam voor het hof te laat en was bovendien een eenzijdig stuk.
De factuur voor de opzeggingsvergoeding
De franchisegever kon zijn vordering niet steunen op de factuur van 26 december 2022. Volgens het hof is zo’n stuk geen factuur in de zin van artikel 8.11, § 4 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een factuur bevestigt primaire verbintenissen zoals een levering of een dienst. Secundaire verbintenissen, zoals een schadevergoeding na wanprestatie of een vergoeding bij opzegging, geven geen aanleiding tot facturatie. De franchisenemer hoefde de factuur dan ook niet te protesteren.
De kwalificatie van het beding en de matiging van de opzeggingsvergoeding
Het hof stelde ter zitting zelf de vraag of artikel 16, lid 6 wel een schadebeding was, en liet de partijen daarop reageren. Zijn antwoord was negatief. Een beding dat de franchisenemer de mogelijkheid biedt de overeenkomst eenzijdig te verbreken tegen betaling van een vergoeding, is volgens het hof een opzegbeding. Een opzegbeding is, anders dan een schadebeding, niet vatbaar voor matiging op grond van artikel 1231, § 1 oud BW. Op dat punt hervormde het hof de motivering van het vonnis.
Daarmee was de vergoeding nog niet onaantastbaar. Het hof toetste eerst aan artikel 6 en artikel 1131 oud BW: een opzeggingsvergoeding die zo hoog is dat de franchisegever speculeert op een verbreking, of die als een private straf werkt, is strijdig met de openbare orde en heeft een ongeoorloofde oorzaak. Dat was hier volgens het hof niet het geval, en de franchisenemer had het ook niet aangevoerd.
Vervolgens paste het hof de leer van het rechtsmisbruik toe. De uitoefening van een opzegbeding kan stuiten op de matigende werking van de goede trouw uit artikel 1134, derde lid oud BW. Rechtsmisbruik is de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van wat een bedachtzaam en voorzichtig persoon zou doen, onder meer wanneer het veroorzaakte nadeel buiten verhouding staat tot het nagestreefde voordeel. Drie jaar aan vergoedingen vorderen, of drie vijfde van de totale contractduur, terwijl de franchisenemer had aangegeven te stoppen en het contract sowieso in juli 2023 afliep, was voor het hof overdreven. Dat de franchisegever ook omzetverlies, verloren inkomsten van fabrikanten en gemiste commerciële kansen in de regio aanvoerde, veranderde daar niets aan: vanaf juli 2023 moest hij hoe dan ook een nieuwe franchisenemer zoeken.
Bij die beoordeling verwees het hof naar de b2b-wet van 4 april 2019. Beide partijen waren het erover eens dat die wet niet gold, omdat de regels over onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen pas op 1 december 2020 in werking traden en het contract uit 2018 dateerde. Toch oordeelde het hof dat het beding onder de algemene toetsingsnorm van artikel VI.91/3, § 1 van het Wetboek van economisch recht (WER) zou vallen: een opzeggingsvergoeding die duidelijk hoger ligt dan de gemaakte kosten en de gederfde winst, schept een kennelijk onevenwicht, temeer omdat de franchisegever zelf geen gelijkaardige vergoeding verschuldigd was. Het hof zag geen bezwaar om die bepaling “voor zover als nodig anticipatief” toe te passen, als inspiratiebron voor de rechter.
De sanctie was een matiging tot acht maanden vergoeding van 815 euro, of 6.520 euro. Minder mocht niet: de franchisenemer had het contract wel degelijk acht maanden voor het einde stopgezet, en uit geen enkel stuk bleek dat hij tot december 2022 actief was gebleven. Het hof bevestigde dus het bedrag van de eerste rechter, maar op een andere grondslag: rechtsmisbruik in plaats van artikel 1231 oud BW.
Juridische analyse en duiding
Waarom het etiket “schadevergoeding” in het contract niet telde
De partijen hadden het beding zelf een “schadevergoeding” genoemd. Toch las het hof er een opzegbeding in. Dat spoort met vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie: een beding dat een geldsom vastlegt niet ter vergoeding van schade, maar als tegenprestatie voor de contractueel toegekende mogelijkheid om de overeenkomst eenzijdig te beëindigen, is geen strafbeding (Cass. 6 september 2002, C.00.0150.N; eerder al Cass. 22 oktober 1999, C.98.0134.F). Of een vergoeding schade herstelt of de prijs is voor een beëindigingsrecht, beoordeelt de feitenrechter aan de hand van de strekking van het beding, niet aan de hand van de benaming (Cass. 28 april 2011, C.10.0117.F).
