Nee, niet op grond van het Belgische recht zoals het vandaag geldt. De voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel oordeelde op 30 september 2026 dat geen enkele wettelijke bepaling een nieuwsmedium verplicht om oude artikelen te actualiseren met een latere vrijspraak, en dat het recht van antwoord uit de wet van 23 juni 1961 daarvoor evenmin dient. Wie die actualisering toch via de rechter wil afdwingen, riskeert sinds de anti-SLAPP-wet van 30 mei 2026 zelf een veroordeling. In de zaak tegen de RTBF kostte de poging de eisers 2.500 euro schadevergoeding, een verhoogde rechtsplegingsvergoeding van 3.000 euro en het rolrecht.
In het kort:
- De voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel wees op 30 september 2026 in kort geding de vordering af van een vzw en haar bestuurder om onder drie RTBF-artikelen uit 2020 een vermelding van hun vrijspraak van 12 september 2025 te laten plaatsen.
- De vordering strandde op het gebrek aan spoedeisendheid: de artikelen dateerden van meer dan vijf jaar vóór de procedure, zij gingen niet over de strafvervolging, en de wet van 23 juni 1961 bood een eigen procedure ten gronde.
- De rechter paste voor het eerst de criteria van de nieuwe anti-SLAPP-wet toe op een vordering tégen een medium en veroordeelde de eisers tot 2.500 euro schadevergoeding en een rechtsplegingsvergoeding van 3.000 euro.
De feiten
In het voorjaar en de zomer van 2020, midden in de coronacrisis, publiceerde de RTBF op haar website drie artikelen over sneltests. Het eerste, van 10 april 2020, onderzocht de betrouwbaarheid van zelftests die online aan particulieren werden verkocht. Het tweede, van 12 augustus 2020, berichtte dat de politie in Bergen een testsessie had stilgelegd die een huisarts organiseerde via de vzw United People. Het derde, van 21 augustus 2020, meldde dat een burgerbeweging tegen die arts een klacht had ingediend bij de Orde der artsen. In dat laatste artikel werd ook een bestuurder van de vzw bij naam genoemd.
De vzw en haar bestuurder kregen op 2 oktober 2020 huiszoekingen over de vloer, werden op 3 april 2024 door de raadkamer naar de correctionele rechtbank verwezen en werden op 12 september 2025 door de correctionele rechtbank te Bergen vrijgesproken. De rechtbank stelde vast dat de tests die zij verkochten, bestemd waren om door een zorgverlener te worden afgenomen en dus niet onder het koninklijk besluit vielen dat zelftests verbood.
Enkele dagen later, op 18 en 22 september 2025, vroegen zij de RTBF per e-mail om een “recht van antwoord”: een vermelding van de vrijspraak onder de drie artikelen. De RTBF weigerde. Klachten bij de Conseil de déontologie journalistique werden onontvankelijk verklaard. Op 23 oktober 2025 dienden de eisers een verzoekschrift in bij de kortgedingrechter te Bergen, die zich op 3 april 2026 territoriaal onbevoegd verklaarde en de zaak naar Brussel verwees.
Hun uiteindelijke vordering luidde: de RTBF binnen 48 uur na betekening veroordelen om onder elk van de drie artikelen een actualisering te plaatsen, met de vermelding van de datum van de beschikking en de tekst van de vrijspraak, onder verbeurte van een dwangsom van 2.000 euro per dag en per artikel. Hun oorspronkelijke verzoekschrift ging aanzienlijk verder: daarin vorderden zij meer dan 7.770.000 euro, op een schade die zij zelf tussen 400 en 800 miljoen euro raamden. De RTBF vroeg op haar beurt, bij tegenvordering, de erkenning dat de procedure een SLAPP was, met 2.500 euro schadevergoeding per eiser en een verhoogde rechtsplegingsvergoeding.
De beslissing
De bevoegdheid van de kortgedingrechter en het gebrek aan spoedeisendheid
De RTBF voerde aan dat de voorzitter in kort geding niet bevoegd was, omdat de wet van 23 juni 1961 betreffende het recht tot antwoord een vordering “zoals in kort geding” voorschrijft waarbij de voorzitter ten gronde oordeelt. De voorzitter verwierp dat verweer: de zaak was aanhangig gemaakt op grond van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, en voor die vordering is hij bevoegd. De toets gebeurt dan wel volgens de criteria van het gewone kort geding, met de spoedeisendheid voorop.
