Met drie arresten van 20 mei 2026 vernietigt de Raad van State de administratieve geldboetes die de FOD Economie had opgelegd aan drie modeketens van de groep The Fashion Society (ZEB, Point Carré en The Fashion Store) voor het gebruik van de term “solden” buiten de wettelijk vastgestelde soldenperiodes. Het rechtscollege oordeelt dat art. VI.25, § 1 van het Wetboek van economisch recht (WER) strijdig is met de Europese Richtlijn oneerlijke handelspraktijken en buiten toepassing moet worden gelaten. Op papier blijft het verbod overeind, maar in de praktijk wordt het onafdwingbaar: wie nu nog een boete krijgt voor “solden” buiten januari of juli, kan met grote zekerheid op vernietiging rekenen.
De feiten
In juni 2023 stelden controleurs van de Economische Inspectie vast dat een modeketen reclame voerde voor “nu al solden tot –50%” via een folder en via een Facebookpost over “summer sale tot –50%”. De aanbieding liep van 14 tot en met 25 juni 2023 — meer dan twee weken vóór de start van de wettelijke soldenperiode op 1 juli.
De Dienst Sancties en Juridische Geschillen legde op 10 september 2024 een administratieve geldboete van 24.000 euro op wegens inbreuk op art. VI.25, § 1 WER, dat het gebruik van de termen “solden”, “opruimingen”, “soldes” of “Schlussverkauf” voorbehoudt aan twee vaste periodes per jaar (3-31 januari en 1-31 juli). Twee zusterbedrijven kregen op dezelfde dag gelijkaardige boetes. Tegen de drie beslissingen werd beroep aangetekend bij de Raad van State.
Centraal in het verweer stond één argument: art. VI.25, § 1 WER beoogt — onder meer — de bescherming van consumenten en valt daardoor binnen het maximaal geharmoniseerde toepassingsgebied van de Richtlijn 2005/29/EG. Aangezien die richtlijn geen verbod kent op het gebruik van de term “solden” buiten welbepaalde periodes, kan België zo’n bijkomende beperking niet opleggen.
De beslissing
De Raad van State volgt het verweer van de modeketens en vernietigt de drie boetebeslissingen.
Het rechtscollege herinnert eraan dat de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken een volledige harmonisatie tot stand brengt: lidstaten mogen geen strengere maatregelen invoeren binnen het geharmoniseerde domein, zelfs niet met het oog op een hogere consumentenbescherming. Een nationale regeling valt onder het personele toepassingsgebied van de richtlijn zodra zij — al was het maar onrechtstreeks of in nevenorde — mede de bescherming van consumenten beoogt. Enkel bepalingen die “uitsluitend” de economische belangen van concurrenten beschermen of zuivere B2B-transacties regelen, vallen erbuiten.
Om vast te stellen of een nationale bepaling daadwerkelijk de bescherming van consumenten beoogt, volstaat het niet om het formele doel of de aard van de maatregel te bekijken. De Raad van State hanteert vijf criteria: het algemene doel en de aard van de maatregel, de ontstaansgeschiedenis, de parlementaire voorbereiding, de rechtspraak en de rechtsleer.
Op elk van die vlakken concludeert de Raad van State dat art. VI.25 WER wel degelijk mede een consumentenbeschermend oogmerk heeft. De voorwaarde dat de term “solden” enkel mag worden gebruikt voor goederen aan een werkelijk verminderde prijs biedt de consument een garantie. De plaatsing in Boek VI WER (“Marktpraktijken en consumentenbescherming”) wijst in dezelfde richting. Uit de voorbereidende werken vóór de hervorming van 2013 blijkt onomstotelijk dat de wetgever historisch een dubbele doelstelling nastreefde — én eerlijke concurrentie tussen ondernemingen, én bescherming van de consument. Het Hof van Cassatie heeft die dubbele doelstelling voor de verwante sperperiode bevestigd in zijn arresten van 2 november 2012 en 29 oktober 2015, en voor de verkoop met verlies in het arrest Euronics van 16 september 2016. Ook de meerderheid van de rechtsleer onderschrijft dat de soldenregeling consumentenbescherming beoogt.