De franchisegever had daar een tegenargument. Artikel 16, lid 6 sprak niet over een recht om op te zeggen, maar over een franchisenemer die “op eigen verzoek vervroegd beëindigt” en daarvoor een “direct opeisbare schadevergoeding” verschuldigd is. In die lezing sanctioneert het beding een contractbreuk en is het wél een schadebeding. Het hof koos de andere lezing: het beding biedt de franchisenemer de mogelijkheid om te verbreken, en de vergoeding is de prijs van die mogelijkheid. Die keuze is verdedigbaar, maar zij toont hoe dun de scheidslijn is. Twee bijna identieke clausules, de ene met “mag opzeggen mits betaling van”, de andere met “is bij vroegtijdige beëindiging een schadevergoeding verschuldigd van”, kunnen onder een verschillend regime vallen. Onder het nieuwe recht is dat niet anders: de matiging van artikel 5.88, § 2 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek geldt enkel voor schadebedingen, en dus niet voor de opzeggingsvergoeding.
Dat onderscheid krijgt in de rechtsleer kritiek. De partij die haar contract niet naleeft, geniet zo méér bescherming, want haar schadebeding kan worden gematigd, dan de partij die een contractueel opzeggingsrecht netjes uitoefent en de volle prijs betaalt. Claeys en Tanghe wijzen erop dat dit exorbitante opzegbedingen niet onaantastbaar maakt, omdat zij op het verbod van rechtsmisbruik kunnen stuiten (I. CLAEYS en T. TANGHE, Nieuw algemeen contractenrecht, Brussel, Intersentia, 2023, 736, nr. 972). Het Antwerpse arrest illustreert dat precies: de uitkomst was in beide instanties 6.520 euro, alleen de weg ernaartoe verschilde. Voor de partijen maakte de herkwalificatie dus geen verschil in euro’s, wel in rechtsgrond.
Rechtsmisbruik als correctie: wat het hof woog en wat niet
De rechtsmisbruiktoets die het hof toepaste, is de klassieke. Rechtsmisbruik bij de uitvoering van een overeenkomst is de uitoefening van een recht op een manier die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening door een voorzichtig en bezorgd persoon (Cass. 8 februari 2001, C.98.0470.N). Slaat het misbruik op de toepassing van een contractueel beding, dan kan het herstel erin bestaan dat de schuldeiser het recht wordt ontzegd zich op dat beding te beroepen (Cass. 2 februari 2018, C.17.0386.F). Sinds 1 januari 2023 staat dat verbod in artikel 1.10 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en, voor contracten, in artikel 5.73 BW.
Het cijferwerk van het hof is helder. De franchisegever vorderde 36 maanden vergoeding voor een contract dat nog 13 maanden liep, en dan nog voor een franchisenemer die zijn zaak sloot. Het nadeel voor de franchisenemer stond buiten verhouding tot het voordeel dat de franchisegever kon claimen: vanaf juli 2023 had hij toch een nieuwe partner nodig. Dat het hof de bijkomende schadeposten afwees, is consequent. Wie een vaste vergoeding bedingt, heeft precies het voordeel dat hij zijn schade niet moet bewijzen; hij kan dat forfait dan niet nog eens verhogen met de schade die hij wel meent te kunnen aantonen.
Toch valt op wat het hof niet wenste te doen. De franchisenemer vroeg een matiging tot drie maanden. Het hof weigerde, omdat hij wel degelijk acht maanden te vroeg was gestopt. De herleiding bleef daarmee vastgeprikt op de resterende contractduur, alsof de rechter een schadebeding matigde tot de potentiële schade. Bij rechtsmisbruik is de maatstaf anders: de rechter herleidt het recht tot zijn normale uitoefening. Dat die normale uitoefening hier samenvalt met de vergoeding voor de resterende looptijd, is aannemelijk maar niet vanzelfsprekend, want een franchisegever die na een opzegging het pand snel kan herbezetten, ondervindt wellicht geen acht maanden nadeel. Het arrest sluit op dat punt bij de eerste rechter aan zonder het uit te werken.
Mag een rechter een wet toepassen die nog niet gold?
Het meest besproken punt van het arrest is de verwijzing naar artikel VI.91/3, § 1 WER. Die bepaling is ingevoegd bij de wet van 4 april 2019 en geldt volgens artikel 39 van die wet enkel voor overeenkomsten die na 1 december 2020 zijn gesloten, hernieuwd of gewijzigd. Lopende contracten vallen er uitdrukkelijk buiten. Het parlement heeft die grens dus bewust getrokken.
