Mogen onlineplatforms verplicht worden om met persuitgevers te onderhandelen over een vergoeding?

Het antwoord is genuanceerd ja: een lidstaat mag onlineplatforms verplichten om met persuitgevers te onderhandelen, hen informatie te laten verstrekken en een toezichthouder de bevoegdheid geven om een billijke vergoeding vast te stellen — op voorwaarde dat het exclusieve karakter van het persuitgeversrecht behouden blijft en geen betalingsverplichting wordt opgelegd zonder daadwerkelijk gebruik. Zo oordeelde het Hof van Justitie op 12 mei 2026 in de zaak C‑797/23, Meta Platforms Ireland tegen AGCOM. Voor de Belgische omzettingswet van 19 juni 2022, momenteel voorwerp van een vernietigingsberoep en een prejudiciële verwijzing, zijn de gevolgen aanzienlijk.

De feiten

Italië heeft artikel 15 van de DSM-richtlijn omgezet via art. 43 bis van de Italiaanse auteurswet (wet nr. 633/1941). Daarbij heeft de Italiaanse wetgever niet alleen het exclusieve naburige recht voor persuitgevers ingevoerd, maar ook een uitgebreid procedureel kader rond de exploitatie ervan.

Concreet bepaalt het Italiaanse regime dat aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij (ISSP’s) een “billijke compensatie” (equo compenso) verschuldigd zijn aan persuitgevers voor het onlinegebruik van perspublicaties. Daarnaast worden de ISSP’s verplicht om te goeder trouw te onderhandelen, om tijdens die onderhandelingen de zichtbaarheid van de inhoud van de uitgever in de zoekresultaten niet te beperken, en om de informatie te verstrekken die nodig is om de vergoeding vast te stellen. De Italiaanse toezichthouder AGCOM kreeg vervolgens een dubbele rol: zij stelt de criteria vast voor de berekening van de vergoeding en kan bij gebrek aan akkoord zelf het bedrag vaststellen. Niet-naleving van de informatieplicht kan worden bestraft met een administratieve geldboete van maximaal 1% van de omzet.

Meta Platforms Ireland, exploitant van Facebook, bestreed het AGCOM-besluit nr. 3/23/CONS voor de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio. Volgens Meta gaat het Italiaanse model verder dan artikel 15 DSM toelaat: dat artikel zou enkel exclusieve rechten verlenen en geen vergoedingsrecht. Bovendien zouden de onderhandelingsplicht, de informatieverplichting en de tussenkomst van AGCOM in strijd zijn met de vrijheid van ondernemerschap (art. 16 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie). De TAR Lazio stelde drie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

De beslissing

De Grote kamer oordeelt — substantieel in lijn met de conclusie van AG Szpunar — dat het Italiaanse model verenigbaar kan zijn met het Unierecht, maar koppelt daaraan harde voorwaarden.

Het Hof stelt vooreerst vast dat artikel 15, lid 1, eerste alinea, van de DSM-richtlijn een maatregel van volledige harmonisatie vormt wat de materiële inhoud van de rechten betreft. De daarin verleende rechten op reproductie en beschikbaarstelling voor het publiek zijn exclusieve rechten van preventieve aard: voor elk gebruik van perspublicaties dat binnen het toepassingsgebied van artikel 15 valt, is de voorafgaande toestemming van de uitgever vereist. Lidstaten beschikken dus niet over een beoordelingsmarge om die materiële inhoud te wijzigen.

Daarnaast hebben de lidstaten wel een beoordelingsmarge om de modaliteiten van de uitoefening van die rechten te regelen. Op grond van die marge mogen zij maatregelen nemen om de doeltreffendheid van het exclusieve recht te waarborgen — onder meer door een onderhandelingsstructuur op te zetten — voor zover die maatregelen niet raken aan de aard en de strekking van het recht en in overeenstemming zijn met zowel de algemene doelstelling van de richtlijn als de specifieke doelstelling van artikel 15.

Vervolgens past het Hof deze toets toe op de drie onderdelen van de Italiaanse regeling.

De “billijke compensatie” is verenigbaar met artikel 15, mits zij wordt begrepen als de economische tegenprestatie voor de aan de ISSP’s verleende toestemming. Lidstaten mogen het exclusieve recht echter niet vervangen door een loutere vergoedingsaanspraak, en zij moeten waarborgen dat persuitgevers steeds (i) kunnen weigeren toestemming te geven, (ii) gratis toestemming kunnen verlenen, en (iii) niet kunnen worden gedwongen tot betaling zonder daadwerkelijk of voorgenomen gebruik door de ISSP.

De aan ISSP’s opgelegde verplichtingen — onderhandelingsplicht, zichtbaarheidsplicht en informatieplicht — betreffen modaliteiten van tenuitvoerlegging en zijn enkel toelaatbaar wanneer de ISSP perspublicaties daadwerkelijk gebruikt of voornemens is dat te doen. Zij dragen volgens het Hof bij tot het herstel van het economische onevenwicht en de informatieasymmetrie ten gunste van de uitgevers, en dus tot de doelstelling van artikel 15.

De bevoegdheden van AGCOM — criteria vaststellen, bij gebrek aan akkoord het bedrag bepalen, toezicht houden en sanctioneren — zijn eveneens verenigbaar met artikel 15, voor zover zij de partijen niet de vrijheid ontnemen om al dan niet een overeenkomst te sluiten en de modaliteiten ervan vrij vast te stellen. De interventie van AGCOM moet dus ondersteunend, niet dwingend zijn.

Wat de toets aan de vrijheid van ondernemerschap betreft, erkent het Hof dat de informatieplicht en de zichtbaarheidsplicht een beperking vormen op die vrijheid. Het Hof verfijnt daarbij — verder dan een loutere herhaling van Sky Österreich — dat artikel 16 Handvest, naast de vrijheid om een economische activiteit uit te oefenen, ook de vrije keuze van handelspartner en de vrijheid om de prijs voor een dienst te bepalen omvat, en dat het opleggen van een contracteerplicht een “substantiële beperking” vormt op de contractvrijheid. In casu is die beperking gerechtvaardigd: zij is bij wet voorzien, tast de wezenlijke inhoud van de vrijheid van ondernemerschap niet aan, beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang (de bescherming van pluralistische media, art. 11, lid 2, Handvest, en van het intellectuele-eigendomsrecht, art. 17, lid 2, Handvest), en is evenredig.

Het Hof beklemtoont ten slotte dat het aan de TAR Lazio toekomt om de Italiaanse bepalingen, conform het Marleasing-beginsel, zo veel mogelijk in overeenstemming met de richtlijn uit te leggen.

Juridische analyse en duiding

Volledige harmonisatie van de inhoud, vrijheid van uitvoering

Het arrest verfijnt een dogmatisch spanningsveld dat in het auteursrecht en de naburige rechten vaak terugkeert. Enerzijds is artikel 15 DSM een instrument van volledige harmonisatie wat de materiële inhoud van het persuitgeversrecht betreft: lidstaten kunnen aan dat recht niet sleutelen door het te verbreden, te versmallen of inhoudelijk om te buigen. Anderzijds laat het Hof de lidstaten een ruime beoordelingsmarge om de uitoefening van dat recht te organiseren. Die tweesporenaanpak is consistent met de eerdere Pelham-lijn, waar het Hof reeds oordeelde dat bepalingen die exclusieve rechten van naburige aard vastleggen, maatregelen tot volledige harmonisatie zijn.

Het belang van dit onderscheid is groot. Het maakt het mogelijk om nationale begeleidende mechanismen — onderhandelingsplicht, transparantieverplichtingen, bemiddelende rol van een toezichthouder — te verzoenen met de Europese harmonisatieambitie. Wie zoals Meta het standpunt verdedigt dat artikel 15 elke nationale “extra laag” verbiedt, krijgt geen gehoor: enkel structurele inbreuken op het exclusieve karakter zijn problematisch.

Het exclusieve recht is en blijft een vetorecht — ook in het AI-debat

De meest principiële passage van het arrest is dat een lidstaat het exclusieve recht niet mag omzetten in een loutere vergoedingsaanspraak. Het Hof bevestigt zo dat een naburig recht naar zijn aard een preventief vetorecht is: de rechthebbende kan elke exploitatie ex ante verbieden, ook indien een vergoeding wordt aangeboden.

Die bevestiging reikt verder dan de pers- en platformsector. In het lopende debat over generatieve AI worden voorstellen geformuleerd om text and data mining op auteursrechtelijk beschermd materiaal te ontkoppelen van toestemming, en het te vervangen door een verplichte vergoeding. Het Meta-arrest haalt de wettelijke basis onder die piste weg: zolang artikel 4 DSM (TDM-uitzondering) in het huidige format de opt-out van rechthebbenden honoreert, kunnen lidstaten via achterdeurconstructies geen dwanglicenties invoeren die het exclusieve karakter van het auteursrecht uitholt. Dat is een belangrijk signaal naar zowel de wetgever als de markt.

De vrijheid van ondernemerschap krijgt scherpere contouren — ook buiten het persuitgeversrecht

Een voor de praktijk relevante passage is r.o. 86, waar het Hof de inhoud van art. 16 Handvest verfijnt. De vrijheid van ondernemerschap omvat niet alleen het algemene recht om een economische activiteit uit te oefenen, maar ook — via de contractvrijheid — de vrijheid om te kiezen met wie men zaken doet en de vrijheid om de prijs voor een dienst te bepalen. Het opleggen van een contracteerplicht is “een substantiële beperking” op die contractvrijheid. Beperkingen zijn maar toelaatbaar wanneer zij bij wet zijn voorzien, de wezenlijke inhoud eerbiedigen, en — onder de evenredigheidstoets — noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang of aan de bescherming van rechten van anderen.

Het Hof oordeelt dat de Italiaanse beperking die toets doorstaat, maar de boodschap voor andere regelgevende contexten is duidelijk: niet elke regulatoire beperking op het bedrijfsmodel van een platform zal die hindernis nemen. Hierbij kan gedacht worden aan het “Consent or Pay”-debat: wanneer toezichthouders in een AVG-context tussenbeide komen om platforms te beletten gebruikers de keuze te bieden tussen toestemming voor gepersonaliseerde advertenties en een betaald abonnement, raken zij rechtstreeks aan de vrije keuze van handelspartner en aan de vrijheid om de prijs voor een dienst te bepalen — kerncomponenten van art. 16 Handvest zoals door het Hof in dit arrest verduidelijkt. Dezelfde redenering geldt voor reguleringen in adtech (DSA, gepersonaliseerde advertenties, dark patterns-toezicht). Of die beperkingen telkens “noodzakelijk en evenredig” zijn, zal voortaan veel concreter moeten worden gemotiveerd dan tot dusver gebeurt.

Geen verplichting tot vergoeding zonder daadwerkelijk gebruik

Een tweede sleutelpassage is dat artikel 15 ISSP’s enkel verplichtingen oplegt voor zover zij perspublicaties effectief gebruiken of voornemens zijn die te gebruiken. Het Hof preciseert dat geen enkele betalings- of onderhandelingsplicht kan worden opgelegd aan platforms die geen gebruik maken van de beschermde publicaties.

Hieraan koppelt zich onmiddellijk de vraag — onbeantwoord gelaten door het Hof — of platforms die perspublicaties tonen via uploads door gebruikers, daarmee “zelf gebruik maken” van die publicaties in de zin van artikel 15. AG Szpunar zag in zijn conclusie minstens voor Facebook een eigen gebruik door het platform, omdat Facebook via zijn algoritmes zelf bepaalt welke nieuwsinhoud aan welke gebruiker wordt getoond. Het Hof laat deze kwestie open. De parallel met de YouTube-rechtspraak ligt voor de hand, maar het is wachten op een concrete inbreukzaak om uitsluitsel te krijgen. Voor sociale netwerken die voornamelijk leven van door gebruikers gedeelde nieuwsinhoud staat hier veel op het spel.

De Belgische echo: arrest 98/2024 van het Grondwettelijk Hof

Het arrest raakt ook de Belgische rechtspraktijk. Bij arrest nr. 98/2024 van 26 september 2024 heeft het Grondwettelijk Hof in de gevoegde vernietigingsberoepen van Google, Spotify, Meta, Streamz en Sony tegen de wet van 19 juni 2022 (omzetting DSM) dertien prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie (zaak C-663/24). Verschillende daarvan lopen parallel met de Italiaanse problematiek: of de Belgische omzetting via een onderhandelingsprocedure onder toezicht van het BIPT verenigbaar is met artikel 15 DSM; of art. XI.216/2, § 3 WER de informatieplicht voldoende afbakent; en of de regeling evenredig is met de vrijheid van ondernemerschap.

België intervenieerde overigens zelf in de Italiaanse zaak, en de gelijkenissen tussen het Italiaanse en het Belgische model zijn opvallend: ook in België is een onderhandelingsplicht ingevoerd, met geschillenbeslechting door het BIPT en informatieverplichtingen voor ISSP’s. Het Meta-arrest zal de marsroute voor zaak C-663/24 grotendeels uittekenen. Het is aannemelijk dat het Hof van Justitie de Belgische regeling op vergelijkbare wijze zal valideren, mits zij richtlijnconform wordt uitgelegd in die zin dat (i) het exclusieve karakter behouden blijft, (ii) de onderhandelingsplicht enkel speelt bij daadwerkelijk of voorgenomen gebruik, en (iii) het BIPT enkel ondersteunend optreedt zonder de partijen tot contracteren te dwingen.

Sommige Belgische bepalingen verdienen op dat laatste punt aandacht. De eerste prejudiciële vraag van het Grondwettelijk Hof verwijst expliciet naar de mogelijkheid dat de Belgische regeling zou leiden tot een vergoedingsverplichting voor publicaties die de persuitgevers zelf online hebben geplaatst. Het Meta-arrest sluit zo’n verplichting categorisch uit: zonder gebruik door de ISSP, geen vergoedingsplicht. Voor zover de Belgische wet ruimer zou zijn opgevat, zal zij richtlijnconform moeten worden ingeperkt.

Wat betekent dit concreet?

Voor onlineplatforms en aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij. Wie in België actief is en perspublicaties hergebruikt — nieuwsaggregatie, sociale media met algoritmische nieuwsfeed, knipseldiensten — moet rekening houden met een onderhandelings- en informatieregime dat door het Hof van Justitie als legitiem wordt erkend. Verzet tegen het regime “in zijn geheel” heeft weinig kans van slagen; de strategische ruimte ligt elders. Drie hefbomen verdienen aandacht: ten eerste, het scherp afbakenen wat als “gebruik” in de zin van artikel 15 kwalificeert (loutere doorlinking en korte fragmenten ontsnappen), ten tweede, het inroepen van het recht om geen overeenkomst te sluiten of om enkel onder bepaalde voorwaarden gebruik te maken van perspublicaties, en ten derde, het toetsen van iedere concrete BIPT-tussenkomst aan de evenredigheidsvereiste die het Hof in de punten over art. 16 Handvest expliciteert. De verplichting om bedrijfsgevoelige informatie aan te leveren blijft een aandachtspunt — het arrest erkent uitdrukkelijk dat de geheimhouding van commerciële en financiële informatie moet worden gerespecteerd.

Voor persuitgevers. Het arrest versterkt de uitgangspositie van uitgevers in onderhandelingen. Zij behouden hun vetorecht én kunnen rekenen op een wettelijk verankerde transparantieverplichting in hoofde van het platform. Tegelijk moet realisme worden gevraagd: het Hof bevestigt dat platforms niet kunnen worden gedwongen om perspublicaties te gebruiken, en dus ook niet om te betalen voor publicaties die zij niet wensen op te nemen. Dreiging met “delisting” blijft daarmee een reëel scenario, weliswaar getemperd door de zichtbaarheidsplicht tijdens lopende onderhandelingen. Voor de praktijk betekent dit dat collectieve organisatie (gemeenschappelijk onderhandelen via een beheersvennootschap of consortium) een belangrijke hefboom blijft om een geloofwaardig tegengewicht te vormen tegen de marktmacht van de grote platforms.

Voor de Belgische wetgever en het BIPT. Het arrest geeft een duidelijk kader voor de toekomstige werking van het BIPT als geschillenbeslechter. De rol moet ondersteunend blijven: criteria voorstellen, vergoedingen vastleggen bij gebrek aan akkoord, maar geen partijen dwingen tot het sluiten van een overeenkomst. Een richtlijnconforme uitlegging van art. XI.216/2 WER dringt zich op in afwachting van het arrest in zaak C-663/24. Lopende onderhandelingen of geschillen die nu reeds bij het BIPT aanhangig zijn, doen er goed aan in hun argumentatie het Meta-arrest expliciet te incorporeren.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Moet een onlineplatform altijd betalen aan persuitgevers voor het tonen van nieuwsartikelen
Neen. Een vergoeding is enkel verschuldigd wanneer het platform de perspublicatie daadwerkelijk gebruikt of voornemens is die te gebruiken op een wijze die binnen het toepassingsgebied van het persuitgeversrecht valt. Loutere hyperlinking, het tonen van losse woorden en het tonen van zeer korte fragmenten vallen buiten het recht. Bovendien blijven persuitgevers vrij om hun toestemming te weigeren of gratis te verlenen.

Wat verandert er door dit arrest voor de Belgische wet van 19 juni 2022?
Het arrest valideert het type onderhandelingsregime dat in België is ingevoerd, mits richtlijnconforme uitlegging. De ophangende prejudiciële zaak voor het Hof van Justitie (C-663/24), naar aanleiding van arrest nr. 98/2024 van het Grondwettelijk Hof, zal de Belgische specificiteiten verfijnen. De kerncoördinaten — exclusief recht, geen vergoeding zonder gebruik, ondersteunende rol van het BIPT — liggen evenwel vast.

Wat is de relevantie van dit arrest voor het bredere debat over AI en auteursrecht?
Het Hof bevestigt dat exclusieve auteursrechtelijke en naburige rechten preventieve vetorechten zijn die niet kunnen worden vervangen door verplichte vergoedingsregelingen. Voorstellen om AI-training op beschermd materiaal toe te staan tegen een wettelijke vergoeding, zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbende, missen in het huidige Unierechtelijke kader een rechtsbasis.

Conclusie

Het Meta-arrest tekent een evenwicht: lidstaten mogen het persuitgeversrecht met procedureel maatwerk omkaderen, maar mogen de exclusieve, preventieve aard van dat recht niet uithollen. Voor België betekent dit dat de wet van 19 juni 2022 in essentie overeind blijft, op voorwaarde dat zij richtlijnconform wordt uitgelegd: het BIPT begeleidt en arbitreert, maar legt geen contracten op. Tegelijk reikt het arrest verder: de aanscherping van de vrijheid van ondernemerschap geeft platforms munitie tegen regulatoir ingrijpen dat hun contractvrijheid en hun prijszetting raakt — een spoor dat in de komende jaren in tal van AVG-, adtech- en AI-dossiers zal opduiken.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics