Mag de overheid sociale media verbieden voor jongeren onder de 15?

Niet met een algemeen verbod, zo oordeelde de Conseil constitutionnel, het Franse grondwettelijk hof, op 14 augustus 2026. Frankrijk had als eerste EU-lidstaat een wet aangenomen die sociale media verbiedt voor min-vijftienjarigen, maar de kernbepaling van die wet sneuvelde nog vóór haar inwerkingtreding (Conseil constitutionnel 14 augustus 2026, nr. 2026-911 DC). De beslissing is ook voor België relevant: hier woedt exact hetzelfde debat, en de Franse redenering wijst op de juridische klippen die elke Belgische of Europese regeling zal moeten omzeilen.

De feiten

Het Franse parlement nam op 21 juli 2026 een wet aan ter bescherming van minderjarigen tegen de risico’s van sociale media. Artikel 1 van die wet voegde een artikel 6-9 toe aan de Franse wet van 21 juni 2004 over de digitale economie. Dat nieuwe artikel verbood minderjarigen onder de 15 jaar in beginsel de toegang tot onlinesocialenetwerkdiensten van onlineplatformen. Het verbod zou vanaf 1 september 2026 gelden voor nieuwe accounts en vanaf januari 2027 ook voor bestaande accounts.

De cijfers achter de wet zijn niet min. Volgens de Franse mediaregulator Arcom brengen Franse kinderen tussen 12 en 17 jaar gemiddeld 1 uur en 21 minuten per dag door op TikTok alleen al. De wetgever wilde de jongste gebruikers beschermen tegen verslaving, isolement, pornografie, pesterijen en fraude.

Twee groepen van telkens meer dan zestig parlementsleden legden de wet op 23 en 24 juli 2026 voor aan de Conseil constitutionnel, die in Frankrijk wetten kan toetsen vóór hun afkondiging. Zij voerden aan dat een algemeen verbod, zonder onderscheid tussen platformen en zonder enige rol voor de ouders, de vrijheid van meningsuiting van minderjarigen schendt. Drie weken later volgde de beslissing.

De beslissing

De Conseil constitutionnel vertrok van artikel 11 van de Verklaring van de rechten van de mens en de burger van 1789, dat de vrije communicatie van gedachten en meningen waarborgt. Gelet op de rol die onlinediensten vandaag spelen in het democratische leven, omvat die vrijheid van meningsuiting volgens het rechtscollege ook het recht om toegang te krijgen tot die diensten en zich er te uiten. Beperkingen moeten noodzakelijk, geschikt en evenredig zijn aan het nagestreefde doel.

Aan de doelstellingen van de wetgever twijfelde de Conseil constitutionnel niet. Kinderen beschermen tegen verslaving, isolement, pornografie, pesterijen en fraude geeft uitvoering aan de grondwettelijke vereiste om het belang van het kind te beschermen en aan de doelstelling om aantastingen van de openbare orde te voorkomen. Die doelstellingen kunnen een toegangsbeperking voor minderjarigen rechtvaardigen. Het probleem zat in de uitwerking.

Ten eerste gold het verbod voor elk platform dat gebruikers toelaat zich te verbinden, met elkaar te communiceren, inhoud te delen en andere gebruikers of inhoud te ontdekken. De wet stelde geen enkele voorwaarde over de functies of de inhoud van de dienst, de gevaren die zij oplevert of de bescherming die zij zelf al biedt. De uitzonderingen bleven beperkt tot onlinencyclopedieën, educatieve of wetenschappelijke repertoria en opensourceplatformen. Buiten die uitzonderingen vielen dus ook diensten voor vrije tijd, informatie of onderlinge hulp, communicatieapps, onlinegames met sociale functies en sociale netwerken die aan onderwijsactiviteiten zijn gekoppeld. Het verbod kon daardoor diensten treffen waarvan geen enkel risico voor de gezondheid of de veiligheid van minderjarigen vaststaat.