De tegenstem ligt voor de hand. Een rechter die een niet-toepasselijke wet “anticipatief” toepast, doet wat de wetgever heeft uitgesloten. Het debat is bekend uit de aanloop naar Boek 5 BW: Claeys en Tanghe bekritiseerden het vooruitlopen op een wetsvoorstel als een democratisch problematische verhouding tussen wetgever en rechter, maar aanvaardden dat het nieuwe recht als inspiratiebron dient om betwiste vragen onder het oude recht te beslechten, zolang de rechtmatige verwachtingen van de partijen bij de contractsluiting niet worden beschaamd (I. CLAEYS en T. TANGHE, Nieuw algemeen contractenrecht, Brussel, Intersentia, 2023, 52-53, nr. 52). Het hof lijkt zich van die grens bewust: het spreekt eerst van “anticipatief toepassing”, maar corrigeert zichzelf meteen tot “inspiratiebron voor de rechter”. De eigenlijke rechtsgrond blijft het rechtsmisbruik uit artikel 1134, derde lid oud BW, dat in 2018 onbetwist gold. De b2b-norm levert enkel de maatstaf om te bepalen wanneer een vergoeding “kennelijk” te hoog is.
Die inspiratie is inhoudelijk wel eigenzinnig. Ten eerste sanctioneert artikel VI.91/6 WER een onrechtmatig beding met nietigheid, niet met matiging. Wie de b2b-wet werkelijk had toegepast, had het beding moeten schrappen en de franchisegever naar het gemeen recht moeten verwijzen; het hof matigde en liet het beding overeind. Ten tweede hield het hof de franchisegever voor dat hij zelf geen gelijkaardige vergoeding verschuldigd was. Dat wederkerigheidsvereiste staat wel in de zwarte lijst voor consumentencontracten (artikel VI.83, 17° WER), maar niet in de b2b-regels, waar de wetgever het bewust heeft weggelaten. Ten derde toetste het hof de vergoeding aan “de gemaakte kosten en de gederfde winst”, wat de maatstaf van artikel 1794 oud BW voor de aanneming is. Diezelfde vergelijking met het aanvullend recht hanteerde de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel toen zij een uitstapvergoeding van 50 procent onder de b2b-wet wél liet staan, zoals we eerder bespraken in onze blog over de opzegvergoeding als onrechtmatig beding tussen ondernemingen (Ondrb. Brussel (Fr.) 13 januari 2025, JLMB 2026, 992). Het Antwerpse hof kwam tot een matiging, de Brusselse rechtbank tot een bevestiging; het verschil zat niet in de norm maar in de cijfers: 50 procent van een geraamde besparing tegenover 36 maanden voor 13 resterende maanden.
Wat betekent dit concreet?
Voor franchisegevers en andere partijen die een uitstapvergoeding bedingen. Kies bewust tussen een opzegbeding en een schadebeding en schrijf het beding ook zo. Een opzegbeding (“de franchisenemer kan de overeenkomst beëindigen mits betaling van”) ontsnapt aan de matiging van artikel 5.88 BW, maar niet aan het rechtsmisbruik, en voor contracten van na 1 december 2020 evenmin aan de b2b-toets van artikel VI.91/3 WER. Koppel de vergoeding daarom aan een verantwoordbare maatstaf: de resterende looptijd, de niet-terugverdiende investeringen of een degressief percentage. Een vast bedrag van drie jaar, los van het tijdstip van de opzegging, is precies het type beding dat sneuvelt. Twijfelt u of uw uitstapbeding in een franchise- of distributiecontract die toets doorstaat, dan is de kwalificatie en de berekening van de vergoeding het eerste wat wij voor u nagaan.
Voor franchisenemers die vroegtijdig willen stoppen. Lees het contract vóór u opzegt, niet erna. De franchisenemer in deze zaak had een clausule die hem bij structureel verlies een kosteloze uitstap bood, maar hij riep ze pas in na zijn opzeggingsbrief en zonder cijfers. Een aangetekende brief met een uitdrukkelijk beroep op de juiste clausule, met de balansen erbij, had de franchisegever verplicht een bedrijfsrevisor aan te stellen en had het debat anders gelegd. Leg ook vast wanneer u effectief stopt: de website-aankondiging van eind oktober 2022 bepaalde hier de acht maanden.