De argumenten van de Belgische Staat — dat de wetgever in 2013 in de aanhef van art. VI.25, § 1 expliciet “teneinde eerlijke marktpraktijken te verzekeren tussen ondernemingen” heeft ingeschreven, en dat de memorie van toelichting bij die wetswijziging duidelijk maakte dat het verbod niet langer de consument beoogt te beschermen — overtuigen de Raad van State niet. Een loutere formele aanpassing van de ratio legis, zonder inhoudelijke wijziging van de regel zelf, volstaat niet om aan het maximumharmonisatieveld van de richtlijn te ontsnappen. Anders zou elke lidstaat door een eenvoudige aanpassing van de memorie van toelichting nationale beperkingen kunnen behouden die de richtlijn juist heeft willen uitsluiten.
Aangezien art. VI.25 WER binnen de personele werkingssfeer van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken valt en die richtlijn geen verbod op het gebruik van de term “solden” buiten welbepaalde periodes kent, is de Belgische bepaling strijdig met het Unierecht. De Raad van State moet ze buiten toepassing laten. Daardoor ontbreekt iedere rechtsgrond voor de boetebeslissingen, die dan ook worden vernietigd.
Juridische analyse en duiding
Een lang aangekondigd einde
De onverenigbaarheid van de Belgische soldenregeling met het Unierecht is geen verrassing. De afdeling Wetgeving van de Raad van State waarschuwde al in 2009 (advies nr. 47.034/1) en opnieuw in 2013 (advies nr. 53.085/1) voor de spanning met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Het Hof van Justitie veroordeelde de regeling rond aankondigingen van prijsverminderingen al in 2014 in zaak C-421/12. Voor de verwante sperperiode heeft het Hof in 2011 in de beschikkingen Inno en Wamo en het Hof van Cassatie in zijn arresten van 2012 en 2015 dezelfde conclusie getrokken. De rechtsleer (o.a. Janssens, De Meese, Vanhoyland, Baes, Bruloot) wees al jaren op de onhoudbaarheid van het Belgische standpunt; enkel Stuyck verdedigde de formalistische lezing waarop ook de FOD Economie zich beriep.
Wat dit arrest bijzonder maakt, is dat het de redenering die het Hof van Cassatie eerder voor de sperperiode en de verkoop met verlies had ontwikkeld, nu uitdrukkelijk doortrekt naar het verbod op het gebruik van de term “solden”. De Raad van State weigert kunstmatig onderscheid te maken tussen de verschillende bepalingen van afdeling 3 van Boek VI (“Opruimingen of solden”). De artikelen VI.25 tot VI.28 WER vormen één samenhangend geheel en moeten op grond van een geïntegreerde lezing worden beoordeeld.
De methodologie van de vijf criteria
De Raad van State legt een methodologisch raamwerk vast dat verder reikt dan deze zaak. Wanneer de wetgever via een aanpassing van de ratio legis probeert te ontsnappen aan de werkingssfeer van een richtlijn die volledige harmonisatie nastreeft, kan dat niet volstaan: de rechter moet kijken naar het daadwerkelijke oogmerk van de regeling, vastgesteld op grond van vijf criteria — algemene aard van de maatregel, ontstaansgeschiedenis, parlementaire voorbereiding, rechtspraak en rechtsleer. De Raad van State volgt daarbij de conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem voor het Hof van Cassatie: het is “op zijn minst kunstmatig” dat een wetgever een regel aan een geharmoniseerd toepassingsgebied zou kunnen onttrekken door een eenvoudige aanpassing van de memorie van toelichting.
Die methodologie kan in de toekomst worden ingeroepen tegen iedere nationale bepaling waar de Belgische wetgever via een geherformuleerde ratio legis aan het Unierecht heeft willen ontkomen. Het arrest is in die zin een principiële stellingname tegen wat in de rechtsleer al jaren als een Belgische “truc” wordt aangemerkt.
Wat met de sperperiode en de verkoop met verlies?
Het arrest betreft enkel art. VI.25 WER, niet de sperperiode (art. VI.29-30 WER) of de verkoop met verlies (art. VI.116 WER). Voor de sperperiode hebben het Hof van Cassatie en Hof van Beroep Gent (3 februari 2020) echter al de onverenigbaarheid met de richtlijn vastgesteld voor zover die de consument beoogt te beschermen. Voor de verkoop met verlies oordeelde het Hof van Cassatie in Euronics dat de regel mede de consument beoogt te beschermen en bijgevolg onder de richtlijn valt. Beide regelingen staan na dit arrest onder verhoogde druk: de Raad van State herhaalt expliciet dat zij in onlosmakelijke samenhang met de soldenregeling moeten worden gelezen. Wie vandaag wordt aangesproken op grond van die bepalingen, kan dezelfde redenering inroepen.