Ten tweede trof het verbod alle min-vijftienjarigen op identieke wijze. Geen enkele bepaling liet de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger toe om, in het belang van het kind, het verbod op te heffen, de draagwijdte ervan te beperken of de toegang tot bepaalde diensten toe te staan. De wet hield geen rekening met de leeftijd, de maturiteit of de gezinssituatie van het kind, noch met de aard van de betrokken dienst. De Conseil constitutionnel besloot dat de wetgever, zonder de vrijheid van meningsuiting te miskennen, geen algemeen verbod kon invoeren dat minderjarigen de toegang tot talrijke onlinediensten ontzegt zonder enige aandacht voor de situatie van het kind of de risico’s van de dienst.

Daarbovenop kwam het recht op eerbiediging van het privéleven. Wie de toegang van min-vijftienjarigen verbiedt, verplicht in de praktijk iedereen, ook volwassenen, om zijn leeftijd te bewijzen vooraleer hij het platform kan gebruiken. De wet bepaalde echter voorwaarden noch grenzen voor dat leeftijdsbewijs en bevatte geen enkele wettelijke waarborg voor het privéleven. Ook op dat punt schoot artikel 1 tekort. De Conseil constitutionnel verklaarde de bepaling integraal strijdig met de Franse Grondwet, zonder de overige middelen nog te onderzoeken.

Juridische analyse en duiding

Zou een Belgisch verbod de toets van het Grondwettelijk Hof doorstaan?

In België lag eind 2025 hetzelfde voorstel op tafel. Politieke partijen Vooruit en CD&V bepleitten een verbod op sociale media tot 16 jaar, maar de Vlaamse Regering koos in december 2025 met het actieplan Veilig Online een andere weg: een effectief gehandhaafde minimumleeftijd van 13 jaar, een aanpak van verslavende algoritmes zoals oneindig scrollen en een verbod op gepersonaliseerde reclame voor minderjarigen. Komt er ooit toch een Belgisch verbod, dan wordt dat pas achteraf getoetst. Anders dan de Conseil constitutionnel, die wetten vóór hun afkondiging beoordeelt, spreekt het Belgische Grondwettelijk Hof zich pas uit nadat de wet in werking is getreden, op een vernietigingsberoep of een prejudiciële vraag.

De toetsingsmaatstaf zou wel sterk gelijklopen. Artikel 19 van de Grondwet waarborgt de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, en het Grondwettelijk Hof leest die bepaling samen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), dat dezelfde noodzakelijkheids- en evenredigheidstoets oplegt als de Franse rechter hier hanteerde. Opvallend is bovendien dat artikel 19 van de Grondwet enkel een bestraffing achteraf toelaat van misdrijven die bij het gebruik van die vrijheid worden gepleegd. Een verbod dat de toegang vooraf en voor iedereen afsluit, roept in België dus een bijkomende vraag op die in Frankrijk niet eens aan bod kwam: verdraagt zo’n preventieve maatregel zich met het repressieve stelsel van onze Grondwet?

Ook het belang van het kind snijdt in België langs twee kanten, net zoals in de Franse beslissing. Artikel 22bis van de Grondwet maakt dat belang de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat, maar hetzelfde artikel geeft elk kind het recht zijn mening te uiten, waarbij met die mening rekening wordt gehouden volgens zijn leeftijd en onderscheidingsvermogen. Een verbod dat een twaalfjarige en een veertienjarige identiek behandelt, en dat de ouders elke beoordelingsruimte ontneemt, staat op gespannen voet met precies die gradatie. Daar komt in België nog de bevoegdheidsverdeling bovenop: het mediabeleid behoort tot de gemeenschappen, terwijl het economisch recht en het strafrecht federaal zijn, zodat eerst moet vaststaan wie zo’n verbod überhaupt mag invoeren.

Waarom Europa weinig ruimte laat voor nationale verboden

De Franse wet was al gehavend vóór de Conseil constitutionnel eraan te pas kwam. De Franse Raad van State waarschuwde in zijn advies van 8 januari 2026 dat verplichtingen voor platformen om minderjarigen te weren, kunnen botsen met de digitaledienstenverordening (DSA), omdat lidstaten aan onlineplatformen geen verplichtingen mogen opleggen bovenop wat die verordening al regelt. De indieners pasten de tekst daarom aan: het verbod richtte zich tot de minderjarige zelf, niet tot het platform. De Europese Commissie maakte in haar omstandig advies van 6 juli 2026 alsnog bezwaar tegen onderdelen die een parallel nationaal toezichtsregime naast de DSA zouden creëren, waarna het parlement de handhavingsarchitectuur verder afzwakte.

