U wordt geconfronteerd met lasterlijke of beledigende berichten op social media zoals X (voorheen Twitter). U overweegt een strafklacht, maar twijfelt over de haalbaarheid. Het antwoord is complex: ja, het Belgische Hof van Cassatie heeft in een arrest van 21 oktober 2025 nogmaals bevestigd dat publieke, lasterlijke berichten op social media wel degelijk een ‘drukpersmisdrijf’ kunnen vormen. Dit heeft verregaande gevolgen: de correctionele rechter is onbevoegd, en de zaak moet in principe voor het hof van assisen komen.
De feiten en de juridische context van de zaak
De zaak die leidde tot het arrest van het Hof van Cassatie begon met een reeks Twitterberichten. Naar aanleiding van een reportage in het VRT-programma ‘Terzake’ plaatste een beklaagde (B.A.) verschillende berichten op zijn publieke Twitter-account. In die berichten omschreef hij de burgerlijke partij (M.S.) onder meer als een “oplichter”.
De burgerlijke partij diende een klacht in en de beklaagde werd vervolgd voor diverse tenlasteleggingen, waaronder valsheid in informatica (A), belaging (B) en laster (C).
In hoger beroep verklaarde het hof van beroep te Brussel zich echter onbevoegd. De redenering van het hof? De Twitterberichten, die een mening van de auteur inhielden en publiek werden verspreid, vormden een mogelijk drukpersmisdrijf. Volgens de Belgische Grondwet (artikel 150) vallen drukpersmisdrijven onder de exclusieve bevoegdheid van het hof van assisen, en dus niet onder de correctionele rechtbank. Omdat de andere feiten (belaging, valsheid) onlosmakelijk verbonden waren met deze berichten, verklaarde het hof zich onbevoegd voor het gehele dossier.
De burgerlijke partij trok daarop naar het Hof van Cassatie, met het argument dat Twitterberichten geen “drukpers” zijn en de feiten dus wel degelijk door de correctionele rechter beoordeeld moesten worden.
De beslissing van het Hof van Cassatie
Het Hof van Cassatie heeft op 21 oktober 2025 de cassatievoorziening verworpen. Het volgt de redenering van het hof van beroep en bevestigt de ruime interpretatie van het begrip ‘drukpersmisdrijf’.
De kern van de redenering van het Hof van Cassatie:
- Wat is een drukpersmisdrijf? Het Hof herhaalt de definitie: het vereist een strafbare meningsuiting (een gedachte of oordeel) in een tekst die vermenigvuldigd is door een drukpers of een gelijkaardig procedé.
- Is X (Twitter) een ‘gelijkaardig procedé’? Ja. Het Hof oordeelt expliciet dat “digitale verspreiding van teksten, met inbegrip van de plaatsing van publiek toegankelijke berichten op sociale media, vormt een dergelijk gelijkaardig procedé”.
- Maakt een persoonlijk account een verschil? Nee. Het feit dat het om een persoonlijk account gaat en niet om een traditioneel medium, doet niets af aan de kwalificatie.
- Wat telt als ‘mening’? De burgerlijke partij argumenteerde dat de tweets loutere informatie of weergaves van uitspraken waren. Het Hof van Cassatie veegt dit van tafel. Er is niet vereist dat de mening “een bepaalde maatschappelijke relevantie of gewichtigheid heeft”. Een “eenvoudige lasterlijke aantijging, zoals het omschrijven van een persoon als oplichter, kan een drukpersmisdrijf uitmaken”.
- Wat met de intentie? De burgerlijke partij stelde dat de tweets bedoeld waren om te intimideren en te belagen, niet om publiek informatie te verspreiden. Het Hof stelt dat het motief (belasteren versus informeren) niet van belang is voor de kwalificatie van het misdrijf.
De conclusie van het Hof is duidelijk: het hof van beroep oordeelde correct dat de Twitterberichten een meningsuiting bevatten die via een aan de drukpers gelijkaardig procedé (social media) openbaar is gemaakt. Daarom is het hof van assisen bevoegd, en niet de correctionele rechter.
Juridische analyse en duiding
Dit arrest is een bevestiging van hoe het 19e-eeuwse artikel 150 van de Grondwet wordt toegepast in de 21e eeuw. De oorspronkelijke bedoeling van dit artikel was om de persvrijheid te beschermen tegen de overheid, door zaken over de pers (zoals opruiing of laster) voor te behouden aan een volksjury (het hof van assisen).
Deze evolutie is al langer aan de gang. De rechtspraak moest zich aanpassen aan nieuwe technologieën.
- Al in 2012 stelde het Hof van Cassatie (Cass. 6 maart 2012) dat de digitale verspreiding van teksten een procedé is dat “gelijkaardig is aan de drukpers”. Het Hof oordeelde toen dat het begrip ‘drukpers’ evolutief geïnterpreteerd moet worden, kijkend naar de geest van de grondwetgever. Die wilde de “bestendige verspreiding van ideeën bij de massa” vrijwaren. Vanuit die optiek zijn telecommunicatiemiddelen, zoals het internet, ook een ‘drukpers’.
- In 2022 bevestigde het Hof (Cass. 18 januari 2022) dit expliciet voor sociale media. Het stelde dat “de plaatsing van publiek toegankelijke berichten op sociale media” een dergelijk gelijkaardig procedé vormt.
Het arrest van 2025 bouwt hier rechtstreeks op voort, maar de focus blijft liggen op tekst (‘geschriften’). Een meer complexe vraag is wat er gebeurt met louter audiovisuele meningsuitingen, zoals laster in een YouTube-video zonder begeleidende tekst. In een eerdere blog analyseerden wij een Gentse uitspraak waarbij een rechter oordeelde dat ook een YouTube-video als drukpersmisdrijf kan gelden. Die interpretatie, die afwijkt van de traditionele cassatierechtspraak die een ‘geschrift’ vereist, toont aan hoe de rechtbanken worstelen met de toepassing van de Grondwet op nieuwe media.