Spoedeisendheid is de voorwaarde dat de vrees voor een schade van een zekere omvang, of voor ernstige ongemakken, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Het Hof van Cassatie omschreef het begrip zo in zijn arrest van 13 september 1990 (Cass. 13 september 1990, 8533). Wie de spoedeisendheid in zijn inleidende akte inroept, maakt de kortgedingrechter bevoegd; stelt die rechter nadien vast dat de spoedeisendheid ontbreekt, dan verklaart hij de vordering niet gegrond (Cass. 10 april 2003, C.02.0229.F). De voorzitter herhaalde ook de drie klassieke uitsluitingsgronden: wie te lang heeft gewacht, wie de spoed zelf heeft veroorzaakt, en wie via de procedure ten gronde tijdig hetzelfde resultaat kan bereiken, krijgt geen uitspraak in kort geding.
Op die drie punten liep de vordering vast. De artikelen dateerden van april en augustus 2020, dus van meer dan vijf jaar vóór het verzoekschrift. De eisers legden volgens de voorzitter niet uit waarom de vrijspraak van 12 september 2025 hun toestand concreet had gewijzigd, of waarom het uitblijven van een vermelding van die vrijspraak hun schade vandaag zou verergeren. Bovendien gingen de drie artikelen niet over de strafvervolging: zij berichtten over sneltests, een stilgelegde testsessie en een klacht bij de Orde der artsen. Het verband tussen de publicaties en de latere vrijspraak was volgens de voorzitter onvoldoende rechtstreeks. De artikelen waren ook niet onjuist geworden; zij gaven getrouw weer wat op het ogenblik van publicatie bestond. Ten slotte wees de voorzitter op artikel 12 van de wet van 23 juni 1961: wie een recht van antwoord geweigerd ziet, kan binnen vijftien dagen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg vatten, die dan ten gronde en in laatste aanleg uitspraak doet. Die weg stond open en volstond.
De vordering werd dus afgewezen bij gebrek aan spoedeisendheid. Wat volgt, voegde de voorzitter uitdrukkelijk ten overvloede toe.
Het recht van antwoord uit de wet van 23 juni 1961
De voorzitter toetste de vraag ook aan de voorwaarden van het recht van antwoord zelf. Artikel 8 van de wet van 23 juni 1961 vereist, op straffe van onontvankelijkheid, een aangetekende brief uiterlijk op de dertigste dag na de uitzending, het programma of de uitgave, en een antwoordtekst van ten hoogste drie minuten leestijd of 4.500 tekens. De eisers stuurden e-mails in september 2025 over artikelen uit 2020. Volgens de voorzitter hadden zij hun recht van antwoord daardoor verloren.
Daar kwam artikel 9 van dezelfde wet bij. Een antwoord mag worden geweigerd wanneer het niet in onmiddellijk verband staat met de gewraakte woorden of beelden, of verder gaat dan nodig is om onjuiste feiten recht te zetten. De gevraagde tekst ging over de vrijspraak, terwijl de artikelen de strafvervolging nergens vermeldden. Er was volgens de voorzitter geen onmiddellijk verband, zelfs geen onrechtstreeks. Het loutere feit dat iemand in een artikel wordt genoemd, geeft volgens hem op zich geen recht van antwoord op elk later onderwerp.
De buitencontractuele fout van de omroep die weigert te actualiseren
De eisers steunden hun vordering ook op artikel 6.5 van het Burgerlijk Wetboek: de RTBF beging een fout door haar artikelen niet te actualiseren. De voorzitter zag daar geen rechtsgrond voor. Niemand beschikt over een subjectief recht om van een medium te eisen dat het een bepaalde informatie publiceert of doorgeeft. De vrijheid van meningsuiting beschermt niet alleen het recht om te publiceren, maar ook de vrijheid van een redactie om te kiezen wat zij publiceert. Behoudens een bijzondere wettelijke verplichting, zoals het recht van antwoord, kan een rechter een medium niet dwingen een bepaalde inhoud te brengen of een bepaald onderwerp te behandelen.
Geen enkele bepaling, aldus de voorzitter, verplicht een persorgaan om zijn publicaties systematisch aan te vullen met elke latere evolutie in de situatie van de genoemde personen. Zo’n verplichting zou een inmenging zijn in de redactionele vrijheid van de RTBF, die zij beschermd zag door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De tegenvordering van de RTBF op grond van de anti-SLAPP-wet
De RTBF riep de wet van 30 mei 2026 in, die de richtlijn (EU) 2024/1069 over strategische rechtszaken tegen publieke participatie omzet. Een SLAPP, in de woorden van het nieuwe artikel 1385/1 van het Gerechtelijk Wetboek, is een procedure die niet wordt ingeleid om daadwerkelijk een recht te doen gelden, maar die als voornaamste doel heeft het publieke debat te voorkomen, te beperken of te bestraffen, met geheel of gedeeltelijk ongegronde vorderingen.
De voorzitter zette eerst een misverstand recht. De RTBF vroeg 2.500 euro op grond van het gewijzigde artikel 780bis van het Gerechtelijk Wetboek, dat de geldboete voor misbruik van procesrecht tegen het publieke debat optrekt tot 25.000 euro. Die boete komt evenwel toe aan de Staat, niet aan de tegenpartij; zij staat los van de schadevergoeding voor een tergend en roekeloos geding.
Vervolgens liep de voorzitter de indicatoren van het nieuwe artikel 1385/5 af: de onevenredigheid van de vordering en de buitensporige waarde van het geschil, het bestaan van meerdere procedures over soortgelijke aangelegenheden, intimidatie vóór of tijdens de procedure, misbruik van machtsongelijkheid, procedurele tactieken te kwader trouw. Hij stelde vast dat de eisers aanvankelijk meer dan 7.770.000 euro vorderden, dat zij parallel meerdere procedures hadden ingeleid, dat zij hun voorwerp en rechtsgronden tijdens de conclusies ingrijpend hadden gewijzigd, en dat zij op sociale media een bijzonder virulente campagne tegen de RTBF voerden, met beschuldigingen van oplichting en valsheid in geschrifte. Zij beriepen zich bovendien op artikelen waarin zij niet eens werden genoemd en op zoekmachine-effecten die zij niet aantoonden.
De voorzitter besloot dat de procedure minder de erkenning van een subjectief recht beoogde dan het onder druk zetten van een persorgaan om gunstige informatie te verspreiden, tegen zijn redactionele vrijheid in. Hij kwalificeerde de vordering als misbruik van procesrecht en veroordeelde de eisers in solidum tot 2.500 euro schadevergoeding. Op grond van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, dat het kennelijk onredelijke karakter van de situatie als criterium voor een verhoging noemt, werd de rechtsplegingsvergoeding op 3.000 euro gebracht. Het Hof van Cassatie aanvaardde eerder dat de proceshouding van een partij in andere gedingen daarbij meetelt als element van een onredelijke situatie (Cass. 24 juni 2010, C.09.0425.N). Daar kwam nog het rolrecht van 165 euro bij.
Juridische analyse en duiding
De wet van 1961 kent twee regimes, en de online tekst past in geen van beide
De voorzitter toetste de aanvraag aan de artikelen 8, 9 en 12 van de wet van 23 juni 1961. Die drie artikelen staan in hoofdstuk II van de wet, dat in 1977 is ingevoegd voor audiovisuele media: de dertigdagentermijn, de aangetekende brief, de limiet van 4.500 tekens en de procedure voor de voorzitter die ten gronde en in laatste aanleg beslist. Voor gedrukte “periodieke geschriften” geldt hoofdstuk I, met andere regels: een termijn van drie maanden (artikel 1), een antwoord van ten hoogste duizend letters of het dubbele van de bestreden tekst (artikel 2), weigeringsgronden in artikel 3 en een strafsanctie voor de uitgever die niet opneemt (artikel 5).
De drie gewraakte publicaties waren geschreven artikelen op de website van een omroep. Zijn dat “uitgaven van periodieke aard” van een audiovisuele producent, of periodieke geschriften? De beschikking stelt die vraag niet, en de RTBF had er geen belang bij haar te stellen. De wet van 1961 bevat geen regeling voor de onlinepers. Een vermelding van de wettelijke grondslag die de voorzitter toepaste, zou dus op zijn minst een motivering hebben verdiend over de vraag welk hoofdstuk op een onlinetekst van een omroep van toepassing is.
Voor de uitkomst maakte het niets uit. Ook onder hoofdstuk I was de termijn van drie maanden in september 2025 al vijf jaar verstreken, en ook artikel 3 vereist een onmiddellijk verband met de bestreden tekst. Maar het illustreert hoe gebrekkig het wettelijke instrumentarium is voor wie iets wil laten rechtzetten in een artikel dat online blijft staan. Het Vlaamse mediadecreet laat zien dat het anders kan. Artikel 113 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie kent aan wie in een programma als verdachte, beklaagde of beschuldigde is genoemd en nadien definitief buiten vervolging is gesteld of vrijgesproken, een “recht van mededeling” toe. De aanvraag moet binnen drie maanden na het definitief worden van die beslissing worden ingediend. Dat is precies wat de eisers in Brussel wilden bereiken. Alleen bestaat dat recht enkel voor Vlaamse omroepdiensten, enkel voor programma’s en enkel voor wie als verdachte in beeld kwam. In dit dossier zou het ook daar zijn misgelopen, want de RTBF-artikelen noemden de strafvervolging niet.
Het ontbreken van een actualiseringsplicht is geen absolute regel
De voorzitter schreef dat geen bepaling een persorgaan verplicht om zijn publicaties systematisch te actualiseren. Dat klopt als algemene regel, maar de redenering mag niet worden omgedraaid tot de stelling dat een gearchiveerd artikel onaantastbaar is. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde in het arrest Hurbain (EHRM (Grote Kamer) 4 juli 2023, 57292/16) dat de Belgische veroordeling van een krantenuitgever tot anonimisering van een twintig jaar oud artikel in zijn onlinearchief verenigbaar was met artikel 10 van het Verdrag. Een rechter kan dus wel degelijk ingrijpen in een archief, op grond van het recht op vergetelheid. Hoe het hof van beroep te Gent die afweging maakte, bespraken we eerder in onze blog over de vraag wanneer het recht op vergetelheid opweegt tegen de persvrijheid.
Het verschil met de Brusselse zaak zit in de richting van de ingreep. Het recht op vergetelheid haalt iets weg: een naam, een identificerend element, een vindbaarheid via zoekmachines. De eisers tegen de RTBF wilden iets toevoegen: een tekst die de omroep niet zelf had geschreven, onder artikelen die niet over hun vervolging gingen. Een bevel om te anonimiseren beperkt de verspreiding van informatie; een bevel om een vermelding toe te voegen dwingt een redactie om te spreken. Dat laatste is de zwaardere inmenging, en de voorzitter plaatste de redactionele vrijheid terecht aan die kant van de weegschaal. De journalistieke deontologie kent overigens wel een regel die vrijspraken “loyaal” laat vermelden wanneer eerder herkenbaar over een verdachte is bericht. Maar die regel wordt bewaakt door de Raad voor de Journalistiek en de Conseil de déontologie journalistique, niet door de kortgedingrechter, en in dit dossier had de Conseil de klachten net onontvankelijk verklaard.
De anti-SLAPP-wet voor het eerst toegepast, en meteen op burgers tegen een omroep
Het opvallendst aan deze beschikking is dat de nieuwe anti-SLAPP-wet wordt ingezet tegen twee burgers die procederen tegen de publieke omroep van de Franse Gemeenschap. De richtlijn is geschreven met het omgekeerde beeld voor ogen: een vermogende eiser die een journalist of activist met procedures het zwijgen oplegt. Artikel 4, 3), van de richtlijn omschrijft misbruik van procesrecht als procedures “waarbij vaak misbruik wordt gemaakt van ongelijke machtsverhoudingen tussen de partijen”. De Belgische omzetting in artikel 1385/1 van het Gerechtelijk Wetboek liet die zinsnede weg; de machtsongelijkheid is in artikel 1385/5 enkel nog een van de indicatoren die de rechter “onder meer” in aanmerking kan nemen. De Brusselse voorzitter hoefde zich dus niet uit te spreken over de vraag wie hier de machtige partij was, en deed dat ook niet.
Een tegenargument ligt voor de hand. De wet beschermt wie deelneemt aan het publieke debat tegen vorderingen die dat debat willen beperken of bestraffen. De eisers wilden geen artikel laten verwijderen en geen journalist laten zwijgen; zij wilden meer informatie online, niet minder. Kan een vordering die méér publicatie beoogt, het publieke debat “beperken”? De voorzitter beantwoordde die vraag niet uitdrukkelijk, maar zijn redenering wijst de weg: een omroep dwingen om te publiceren wat hij niet wil publiceren, raakt de redactionele vrijheid even goed als een publicatieverbod. Daar komt bij dat de wet niet enkel het doel weegt, maar ook het middel. Een oorspronkelijke eis van meer dan 7.770.000 euro tegen een omroep, voor artikelen waarin de eisers deels niet eens werden genoemd, voldoet aan de eerste indicator van artikel 1385/5 ongeacht wie eist. De beschikking leert dus dat de SLAPP-kwalificatie niet is voorbehouden aan machtige eisers, en dat ook een particulier die buitensporig procedeert tegen een medium erdoor kan worden getroffen.
Twee technische kanttekeningen tonen hoe jong de wet is. Ten eerste werd het verzoekschrift ingediend op 23 oktober 2025, terwijl de wet pas op 12 juni 2026 in het Belgisch Staatsblad verscheen. Procedurewetten gelden in beginsel onmiddellijk voor hangende gedingen, en de voorzitter gebruikte artikel 1385/5 als beoordelingskader voor gedrag dat grotendeels in 2026 plaatsvond, maar de beschikking zegt niets over die temporele vraag. Ten tweede kent de Belgische wet voor binnenlandse SLAPP’s geen eigen schadevergoedingsvordering: artikel 1385/6 regelt enkel de vergoeding na een procedure voor een rechter buiten de Europese Unie, en artikel 780bis is een boete voor de Staat. De 2.500 euro die de RTBF kreeg, steunt dus op het gemene recht van het tergend en roekeloos geding, met de SLAPP-indicatoren als motivering. Dat is ook hoe de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen het op 4 juni 2026 deed, vóór de omzetting, zoals we analyseerden in onze blog over de vraag of een rechter een pestproces als SLAPP kan bestraffen zonder omzettingswet. De Belgische wetgever ging wel verder dan de richtlijn op één punt: de richtlijn geldt volgens haar artikel 1 enkel voor zaken met grensoverschrijdende gevolgen, de Belgische wet voor elke procedure, ook een zuiver interne zoals deze.
Wat betekent dit concreet?
Voor wie na een vrijspraak in oude berichtgeving wordt genoemd. Een vrijspraak geeft u geen recht om een medium te verplichten die vrijspraak te vermelden onder artikelen die over iets anders gingen. Wilt u reageren op een artikel, doe dat dan binnen de wettelijke termijn, per aangetekende brief, met een tekst die rechtstreeks op de gewraakte passages antwoordt. Is die termijn verstreken, dan blijven de deontologische weg bij de Raad voor de Journalistiek of de Conseil de déontologie journalistique en een vraag aan de redactie zelf over; veel redacties passen artikelen op verzoek aan wanneer de berichtgeving onjuist is geworden. Houd uw vordering, als u toch naar de rechter stapt, in verhouding tot wat u werkelijk wilt bereiken: een eis van miljoenen euro’s om een vermelding van twee zinnen af te dwingen, is sinds 2026 een aanwijzing van misbruik van procesrecht. Twijfelt u welke weg nog openstaat voor een artikel dat jaren online staat, dan is dat het eerste wat wij voor u nagaan.
Voor redacties en omroepen. De beschikking bevestigt dat een redactie niet verplicht is haar archief te actualiseren met elke latere ontwikkeling, en dat een rechter haar niet kan dwingen een bepaalde inhoud te publiceren buiten het wettelijke recht van antwoord. Dat ontslaat een redactie niet van de afweging onder het recht op vergetelheid wanneer iemand om anonimisering vraagt, want daar ligt de rechtspraak anders. Nieuw is dat u tegen een buitensporige vordering niet alleen de afwijzing kunt vragen, maar ook de SLAPP-kwalificatie, met een verhoogde rechtsplegingsvergoeding en een schadevergoeding. Vraag die schadevergoeding op de juiste grondslag: het tergend en roekeloos geding, en niet de boete van artikel 780bis, die aan de Staat toekomt. Bewaar de stukken die de indicatoren van artikel 1385/5 aantonen, zoals het oorspronkelijke verzoekschrift met de volledige eis, de parallelle procedures en de uitlatingen van de eiser op sociale media.
Voor procespartijen in kort geding. Spoedeisendheid moet bestaan bij het inleiden van de vordering en nog altijd bij het sluiten van de debatten. Wie een nieuw feit inroept om een oude toestand opnieuw spoedeisend te maken, moet concreet aantonen dat dit feit een actueel risico op ernstige schade schept of de bestaande schade verergert. En wie een bijzondere wettelijke procedure heeft, zoals die van artikel 12 van de wet van 23 juni 1961, moet die volgen; het gewone kort geding is dan de verkeerde deur. Hoe dat misloopt bij laster en eerroof, beschreven we in onze blog over de vraag of u via een vordering zoals in kort geding laster en eerroof kunt stoppen. Meer over de grenzen van de redactionele vrijheid leest u op onze pagina’s over mediavrijheid en het recht van antwoord; de nieuwe wet bespreken we op onze pagina over de anti-SLAPP-wet.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Kan ik een krant of omroep verplichten een artikel aan te passen na mijn vrijspraak?
Niet op grond van een algemene regel. De voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel oordeelde op 30 september 2026 dat geen wettelijke bepaling een medium verplicht zijn artikelen te actualiseren met een latere vrijspraak, en dat een rechter een redactie niet kan dwingen een bepaalde inhoud te publiceren. Enkel het wettelijke recht van antwoord, met zijn strikte termijnen en voorwaarden, geeft een afdwingbaar recht. Voor Vlaamse omroepprogramma’s bestaat daarnaast een recht van mededeling na vrijspraak.
Binnen welke termijn moet ik een recht van antwoord vragen?
Dat hangt af van het medium. Voor audiovisuele uitzendingen en programma’s vereist artikel 8 van de wet van 23 juni 1961 een aangetekende brief uiterlijk op de dertigste dag na de uitzending of uitgave; de tekst mag ten hoogste 4.500 tekens of drie minuten leestijd beslaan. Voor gedrukte periodieke geschriften geldt een termijn van drie maanden. Wordt het antwoord geweigerd, dan kunt u binnen vijftien dagen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg vatten. Een e-mail vijf jaar na publicatie, zoals in de RTBF-zaak, komt te laat.
Wat is een SLAPP en wanneer riskeer ik zelf een veroordeling?
Een SLAPP is een procedure die niet dient om een recht te doen gelden, maar om deelname aan het publieke debat te voorkomen, te beperken of te bestraffen, met geheel of gedeeltelijk ongegronde vorderingen. Sinds de wet van 30 mei 2026 kan de rechter onder meer letten op de onevenredigheid van de eis, het aantal parallelle procedures, intimidatie en procedurele tactieken te kwader trouw. Wie zo procedeert, riskeert een schadevergoeding, een verhoogde rechtsplegingsvergoeding en een geldboete tot 25.000 euro.
Moet een nieuwsmedium zijn onlinearchief dan nooit aanpassen?
Zo ver gaat de beschikking niet. Een medium moet zijn artikelen niet uit eigen beweging aanvullen met latere ontwikkelingen, maar het kan wel worden verplicht een oud artikel te anonimiseren wanneer het recht op vergetelheid van een betrokkene zwaarder weegt dan het belang van het archief. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanvaardde zo’n bevel in het arrest Hurbain tegen België van 4 juli 2023. Iets weghalen uit een archief en iets toevoegen aan een artikel zijn juridisch twee verschillende ingrepen.
Conclusie
De beschikking van 30 september 2026 trekt een duidelijke lijn in België: wie na een vrijspraak wil dat een medium oude artikelen bijwerkt, heeft daarvoor geen subjectief recht, geen spoedeisend belang na vijf jaar en geen recht van antwoord buiten de wettelijke termijnen en zonder onmiddellijk verband met de gewraakte tekst. Wie die grens met een buitensporige vordering toch probeert te verleggen, kan sinds de anti-SLAPP-wet zelf worden veroordeeld, ook als particulier tegen een publieke omroep. Tegelijk toont de zaak de lacune in de wet van 1961 voor onlineberichtgeving, waarvoor enkel het Vlaamse mediadecreet een gedeeltelijk antwoord biedt.
ICT Rechtswijzer is het kennisplatform van het departement intellectuele eigendom, IT-recht, AI-recht, gegevensbescherming en mediarecht van Everest Advocaten, onder leiding van mr. Joris Deene. Onze advocaten begeleiden zowel personen die een recht van antwoord, een rechtzetting of een anonimisering willen afdwingen, als redacties die zich tegen zulke vorderingen of tegen een SLAPP verweren.