Wat overbleef, was een verbod zonder eigen handhavingsmechanisme, en zelfs dat hield grondwettelijk geen stand. De les reikt verder dan Frankrijk. De DSA kiest in artikel 28 voor een risicogebaseerde benadering: platformen die toegankelijk zijn voor minderjarigen moeten passende en evenredige maatregelen nemen voor een hoog niveau van privacy, veiligheid en beveiliging van minderjarigen. De richtsnoeren van 14 juli 2025 van de Commissie werken die verplichting uit per type platform, per risico en per functie. De Conseil constitutionnel komt langs grondwettelijke weg tot precies dezelfde filosofie: niet de categorie sociale media is het probleem, wel de concrete risico’s van een concrete dienst voor een concreet kind. Wie in Europa een leeftijdsgrens wil, zal die dus per risicoprofiel moeten bouwen, zoals de Franse Senaat aanvankelijk had voorgesteld met een zwarte lijst van schadelijke platformen en ouderlijke toestemming voor de rest. Die getrapte versie haalde de eindtekst niet.

Leeftijdsverificatie blijft het zwakke punt, ook in België

Het tweede struikelblok verdient minstens evenveel aandacht als het eerste. Een leeftijdsgrens werkt alleen wanneer de leeftijd wordt gecontroleerd, en die controle raakt iedereen. De Conseil constitutionnel zei het onomwonden: het verbod verplicht ook elke volwassene om zijn leeftijd te bewijzen. Een wetgever die dat wil, moet zelf de voorwaarden en de grenzen van dat bewijs vastleggen en wettelijke waarborgen voor het privéleven inbouwen. Hij mag die vraag niet doorschuiven naar de platformen.

Voor België is dat een direct bruikbare les. De minimumleeftijd ligt hier vandaag op 13 jaar: artikel 7 van de wet van 30 juli 2018 bepaalt, in uitvoering van artikel 8 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDPR), dat een kind pas vanaf 13 jaar zelf kan toestemmen met de verwerking van zijn persoonsgegevens bij een rechtstreeks aanbod van diensten van de informatiemaatschappij. Onder die leeftijd is de toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger vereist. Het Vlaamse actieplan Veilig Online wil precies die bestaande grens eindelijk doen naleven. Ook het advies nr. 9877 van de Hoge Gezondheidsraad van 4 december 2025 koos die richting: een meerderheid van de experten zag geen heil in een totaalverbod onder de 13 jaar, bij gebrek aan wetenschappelijk bewijs en wegens de aanzienlijke praktische uitdagingen, en wie op grond van het voorzorgsprincipe de toegang onder die leeftijd toch wil beperken, erkent volgens datzelfde advies de grenzen en de mogelijk onbedoelde effecten van zo’n beperking.

De Europese Unie bouwt intussen aan het antwoord op het gegevensbeschermingsrechtelijke bezwaar. Met de aanbeveling (EU) 2026/1035 van 29 april 2026 vraagt de Commissie de lidstaten om tegen 31 december 2026 een leeftijdsverificatieoplossing beschikbaar te maken op basis van anonieme leeftijdsbewijzen: de gebruiker toont aan dat hij een leeftijdsdrempel haalt, zonder zijn exacte leeftijd of identiteit prijs te geven. Zo’n dubbelblind systeem, gekoppeld aan de Europese digitale identiteitsportemonnee, neemt het bezwaar weg dat platformen identiteitskaarten of biometrische gegevens van de hele bevolking zouden moeten verwerken. De Franse beslissing versnelt de druk om dat instrument af te werken: zolang het er niet is, sneuvelt elke nationale leeftijdsgrens op het privacyluik.

Wat betekent dit concreet?

Voor de Belgische wetgever en beleidsmakers. Een totaalverbod naar Frans model is juridisch de zwakste optie. Wie minderjarigen wil beschermen, bouwt beter verder op drie sporen die wél standhouden: de handhaving van de bestaande grens van 13 jaar uit artikel 7 van de wet van 30 juli 2018, de risicogebaseerde verplichtingen van artikel 28 DSA tegen verslavende designkeuzes, en een wettelijk geregeld, privacyvriendelijk leeftijdsbewijs volgens het Europese model. Een eventueel verbod moet gedifferentieerd zijn per type dienst en per risico, met een uitdrukkelijke rol voor de ouders en met de voorwaarden van de leeftijdscontrole in de wet zelf.