Het arrest over de Twitterberichten leidt echter tot een paradoxale situatie:
- De bescherming keert zich tegen het slachtoffer: Wat bedoeld was als een waarborg voor de vrijheid van meningsuiting, is uitgegroeid tot een haast onoverkomelijke procedurele hindernis voor slachtoffers van online laster. Een assisenprocedure is extreem zwaar, tijdrovend, duur en wordt door het Openbaar Ministerie zelden opgestart voor dergelijke feiten.
- Ruime interpretatie bevestigd: Het Hof kiest voor een technologische ruime interpretatie. ‘Drukpers’ betekent elke vorm van digitale, publieke verspreiding van tekst. ‘Mening’ betekent elke aantijging, hoe simplistisch ook.
- De ‘samenhang’ is cruciaal: Het Hof bevestigt ook dat wanneer een drukpersmisdrijf (de tweets) “onlosmakelijk verbonden” is met andere misdrijven (zoals belaging of valsheid in informatica), het hof van assisen bevoegd is voor het gehele dossier. Dit ‘trekt’ de hele zaak weg bij de correctionele rechter.
Dit arrest maakt een strafrechtelijke aanpak van online laster via publieke social media posts zo goed als onmogelijk in de praktijk. Het Hof van Cassatie merkt zelf op dat het slachtoffer hierdoor niet in de kou blijft staan: hij kan nog steeds zijn vordering instellen voor de burgerlijke rechter.
Wat dit concreet betekent
De praktische gevolgen van dit arrest zijn significant, zowel voor slachtoffers als voor daders van online laster.
Voor het slachtoffer
Wordt u online publiekelijk uitgescholden, belasterd of valselijk beschuldigd (bv. op X, Facebook, of in de comments van een nieuwssite)?
- De strafrechtelijke weg is afgeraden: Een strafklacht indienen bij de politie zal hoogstwaarschijnlijk leiden tot een seponering of, als het toch voor de rechtbank komt, tot een uitspraak van onbevoegdheid (zoals in deze zaak). De kans dat uw zaak ooit voor het hof van assisen komt, is nihil.
- De burgerrechtelijke weg is de oplossing: Het Hof van Cassatie wijst zelf op de alternatieve route. U kunt de dader rechtstreeks dagvaarden voor de burgerlijke rechtbank. U start dan geen strafprocedure, maar een vordering tot schadevergoeding op basis van de artikelen 6.6-6.7 Burgerlijk Wetboek (fout, schade en oorzakelijk verband). Dit is een veel snellere, goedkopere en effectievere procedure om de dader te laten veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding voor de reputatieschade die u heeft geleden.
Voor de dader (de auteur van de post)
Deze uitspraak lijkt een vrijgeleide te zijn voor online laster, maar dat is het niet.
- Strafrechtelijk (bijna) immuun: U loopt inderdaad weinig risico op een strafrechtelijke veroordeling door de correctionele rechtbank voor publieke posts.
- Burgerrechtelijk zeer kwetsbaar: U kunt echter wel persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor de financiële gevolgen van uw “meningsuiting”. Als een slachtoffer kan aantonen dat uw post een foutieve daad was (bv. laster) en dat hij/zij daardoor schade heeft geleden (reputatieschade, verlies van klanten, …), kan een burgerlijke rechter u veroordelen tot het betalen van een potentieel aanzienlijke schadevergoeding.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Is elke belediging op social media een drukpersmisdrijf?
Nee, niet noodzakelijk. Het moet gaan om een publiek toegankelijk geschreven bericht dat een strafbare mening (zoals laster of eerroof) bevat. Privéberichten (zoals een DM op Instagram of een WhatsApp-bericht) vallen hier in principe niet onder, omdat het element van “effectieve publiciteit” of “vermenigvuldiging” ontbreekt.
Wat is het verschil tussen het hof van assisen en de correctionele rechtbank?
De correctionele rechtbank behandelt de meeste wanbedrijven (diefstal, oplichting, slagen en verwondingen) en wordt bemand door professionele rechters. Het hof van assisen behandelt de zwaarste misdaden (zoals moord), politieke misdrijven en drukpersmisdrijven. In het hof van assisen wordt de schuldvraag beantwoord door een volksjury van 12 burgers. Een assisenprocedure is veel langer, complexer en duurder.
Kan ik dan helemaal niets meer doen tegen laster op X (Twitter) of Facebook?
Jawel. Hoewel de strafrechtelijke weg (via een klacht bij de politie) in de praktijk is afgesloten door deze rechtspraak, staat de burgerrechtelijke weg wagenwijd open. Het Hof van Cassatie bevestigt zelf dat het slachtoffer zich tot de burgerlijke rechter kan wenden. U kunt de dader via een advocaat laten dagvaarden om een schadevergoeding te eisen voor de geleden reputatieschade.
Conclusie en advies
Het Hof van Cassatie bevestigt een consistente lijn in zijn rechtspraak: een lasterlijk bericht op een publiek social media-account zoals X (Twitter) is een ‘drukpersmisdrijf’. Dit neutraliseert in de praktijk de strafrechtelijke vervolging, omdat de correctionele rechtbank onbevoegd is en de zaak naar het hof van assisen moet.
De meest strategische en effectieve route voor slachtoffers is dan ook niet de strafklacht, maar de burgerlijke vordering tot schadevergoeding.