Voor procespartijen en hun advocaten. Een rechter mag de kwalificatie van een beding zelf ter discussie stellen, zoals het hof hier ter zitting deed, mits de partijen erop kunnen reageren. Wie een uitstapvergoeding aanvecht, bouwt zijn verweer dus best op twee sporen: primair de matiging van het schadebeding, subsidiair het rechtsmisbruik met concrete cijfers over nadeel en voordeel, en voor contracten van na 1 december 2020 de nietigheid onder de b2b-wet, zoals in de zaak die we bespraken in onze blog over een hoge verbrekingsvergoeding bij het vroegtijdig opzeggen van een b2b-contract. Factureer een opzeggingsvergoeding niet: een onbetwiste factuur levert hier geen aanvaarding op. En reken niet op een matiging onder de resterende contractduur zonder aan te tonen dat de wederpartij in die periode werkelijk geen nadeel leed.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Wat is het verschil tussen een opzegbeding en een schadebeding?
Een schadebeding legt vooraf vast welke vergoeding een partij betaalt wanneer zij haar contract niet naleeft; het herstelt schade en de rechter mag het matigen als het kennelijk onredelijk is (artikel 5.88 BW, voorheen artikel 1231 oud BW). Een opzegbeding geeft een partij het recht om het contract vroegtijdig te beëindigen tegen betaling van een vergoeding; die vergoeding is de prijs van dat recht, geen schadevergoeding, en ontsnapt aan de matiging. De benaming in het contract is niet doorslaggevend, de strekking wel.
Kan mijn franchisegever de volledige opzeggingsvergoeding eisen als ik vroeger stop?
In principe wel, want een opzeggingsvergoeding wordt niet gematigd zoals een schadebeding. De rechter kan de vordering echter herleiden wanneer de franchisegever misbruik maakt van zijn recht, bijvoorbeeld wanneer hij een vergoeding eist die de resterende looptijd ver overstijgt en zijn werkelijk nadeel niet in verhouding staat tot wat hij vordert. Voor contracten gesloten of gewijzigd na 1 december 2020 kan het beding bovendien nietig zijn als onrechtmatig beding tussen ondernemingen.
Geldt de b2b-wet over onrechtmatige bedingen ook voor een contract van vóór december 2020?
Nee. De regels van artikel VI.91/1 en volgende WER gelden enkel voor overeenkomsten die na 1 december 2020 zijn gesloten, hernieuwd of gewijzigd. Voor oudere contracten blijft het gemeen recht gelden, met het verbod van rechtsmisbruik als correctie. Het hof van beroep te Antwerpen gebruikte de b2b-norm bij zo’n ouder contract wel als inspiratiebron om te bepalen wanneer een opzeggingsvergoeding kennelijk overdreven is, maar de rechtsgrond bleef het rechtsmisbruik.
Moet ik een factuur voor een opzeggingsvergoeding protesteren?
Niet noodzakelijk. Volgens het hof van beroep te Antwerpen is een factuur voor een schade- of opzeggingsvergoeding geen factuur in de zin van artikel 8.11, § 4 BW, omdat een factuur enkel primaire verbintenissen zoals leveringen of diensten bevestigt. Het uitblijven van protest levert dan geen aanvaarding op. Uit voorzichtigheid blijft een gemotiveerd protest binnen een redelijke termijn wel aan te raden, zeker wanneer u ook de kwalificatie of de omvang van de vergoeding betwist.
Conclusie
Het hof van beroep te Antwerpen bevestigt in zijn arrest van 20 mei 2026 dat een opzeggingsvergoeding in een franchisecontract geen schadebeding is en dus niet via artikel 1231 oud BW of artikel 5.88 BW wordt gematigd. Wie zo’n vergoeding evenwel in kennelijk overdreven mate opeist, zoals drie jaar aan vergoedingen voor een contract dat nog dertien maanden liep, pleegt rechtsmisbruik en ziet zijn vordering herleid. De b2b-regels over onrechtmatige bedingen dienden daarbij als inspiratiebron, niet als rechtsgrond, wat in het Belgische recht de grens is tussen interpreteren en vooruitlopen op de wetgever.
ICT Rechtswijzer is het kennisplatform van het departement intellectuele eigendom, IT-recht, AI-recht, gegevensbescherming en mediarecht van Everest Advocaten, onder leiding van mr. Joris Deene. Onze advocaten begeleiden franchisegevers, franchisenemers en andere ondernemingen bij het opstellen en aanvechten van uitstap- en opzegbedingen in commerciële contracten en bij de begroting van de vergoeding bij een vroegtijdige beëindiging.



