Bij een controle van de RSZ, de RVA of het Toezicht op de Sociale Wetten worden steeds vaker smartphones onder de loep genomen. Op die toestellen staan loongegevens, uurroosters en communicatie met werknemers — maar evenzeer privégesprekken, foto’s en locatiegegevens die niets met sociale wetgeving te maken hebben. Mag een sociaal inspecteur zo’n toestel zonder meer in beslag nemen en de gegevens daarop doorzoeken? Het Sociaal Strafwetboek voorziet inderdaad ruime bevoegdheden om informatiedragers op te sporen, te onderzoeken en in beslag te nemen, maar sinds het Landeck-arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024 is de vraag of die bevoegdheden zonder voorafgaande tussenkomst van een rechter of onafhankelijke autoriteit nog volstaan, een open vraag geworden. De Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) voert daarover op dit ogenblik een interne reflectie.
Wat het Sociaal Strafwetboek vandaag toelaat
De sociaal inspecteurs beschikken over een arsenaal aan bevoegdheden om digitale gegevens te raadplegen. Op grond van art. 28 Soc.Sw. mogen zij zich alle informatiedragers laten overleggen die sociale gegevens bevatten — of gegevens die op grond van de wetgeving moeten worden opgemaakt, bijgehouden of bewaard — wanneer die zich op de arbeidsplaats bevinden of vanaf die plaats elektronisch toegankelijk zijn.
Wanneer de gegevens zich in een informaticasysteem of een ander elektronisch apparaat bevinden, voorziet art. 31 Soc.Sw. in een recht op elektronische toegang, fysieke toegang tot de hardware, en het recht om gegevens te downloaden en te gebruiken. Die verplichting strekt zich uit tot gegevens die fysiek in het buitenland staan maar vanaf de Belgische arbeidsplaats toegankelijk zijn — denk aan clouddiensten zoals OneDrive, Google Drive of een externe boekhoudtoepassing. Een smartphone, doorgaans permanent verbonden met dergelijke accounts, valt binnen het ruime wettelijke begrip ‘elektronisch apparaat’.
Bij gevaar dat informatiedragers of de daarop opgeslagen gegevens verdwijnen of worden gewijzigd, of wanneer dat voor het bewijs noodzakelijk is, mogen de inspecteurs op grond van art. 35 Soc.Sw. de informatiedrager zelf in beslag nemen of verzegelen, ongeacht of de werkgever of een derde de eigenaar is. Elke opsporings-, onderzoeks- of beslagmaatregel moet het voorwerp uitmaken van een schriftelijke vaststelling overeenkomstig art. 53 Soc.Sw., op straffe van nietigheid. Die nietigheidssanctie is uitdrukkelijk verankerd in art. 2, § 5 Wet 2 juni 2010 houdende bepalingen van het sociaal strafrecht.
Wat opvalt: nergens vereist het Sociaal Strafwetboek voor een gewone werkplek een voorafgaande tussenkomst van een rechter of onafhankelijke autoriteit. Enkel voor de visitatie van bewoonde ruimten geldt een machtiging van de onderzoeksrechter. Wel moet de inspecteur de wettelijkheids-, finaliteits- en evenredigheidsbeginselen naleven, en mag het optreden geen ongerichte zoekactie (“fishing expedition”) zijn.
Het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024
In de zaak Landeck (C-548/21) boog het Hof van Justitie, in Grote Kamer, zich over een Oostenrijkse strafzaak. De politie had in het kader van een onderzoek naar drugshandel de smartphone van de betrokkene in beslag genomen. Verschillende politieagenten hadden vervolgens — zonder enige toestemming van het openbaar ministerie of een rechter — pogingen ondernomen om het toestel te ontgrendelen en uit te lezen. De betrokkene werd daarvan op geen enkel ogenblik op de hoogte gebracht; hij vernam dit pas tijdens de gerechtelijke procedure die hij zelf had ingeleid.
Het Hof oordeelde dat dergelijke handelingen onder het toepassingsgebied vallen van Richtlijn 2016/680, de zogenaamde politierichtlijn inzake gegevensbescherming bij strafvervolging. Het Hof hanteert een zeer ruime invulling van het begrip “verwerking”: ook het manipuleren van een toestel om de daarin opgeslagen persoonsgegevens te extraheren en te raadplegen geldt als verwerking, zelfs wanneer de toegangspoging om technische redenen mislukt.
De toegang tot de gegevens op een smartphone kan, afhankelijk van de inhoud en de gemaakte keuzes, betrekking hebben op een zeer breed gamma aan persoonlijke gegevens en kan uiterst nauwkeurige conclusies toelaten over het privéleven van de betrokkene. Die inmenging in de grondrechten op eerbiediging van het privéleven en op de bescherming van persoonsgegevens kwalificeert het Hof als “ernstig”, en in voorkomend geval zelfs “bijzonder ernstig”.
Daaraan koppelt het Hof twee fundamentele waarborgen. Vooreerst moet de toegang onderworpen zijn aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuursrechtelijke entiteit. Behoudens een naar behoren gemotiveerd spoedgeval — dat dan binnen korte termijn alsnog getoetst moet worden — moet die toetsing plaatsvinden vóór elke poging om toegang te krijgen. Daarnaast moet de betrokkene worden geïnformeerd over de gronden waarop de toestemming berust, zodra die informatie het lopende onderzoek niet langer in gevaar brengt. Een nationale regeling die op algemene wijze elk recht op informatie zou uitsluiten, is strijdig met het Unierecht.
Het Hof voegt eraan toe dat de toegangsmogelijkheid niet beperkt is tot zware criminaliteit, maar dat het aan de nationale wetgever toekomt om de relevante criteria (aard van het feit, categorieën van strafbare feiten) vast te leggen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
Waarom dit arrest doorwerkt naar de sociale inspectie
Landeck ging over politieagenten in een strafonderzoek, niet over sociaal inspecteurs in een controle van de RSZ of het Toezicht op de Sociale Wetten. De gevolgen van het arrest voor de politiële doorzoeking van een smartphone bespraken wij eerder in een afzonderlijke bijdrage; in deze blog gaat het over de doorwerking naar de sociale inspectie. En die doorwerking is om meerdere redenen onvermijdelijk.
Sociaal inspecteurs handelen vaak in een hybride context. Zij voeren administratief toezicht uit op de naleving van de sociale wetgeving — een verwerking die in beginsel onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDPR) valt — maar hun vaststellingen kunnen rechtstreeks leiden tot strafrechtelijke vervolging door het arbeidsauditoraat. De door de Koning aangewezen sociaal inspecteurs zijn bovendien bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur (art. 50 Soc.Sw.). Wanneer een sociaal inspecteur een smartphone uitleest met het oog op een latere strafrechtelijke vervolging, is verdedigbaar dat hij optreedt als “bevoegde autoriteit” in de zin van Richtlijn 2016/680 en dat Landeck rechtstreeks van toepassing is.
Voor zuiver administratief toezicht valt de verwerking onder de AVG, niet onder de politierichtlijn. Maar ook daar geldt dat de eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens Unierechtelijk verankerde grondrechten zijn (art. 7 en 8 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie). De redenering van het Hof in Landeck — dat de toegang tot een smartphone een “zeer breed gamma aan persoonlijke gegevens” kan blootleggen en “uiterst nauwkeurige conclusies” over het privéleven kan toelaten — verliest haar kracht niet wanneer de uitlezing in administratieve context plaatsvindt. Of de daarin opgelegde voorafgaande toetsing zich buiten de strikt strafrechtelijke context laat extrapoleren, is op vandaag een argumentatieve, geen vaststaande conclusie.
Daarnaast wijst ook de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in dezelfde richting. In zijn arrest van 14 maart 2013 in de zaak Bernh Larsen Holding AS e.a. t. Noorwegen (nr. 24117/08) achtte het Hof het kopiëren van gegevens op een bedrijfsserver door de fiscale autoriteiten verenigbaar met art. 8 EVRM, maar enkel omdat voldoende procedurele waarborgen aanwezig waren: voorafgaande verwittiging van de onderneming, aanwezigheid van een vertegenwoordiger bij de inbeslagname en vernietiging van de gegevens na afloop van het onderzoek. Diezelfde proportionaliteits- en finaliteitsgedachte zit ingebakken in het Belgische sociaal procesrecht: art. 19 Soc.Sw. verplicht de sociaal inspecteurs er uitdrukkelijk voor te zorgen dat de middelen die zij aanwenden passend en noodzakelijk zijn voor het toezicht. Een ongerichte zoekactie — in de praktijk een fishing expedition genoemd — laat zich met die wettelijke evenredigheidsplicht moeilijk verzoenen. De voorafgaande toetsing die Landeck oplegt, kan worden gelezen als de concretisering van die waarborgen voor de digitale realiteit van vandaag.
De SIOD, die als koepel fungeert van de federale sociale inspectiediensten, voert daarom op dit ogenblik een interne analyse en reflectie over de concrete gevolgen van Landeck voor inspectiepraktijken. Een toestemmingsformulier voor de raadpleging van informatiedragers werd reeds ter beschikking gesteld van de inspectiediensten, maar de vraag of dit formulier voldoet aan de Landeck-vereisten — en met name aan de eis van voorafgaande externe toetsing — is daarmee niet beantwoord. Toestemming van de betrokkene en voorafgaande toetsing door een onafhankelijke autoriteit zijn juridisch geen synoniemen.
Wat verandert er concreet?
Voor de gecontroleerde werkgever of zelfstandige. Wanneer een sociaal inspecteur de smartphone wil inkijken of in beslag nemen, hoeft die toegang niet onvoorwaardelijk te worden verleend. Het is verstandig om schriftelijk te laten vastleggen waarop het verzoek precies betrekking heeft, welke sociale gegevens men hoopt aan te treffen, en of de inspectie beschikt over een voorafgaande toetsing door een rechter of onafhankelijke autoriteit. Een ongedifferentieerde uitlezing van een smartphone — privécommunicatie, foto’s, browsergeschiedenis, locatiegegevens — laat zich moeilijk verzoenen met het evenredigheidsbeginsel zoals Landeck dat invult. Tegelijk is fysiek verzet geen optie: actieve belemmering van het toezicht kan strafbaar zijn op grond van art. 209 Soc.Sw. De juiste reflex is documentatie vragen en schriftelijk voorbehoud formuleren.
Voor de werknemer wiens toestel wordt uitgelezen. Een werknemer is een derde-betrokkene in de zin van Richtlijn 2016/680 en de AVG. Hij heeft recht op informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens, zodra die informatie het toezicht niet langer in gevaar brengt. Het feit dat de werkgever de smartphone vrijwillig aan de inspectie heeft overhandigd, doet geen afbreuk aan de eigen rechten van de werknemer als betrokkene.
Voor de advocaat die het dossier voert. De beroepsmogelijkheid is tweesporig. Tegen opsporings-, onderzoeks-, beslag- en verzegelingsmaatregelen kan een vordering worden ingesteld bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank op grond van art. 2 Wet 2 juni 2010. Maatregelen die in strijd met de wettelijke voorwaarden zijn uitgevoerd, zijn van rechtswege nietig. In een latere strafprocedure kan de nietigheid van het op die manier verkregen bewijs voor de strafrechter worden aangevoerd, met de Antigoon-toets als bewijsuitsluitingskader. Een argumentatie die expliciet steunt op Landeck is bij die toets vandaag verre van kansloos.
Veelgestelde vragen
Heeft een sociaal inspecteur een rechterlijke machtiging nodig om een smartphone te bekijken?
Op de arbeidsplaats voorziet het Sociaal Strafwetboek vandaag niet uitdrukkelijk in zo’n machtigingsvereiste — daar volstaan in beginsel de eigen bevoegdheden van de inspecteur. Voor bewoonde ruimten is wel een machtiging van de onderzoeksrechter vereist. Wat de toegang tot de smartphone zelf betreft, is sinds Landeck verdedigbaar dat een voorafgaande toetsing door een rechter of onafhankelijke autoriteit noodzakelijk is, minstens wanneer het toestel persoonlijke gegevens bevat waarvan de uitlezing een ernstige inmenging in het privéleven oplevert. De Belgische wetgever heeft dat punt nog niet uitdrukkelijk geregeld.
Mag worden geweigerd om de toegangscode of biometrische ontgrendeling te geven?
Het Sociaal Strafwetboek verplicht de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber om effectieve toegang tot informaticasystemen te verschaffen. Wie weigert, riskeert een proces-verbaal wegens belemmering van het toezicht (art. 209 Soc.Sw.). Tegelijk loopt een ongeclausuleerde plicht tot ontsleuteling op tegen het zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te belasten. Dit spanningsveld wordt het best dossier per dossier beoordeeld, zeker wanneer een strafrechtelijke vervolging in het verschiet ligt.
Wat als de inspectie al gegevens van een smartphone heeft gekopieerd?
Dan kan zo snel mogelijk verzet worden aangetekend bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank op grond van art. 2 Wet 2 juni 2010. Gevraagd kan worden om de teruggave en vernietiging van de gegevens, en — in een lopende of latere strafprocedure — de nietigverklaring van het op die manier verkregen bewijs. Het is daarbij essentieel om elke schriftelijke vaststelling en aangetekende zending zorgvuldig te bewaren: zonder die documenten staat de gecontroleerde procedureel zwakker.
Conclusie
De bevoegdheden van sociaal inspecteurs om smartphones in beslag te nemen en uit te lezen, lijken op het eerste gezicht stevig verankerd in het Sociaal Strafwetboek. Het Landeck-arrest introduceert echter een waarborg die de Belgische praktijk niet ongemoeid laat: een voorafgaande toetsing door een rechter of onafhankelijke autoriteit en een recht op informatie van de betrokkene. Hoe de SIOD, de wetgever en de Belgische rechtbanken die vereisten zullen vertalen naar de concrete inspectiepraktijk, is voorlopig onzeker. Wie vandaag met een sociale controle wordt geconfronteerd waarbij digitale toestellen worden ingenomen of uitgelezen, doet er in elk geval goed aan elke procedurele stap te documenteren en de rechtmatigheid ervan kritisch te toetsen.