Wat betekent dit concreet?
Voor detailhandelaars en e-commerce. Wie kortingen wil aankondigen onder de noemer “solden”, “opruimingen”, “sale”, “summer sale”, “winter sale” of een gelijkaardige term, kan dat vanaf nu redelijkerwijs het hele jaar door doen zonder reëel risico op een afdwingbare boete. De FOD Economie kan in theorie nog steeds processen-verbaal opmaken, maar elke beslissing die enkel op art. VI.25, § 1 WER steunt, zal voor de Raad van State sneuvelen. Wie toch een boete krijgt, doet er goed aan om actief beroep aan te tekenen — het precedent ligt voor het grijpen. Wel blijft de informatieverplichting over de werkelijke korting onverkort gelden: op grond van art. VI.18 WER (referentieprijsregel) moet de aangekondigde verminderde prijs effectief lager zijn dan de prijs die in de dertig dagen vóór de prijsvermindering werd toegepast. Misleidende kortingen blijven sanctioneerbaar, niet via de soldenregeling maar via het algemeen verbod op oneerlijke handelspraktijken.
Voor de overheid en de wetgever. De FOD Economie zal haar handhavingsbeleid moeten herzien: nieuwe boetebeslissingen op grond van art. VI.25, § 1 WER hebben weinig zin. Op wetgevend niveau dringt zich een herziening op. Wenst de wetgever vaste soldenperiodes te behouden, dan zal dat moeten via een Europese rechtsgrond — bijvoorbeeld via een wijziging van de richtlijn zelf — of via een regelgeving die zuiver de B2B-relaties tussen ondernemingen viseert zonder enige weerslag op de consument. Beide pistes zijn moeilijk begaanbaar. Realistischer is dat de Belgische wetgever de soldenregeling formeel opruimt of beperkt tot een louter informatieve rol.
Voor consumenten. De bescherming van de consument verschuift volledig naar art. VI.18 WER en het algemeen verbod op misleidende handelspraktijken. Wie als consument vermoedt dat een aangekondigde korting niet reëel is, kan dat blijven aanvechten — niet meer met het argument dat de winkel buiten de soldenperiode “solden” heeft aangekondigd, maar met het argument dat de werkelijke prijsvermindering ontbreekt of dat de referentieprijs is opgeklopt.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Mag een winkel vanaf nu altijd “solden” zeggen, ook in maart of oktober?
In de praktijk wel. Het verbod uit art. VI.25 WER blijft formeel in het wetboek staan, maar nu de Raad van State het buiten toepassing heeft gelaten wegens strijdigheid met het Unierecht, zal elke boete die op basis daarvan wordt opgelegd, voor diezelfde Raad sneuvelen. Een handhaving zonder reële afdwingbaarheid is een dode letter.
Geldt dit arrest enkel voor de drie ketens die de zaak hebben gevoerd?
Strikt juridisch wel — een nietigverklaringsarrest van de Raad van State werkt enkel tussen partijen. Maar het arrest creëert een precedent dat elke andere onderneming bij een gelijkaardige boete kan inroepen. Bovendien is tegen een arrest van de Raad van State geen cassatievoorziening mogelijk; het is definitief.
Wat verandert er voor de bescherming van de consument tegen valse kortingen?
Niets wezenlijk. De referentieprijsregel uit art. VI.18 WER blijft volledig overeind: aangekondigde kortingen moeten worden berekend ten opzichte van de laagste prijs die in de dertig dagen vóór de korting werd toegepast. Misleidende kortingsclaims blijven sanctioneerbaar via het algemeen verbod op oneerlijke handelspraktijken.
Conclusie
De drie arresten van 20 mei 2026 zetten een streep onder dertig jaar Belgisch sub-Europees experimenteren met de soldenregeling. Door art. VI.25 WER buiten toepassing te laten wegens strijdigheid met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, ontneemt de Raad van State de FOD Economie de facto haar handhavingsbevoegdheid op dit punt. De methodologie van de vijf criteria die het rechtscollege hanteert, reikt verder dan deze zaak: zij vormt een waarschuwing voor elke poging om via een formele aanpassing van de ratio legis aan het maximumharmonisatieveld van een Europese richtlijn te ontsnappen. Voor handelszaken betekent het arrest een aanzienlijke commerciële flexibiliteit; voor de consument blijft de essentiële bescherming via de referentieprijsregel onverkort gelden.