Voor platformen en aanbieders van onlinediensten. De vernietiging van het Franse verbod is geen vrijgeleide. De verplichtingen van artikel 28 DSA en de richtsnoeren van 14 juli 2025 gelden onverkort, en de Commissie gebruikt ze actief als toetssteen. Wie een dienst aanbiedt die toegankelijk is voor minderjarigen, voert best nu al een risicobeoordeling uit binnen het mediarechtelijke en gegevensbeschermingsrechtelijke kader: welke functies houden risico’s in voor minderjarigen, welke leeftijdscontrole is evenredig, en hoe worden de verzamelde gegevens geminimaliseerd.

Voor ouders en scholen. Het recht legt de eerste beoordeling vandaag bij u. De Franse beslissing bevestigt dat die ouderlijke rol geen gedoogbeleid is maar een grondrechtelijk verankerde bevoegdheid: de overheid mag ouders niet volledig buitenspel zetten, en omgekeerd blijft de begeleiding van het kind, afgestemd op zijn leeftijd en maturiteit, de maatstaf waar ook rechters naar kijken.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Is er in België een wettelijke minimumleeftijd voor sociale media?
Er bestaat geen verbodsleeftijd zoals Frankrijk die wilde invoeren. Wel kan een kind pas vanaf 13 jaar zelf toestemmen met de verwerking van zijn persoonsgegevens door onlinediensten (artikel 7 van de wet van 30 juli 2018). Onder de 13 jaar is de toestemming van de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger vereist. De Vlaamse Regering zet sinds december 2025 in op de effectieve handhaving van die grens, niet op een verbod.

Mag een EU-lidstaat sociale media verbieden voor jongeren?
Dat ligt dubbel moeilijk. Nationaal botst een algemeen verbod op de vrijheid van meningsuiting en het recht op privéleven, zoals de Franse beslissing nr. 2026-911 DC illustreert. Europees mag een lidstaat aan onlineplatformen geen verplichtingen opleggen bovenop de digitaledienstenverordening, die zelf voor een risicogebaseerde aanpak kiest. Een gedifferentieerde regeling met ouderlijke toestemming en wettelijk omkaderde leeftijdscontrole maakt meer kans dan een totaalverbod.

Waarom is leeftijdsverificatie juridisch zo gevoelig?
Omdat een leeftijdsgrens voor minderjarigen alleen werkt wanneer iedereen zijn leeftijd bewijst, ook volwassenen. Dat bewijs vergt gegevensverwerking op bevolkingsschaal, met risico’s op datalekken en identiteitskoppeling. De Europese Commissie ontwikkelt daarom een systeem van anonieme leeftijdsbewijzen, waarmee een gebruiker aantoont dat hij een leeftijdsdrempel haalt zonder zijn identiteit prijs te geven. De lidstaten zouden zo’n oplossing tegen 31 december 2026 beschikbaar moeten maken.

Conclusie

De Franse Conseil constitutionnel vernietigde het eerste algemene socialemediaverbod van de Europese Unie omdat het geen onderscheid maakte tussen platformen, geen rekening hield met de leeftijd en maturiteit van het kind, de ouders volledig uitschakelde en de leeftijdscontrole zonder enige wettelijke waarborg liet. Voor België bevestigt de beslissing dat de bescherming van minderjarigen online langs de risicogebaseerde weg loopt: handhaving van de toestemmingsleeftijd van 13 jaar, de platformverplichtingen van de DSA en een wettelijk geregeld, anoniem leeftijdsbewijs. Een totaalverbod zou ook naar Belgisch recht op de vrijheid van meningsuiting en het recht op privéleven stuklopen.


Joris Deene

Mr. Joris Deene is advocaat-partner bij Everest Advocaten en leidt het departement intellectuele eigendom, IT-recht, AI-recht, gegevensbescherming en mediarecht. ICT Rechtswijzer is het kennisplatform van dat departement. Joris publiceert en doceert over auteursrecht, merkenrecht, softwarerecht, de AVG, de AI-Act, de DSA en het mediarecht.

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics