Wanneer moet u schade vergoeden na een onterecht beslag inzake namaak?

Wie een beslag inzake namaak laat uitvoeren op basis van een octrooi dat achteraf nietig blijkt, moet niet automatisch de schade van de beslagene vergoeden: de beslagene moet een fout bewijzen. Maar die fout lag in deze zaak voor het grijpen. Het hof van beroep te Brussel veroordeelde octrooihouder VR-Drilling en haar bestuurder op 24 februari 2026 tot ruim 10.000 EUR schadevergoeding, omdat zij in hun eenzijdig verzoekschrift hadden verzwegen dat het Europees Octrooibureau de uitvinding al niet octrooieerbaar had bevonden. Het arrest toont hoe zwaar de informatieplicht weegt voor wie eenzijdig naar de rechter stapt.

De feiten

VR-Drilling Equipments ontwikkelt en verkoopt grondboormaterieel. Haar bestuurder verkreeg op 31 juli 2017 een Belgisch octrooi (BE 1023814) voor een boorinrichting met een flexibele slang met twee concentrische doorgangen, waarbij water onder zeer hoge en lage druk simultaan wordt doorgevoerd. De aanvraag dateerde van 28 januari 2016.

Het octrooischrift bevatte een opvallend stuk: het nieuwheidsonderzoek van het Europees Octrooibureau (EOB). De onderzoeker besloot daarin dat de geclaimde uitvinding niet nieuw en niet inventief was, omdat alle kenmerken al voorkwamen in een Amerikaanse octrooiaanvraag van 1 mei 1990 (US 4 921 057). Een Belgisch octrooi wordt niettemin verleend zonder inhoudelijk vooronderzoek, dus het octrooi kwam er toch.

Van Moer Marc.com (VMM), een familiebedrijf actief in bronbemalingen en putboringen, was jarenlang klant van VR-Drilling. Toen VR-Drilling geen geschikte machine kon leveren, assembleerde VMM er zelf een. VR-Drilling zag daarin namaak en verkreeg op 24 januari 2018 toelating tot een beslag inzake namaak: een deskundige moest de machine beschrijven, en de machine zelf werd verzegeld. In het eenzijdig verzoekschrift stond geen woord over het negatieve EOB-verslag.

VMM stelde derdenverzet in en haalde op 22 maart 2018 haar gelijk: de beschikking werd vernietigd, wat het hof van beroep te Gent op 18 juni 2018 bevestigde. Daags vóór de pleidooien over het derdenverzet had VR-Drilling bovendien nog een strafklacht met burgerlijke partijstelling ingediend tegen VMM en haar bestuurders. Die klacht eindigde op 27 februari 2019 in een buitenvervolgingstelling. VMM dagvaardde vervolgens VR-Drilling en haar bestuurder voor de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel, die het octrooi op 27 juni 2019 nietig verklaarde. Twee maanden later, op 27 augustus 2019, deed de octrooihouder gedeeltelijk afstand van zijn octrooi en beperkte hij de conclusies. In hoger beroep lag alles opnieuw voor.

De beslissing

Het hof van beroep te Brussel verklaarde het hoger beroep ongegrond en behandelde daarbij vijf onderscheiden vragen.

Het rechtmatig belang van de concurrent bij de nietigheidsvordering

VR-Drilling wierp op dat VMM geen rechtmatig belang had bij haar nietigheidsvordering: wie zelf namaak pleegt, zou het octrooi niet mogen aanvechten. Het hof van beroep volgde die redenering niet. De positie van concurrent volstaat in octrooizaken om het vereiste belang aan te tonen bij een nietigheidsvordering tegen het octrooi van een andere onderneming. Dat belang is zeker aanwezig wanneer de octrooihouder het octrooi net tegen die concurrent inroept, zoals hier. Dat VR-Drilling zelf een inbreuk verweet aan VMM, maakte het belang van VMM niet onrechtmatig, maar bevestigde het juist.

Geen onderzoeksmaatregelen en geen gebruik van het vernietigde deskundigenverslag

VR-Drilling vroeg het hof van beroep om VMM te verplichten de plannen van haar machine voor te leggen en om het beschrijvingsverslag van de deskundige uit het beslag alsnog in het debat te brengen, op grond van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.) Het hof van beroep weigerde beide.

De reden is principieel. Een nietigheidsvordering wordt beoordeeld op basis van de stand van de techniek: alles wat vóór de datum van de octrooiaanvraag openbaar toegankelijk was. Hoe de machine van de vermeende inbreukmaker eruitziet, doet daarvoor niet ter zake. Een vergelijking van de twee machines is pas relevant voor de inbreukvraag, en die kwam niet meer aan bod.

Het verslag van de deskundige was bovendien onbruikbaar geworden. De definitieve intrekking van de beschikking op eenzijdig verzoek strekt zich volgens het hof van beroep uit tot alles wat in uitvoering van die beslissing is gedaan en tot alles wat daaruit is voortgevloeid. De beschikking wordt geacht nooit te hebben bestaan, en het proces-verbaal van beschrijving en het deskundigenverslag delen dat lot.

De nietigheid van het octrooi, ook na de gedeeltelijke afstand

Krachtens artikel XI.57 van het Wetboek van economisch recht (WER) verklaart de rechter een octrooi nietig wanneer de uitvinding niet nieuw of niet inventief is (artikelen XI.6 en XI.7 WER). Het hof van beroep bevestigde eerst de nietigheid van het octrooi zoals verleend: alle kenmerken van de onafhankelijke conclusie stonden al in de Amerikaanse aanvraag uit 1990, ook de hydraulische aandrijving waarop VR-Drilling zich beriep.

Restte het beperkte octrooi na de gedeeltelijke afstand van 27 augustus 2019, waarin de octrooihouder een tweeledige slanggeleider als onderscheidend kenmerk naar voren schoof. Het hof van beroep paste de probleem-oplossingsbenadering toe, met als vertrekpunt de meest nabije stand van de techniek en als slotvraag of een vakman de oplossing voor de hand liggend zou vinden. De vakman, hier een ingenieur in de machinebouw, zou volgens het hof van beroep vanzelf bij een geleider in twee gedeeltes uitkomen: de Amerikaanse aanvraag legt al uit dat een afgerolde slang moet worden rechtgetrokken, een opdeling van de geleider was al afgebeeld in een octrooiaanvraag uit 1996 en toegepast in een in 2013 publiek voorgesteld rupsvoertuig. Ook het beperkte octrooi sneuvelde dus, bij gebrek aan uitvinderswerkzaamheid.

De schadevergoeding wegens het onterechte beslag inzake namaak

Dan de kernvraag: moet de beslaglegger betalen nu zijn octrooi nietig is en zijn beslag vernietigd? Het hof van beroep zette eerst het kader uiteen. Artikel 1369bis/3, § 2 Ger.W. laat de rechter toe de verzoeker te veroordelen tot een passende schadeloosstelling wanneer de maatregelen worden herroepen of wanneer later geen inbreuk blijkt. Die bepaling roept volgens het hof van beroep geen objectieve aansprakelijkheid in het leven: een risicoaansprakelijkheid zou octrooihouders kunnen afschrikken om het beslag te gebruiken, wat haaks staat op de doelstelling van de Handhavingsrichtlijn. De foutaansprakelijkheid van artikel 1382 van het oud Burgerlijk Wetboek (oud BW) biedt volgens het hof van beroep voldoende evenwicht tussen beslagene en beslaglegger.

Die fout was er hier. Om het eenzijdige karakter van de procedure te compenseren, rust op de verzoeker een bijzondere informatieverplichting: de voorzitter moet erop kunnen vertrouwen dat hij volledig en correct wordt geïnformeerd. VR-Drilling verzweeg in haar verzoekschrift het EOB-verslag dat de uitvinding niet octrooieerbaar achtte, en voerde vervolgens de op basis van die onvolledige informatie verkregen maatregelen uit. Daarmee gedroeg zij zich volgens het hof van beroep niet als een normaal voorzichtige en redelijke verzoeker.

De schade werd streng maar concreet begroot. Dat de bestuurders van VMM een dag verloren aan de beschrijving zelf, was niet bewezen: die vordering van 2.000 EUR sneuvelde. Wel bewezen was dat VMM haar verzegelde machine van 8 februari tot 22 maart 2018 moest missen en daarom 157 uur extra personeel op de werven inzette. Aan een gemiddelde loonkost van 39,8 EUR per uur leverde dat 6.248,60 EUR op. De extra verplaatsingskosten en de verminderde capaciteit voor andere klanten werden dan weer afgewezen, omdat VMM daarvoor geen staving voorlegde.

Het misbruik van procesrecht en de kosten van de octrooigemachtigde

Het hof van beroep zag in de strafklacht een tweede fout. VR-Drilling diende die klacht pas in daags vóór de pleidooien over het derdenverzet, en vorderde meteen de schorsing van die procedure op grond van de regel dat de strafvordering de burgerlijke vordering schorst. De klacht diende volgens het hof van beroep enkel om de procedure te vertragen en het beslag te redden, wat misbruik van procesrecht uitmaakt. De schade van VMM, twee verhoren van haar bestuurders en anderhalf jaar onzekerheid, werd naar billijkheid begroot op 1.000 EUR.

Ook de factuur van 3.500 EUR die VMM aan haar octrooigemachtigde betaalde voor het geldigheidsonderzoek, moest VR-Drilling dragen. Kosten van technische bijstand behoren volgens het Hof van Cassatie niet tot de gedingkosten waarin de verliezende partij wordt verwezen (Cass. 22 september 2023, C.22.0287.F), maar het hof van beroep kende ze toe als schadevergoeding op grond van artikel 1382 oud BW: ook die kosten vloeiden voort uit de schending van de zorgvuldigheidsplicht. Tot slot kende het hof van beroep de maximale rechtsplegingsvergoeding toe, 12.000 EUR in eerste aanleg en 15.697,67 EUR in hoger beroep, omdat de aard van een octrooigeschil met een nietigheidsvordering dat verantwoordt.

Juridische analyse en duiding

De informatieplicht was bepalend in dit dossier, niet de nietigheid

Interessant is wat de veroordeling precies droeg. Niet het feit dat het octrooi nietig werd verklaard: dat volstaat naar vaste rechtspraak niet voor aansprakelijkheid. Wel het feit dat het negatieve EOB-verslag in het verzoekschrift ontbrak. Dat verslag zat nochtans gewoon bij het octrooischrift; de voorzitter had het kunnen lezen als iemand hem erop had gewezen. Precies dat verzwijgen maakte van een verdedigbare procedurekeuze een fout van 6.248,60 EUR plus 3.500 EUR expertkosten.

Het arrest sluit daarmee aan bij een vaste lijn. In het arrest Snowfall van 28 februari 2018 vond het hof van beroep te Brussel al een fout in het nalaten de voorzitter in te lichten dat het ingeroepen recht redelijkerwijs kon worden aangevochten . Wij analyseerden dezelfde sanctie eerder in de zaak waarin een farmabedrijf verzweeg dat de geviseerde zendingen voor klinische proeven dienden: ook daar leidde de schending van de informatieplicht tot de intrekking van het beslag. De les is telkens dezelfde: in een procedure zonder tegenpartij moet de verzoeker zelf het tegensprekelijk debat vervangen. Wie enkel het gunstige deel van het dossier toont, betaalt daarvoor achteraf de prijs.

Foutaansprakelijkheid of risicoaansprakelijkheid: het debat is Europees nog niet gesloten

Het hof van beroep koos uitdrukkelijk voor de foutaansprakelijkheid en verwierp de objectieve aansprakelijkheid, met het argument dat een risicoregime octrooihouders zou afschrikken. Die keuze spoort met het arrest Bayer Pharma van het Hof van Justitie (HvJ 12 september 2019, C-688/17): de loutere herroeping van de maatregelen of de latere nietigverklaring verplicht de rechter niet automatisch tot een veroordeling, en de rechter moet alle omstandigheden wegen.

Alleen heeft het Hof van Justitie die deur intussen weer opengezet. In het arrest Mylan (HvJ 11 januari 2024, C-473/22) aanvaardde het Hof van Justitie het Finse stelsel, dat wél een objectieve aansprakelijkheid kent: de lidstaten mogen kiezen tussen fout- en risicoaansprakelijkheid, zolang de rechter de omstandigheden van het geval kan verrekenen. Voor België betekent dit dat de wetgever een strenger regime zou mógen invoeren, maar dat de rechtspraak daar niet toe verplicht is. Het hof van beroep bleef in dit arrest dus op de Belgische lijn, en het Hof van Cassatie bevestigde in een verwante octrooizaak dat een andersluidende bodembeslissing geen terugwerkende kracht heeft op de eerdere beslissing in kort geding (Cass. 11 september 2025, C.23.0110.N). Voor de beslagene blijft de bewijslast dus zwaar: hij moet een concrete fout aantonen. Dit arrest toont meteen een belangrijke route daarvoor: de schending van de informatieplicht.

De expertkosten komen langs een omweg toch bij de verliezer terecht

Er zit een subtiel maar praktisch belangrijk punt in de veroordeling tot 3.500 EUR voor de octrooigemachtigde. Het Hof van Cassatie besliste in 2023 dat kosten van technisch advies geen gedingkosten zijn: zij vallen niet onder de rechtsplegingsvergoeding en kunnen niet als kosten worden verhaald. Dat lijkt een drempel, maar het hof van beroep ging er gemakkelijk over: zodra de tegenpartij een fout beging, zijn diezelfde expertkosten schade in de zin van artikel 1382 oud BW. De grondslag verschuift van het procesrecht naar het aansprakelijkheidsrecht, en de uitkomst keert om. Voor de beslagene die zich tegen een onterecht beslag moet verweren, is dat een tastbaar verschil: zijn technische verdedigingskosten zijn niet verloren, op voorwaarde dat hij de fout van de beslaglegger bewijst en de betaling van de factuur staaft, wat VMM hier met een betalingsbewijs deed.

Wat betekent dit concreet?

Voor octrooihouders die een beslag inzake namaak overwegen. Leg de voorzitter álles voor, ook wat tegen u pleit. Een negatief nieuwheidsonderzoek van het EOB, een lopende oppositie, een eerdere afwijzing of relevante correspondentie: vermeld het in het verzoekschrift en leg uit waarom u desondanks meent dat uw recht geldig is. Verzwijgen kost dubbel: eerst de intrekking van het beslag, daarna de schadevergoeding. Dezelfde zorgvuldigheid geldt bij een tweede poging: nieuw bewijs telt enkel als het eerder niet redelijkerwijs toegankelijk was. Wie een Belgisch octrooi zonder vooronderzoek inroept, doet er goed aan de geldigheid vooraf grondig te laten toetsen en zich te laten bijstaan door een advocaat gespecialiseerd in octrooirecht.

Voor ondernemingen die een beslag ondergaan. Lees het verzoekschrift van de beslaglegger kritisch: staat alles erin wat de voorzitter had moeten weten? Een verzwegen negatief onderzoeksverslag is uw sterkste wapen, eerst voor het derdenverzet en daarna voor de schadevergoeding. Documenteer uw schade van dag één: het arrest toont dat enkel concreet gestaafde posten worden vergoed. De 157 geregistreerde extra werkuren leverden VMM 6.248,60 EUR op; de niet-gestaafde verplaatsingskosten leverden niets op. En bewaar de factuur én het betalingsbewijs van uw octrooigemachtigde: die kosten zijn verhaalbaar als schadevergoeding.

Voor procespartijen in het algemeen. Een strafklacht indienen om een burgerlijke procedure te doen schorsen, is een riskante zet. Het hof van beroep las in de timing, daags vóór de pleidooien, een louter vertragend oogmerk en sanctioneerde dat als misbruik van procesrecht. De timing van uw proceshandelingen wordt mee beoordeeld.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Moet de beslaglegger altijd schadevergoeding betalen als zijn octrooi nietig wordt verklaard?
Nee. De nietigverklaring van het octrooi of de intrekking van het beslag volstaat op zich niet. De beslagene moet een fout van de beslaglegger bewijzen, bijvoorbeeld dat die relevante informatie voor de voorzitter heeft verzwegen of wist dat zijn recht ongeldig was.

Wat moet er in een eenzijdig verzoekschrift tot beslag inzake namaak staan?
Alle relevante informatie, ook de ongunstige: een negatief nieuwheidsonderzoek, eerdere of hangende procedures over hetzelfde recht, en relevante briefwisseling. De voorzitter beslist zonder tegenpartij en moet dus op de volledigheid van het verzoekschrift kunnen vertrouwen.

Mag het deskundigenverslag uit een vernietigd beslag inzake namaak nog worden gebruikt?
Nee. De intrekking van de beschikking betekent dat zij geacht wordt nooit te hebben bestaan. Alles wat in uitvoering ervan is gedaan, ook het proces-verbaal van beschrijving en het deskundigenverslag, mag niet meer worden voorgelegd of gebruikt.

Conclusie

Het arrest van het hof van beroep te Brussel van 24 februari 2026 bevestigt de Belgische lijn: wie in België een beslag inzake namaak legt op basis van een recht dat achteraf nietig blijkt, is niet automatisch aansprakelijk, maar wie de voorzitter onvolledig informeert, begaat een fout en betaalt de volledige rekening. Voor VR-Drilling liep die op tot ruim 10.700 EUR schadevergoeding en bijna 28.000 EUR rechtsplegingsvergoeding. De informatieplicht bij het eenzijdig verzoekschrift is geen formaliteit, maar de kern van het Belgisch procedurerecht op het vlak van intellectuele eigendomsrechten.


Joris Deene

Mr. Joris Deene is advocaat-partner bij Everest Advocaten en leidt het departement intellectuele eigendom, IT-recht, AI-recht, gegevensbescherming en mediarecht. ICT Rechtswijzer is het kennisplatform van dat departement. Joris publiceert en doceert over auteursrecht, merkenrecht, softwarerecht, de AVG, de AI-Act, de DSA en het mediarecht.

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics