In een arrest van 17 juli 2025 heeft het Grondwettelijk Hof het beroep tot vernietiging verworpen dat was ingesteld door de Algemene Centrale van het Militair Personeel en verschillende individuele militairen. De zaak draaide rond de wet van 16 mei 2024, die de toegang van de inlichtingendiensten tot het Rijksregister en andere databanken aanzienlijk versoepelt in het kader van veiligheidsverificaties. Deze uitspraak heeft belangrijke gevolgen voor de privacy van militairen en hun omgeving. Als advocatenkantoor gespecialiseerd in administratief recht en privacyrecht, volgen wij deze ontwikkelingen op de voet.
De kern van de zaak: geen ministeriële machtiging meer nodig
De controverse ontstond naar aanleiding van de wet van 16 mei 2024. Deze wet wijzigt onder meer de Rijksregisterwet van 1983 en de wet op de bevolkingsregisters van 1991. Het doel van de wetswijziging was om het werk van de Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht (ADIV) te vergemakkelijken.
Concreet schrapt de wet de vereiste dat de bevoegde minister (Justitie of Defensie) een voorafgaande machtiging moet verlenen aan de inlichtingendiensten om bepaalde persoonsgegevens te raadplegen. Deze toegang is cruciaal voor de uitvoering van hun taken, waaronder de zogenaamde veiligheidsverificaties van militairen. Zo’n verificatie kan niet alleen betrekking hebben op de militair zelf, maar ook op diens naaste omgeving.
De verzoekende partijen, waaronder de militaire vakbond en enkele militairen, vreesden voor een schending van hun grondrechten, in het bijzonder het recht op eerbiediging van het privéleven (artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens).
De argumenten van de militairen
De militairen brachten in essentie drie grote argumenten, of ‘middelen’, naar voren in hun verzoekschrift bij het Grondwettelijk Hof:
- Geen raadpleging van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA): Volgens de verzoekers was de Gegevensbeschermingsautoriteit ten onrechte niet geraadpleegd tijdens de voorbereiding van de wet. Een dergelijke raadpleging is, volgens hen, verplicht onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming wanneer wetgeving een impact heeft op de verwerking van persoonsgegevens.
- Afschaffing van de ministeriële machtiging: Het tweede argument was gericht tegen de kern van de wet: het wegvallen van de voorafgaande controle door een minister. Dit zou de deur openzetten voor een te ruime en onvoldoende gecontroleerde toegang tot gevoelige informatie, niet enkel van de militair, maar ook van zijn of haar familie en sociale kring.
- Aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau: Als gevolg van het bovenstaande argumenteerden de verzoekers dat hun beschermingsniveau aanzienlijk achteruitging. Dit zou in strijd zijn met het zogenaamde “standstill-beginsel” dat in bepaalde grondrechten, zoals het recht op sociale bescherming, vervat zit.
Het oordeel van het Grondwettelijk Hof: een procedurele afwijzing
Het Grondwettelijk Hof heeft de argumenten van de militairen onderzocht, maar heeft het beroep uiteindelijk verworpen. De redenering van het Hof is echter zeer technisch en illustreert het belang van een correcte en tijdige juridische procedure.
Eerste middel: GBA wel degelijk geconsulteerd
Het Hof stelde vast dat het eerste argument gebaseerd was op een feitelijk onjuiste premisse. Wat bleek? Het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Comité I), dat wel was geraadpleegd, had de adviesaanvraag doorgestuurd naar de Gegevensbeschermingsautoriteit. De GBA had zelfs op 15 april 2024 een advies uitgebracht. Het middel werd daarom als ongegrond afgewezen.
Tweede en derde middel: te laat en onvoldoende gemotiveerd
De andere twee argumenten, die de kern van de zaak raakten, werden door het Hof onontvankelijk verklaard. Dit is een cruciale nuance: het Hof heeft zich niet uitgesproken over de vraag of de afgeschafte machtiging al dan niet een schending van de privacy inhoudt. De afwijzing gebeurde op louter procedurele gronden.
- Beroep te laat ingesteld: Het Hof merkte op dat de kritiek van de verzoekers zich in werkelijkheid niet zozeer richtte tegen de wet van 2024, maar wel tegen de bepalingen over de veiligheidsverificatie zelf. Die werden echter al in 2023 ingevoerd met een wet van 7 april 2023. Een beroep tot vernietiging moet worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na publicatie van een wet in het Belgisch Staatsblad. Die termijn was voor de wet van 2023 ruimschoots verstreken, waardoor het beroep op dit punt te laat kwam.
- Onvoldoende duidelijke argumentatie: Voor zover de middelen wél gericht waren tegen de wet van 2024, oordeelde het Hof dat de argumentatie te vaag was. De verzoekers hadden een lange lijst van geschonden wetsartikelen opgesomd, maar niet voldoende duidelijk gemaakt hoe en waarom het schrappen van de ministeriële machtiging precies een schending van al die regels zou inhouden. Een verzoekschrift bij het Hof moet, op straffe van onontvankelijkheid, een precieze en coherente uiteenzetting van de grieven bevatten.
Conclusie: wat betekent dit voor u?
Hoewel de bezorgdheden over privacy en de uitbreiding van de bevoegdheden van inlichtingendiensten legitiem zijn, toont deze zaak aan dat een juridische strijd gewonnen of verloren wordt op basis van strikte procedureregels en een ijzersterke argumentatie.
De termijnen voor het instellen van een annulatieberoep zijn onverbiddelijk, en een grondige onderbouwing van elk argument is essentieel. Voor militairen, en bij uitbreiding voor iedereen die onderworpen kan worden aan een veiligheidsonderzoek, blijft de situatie ongewijzigd: de inlichtingendiensten behouden hun directe toegang tot diverse databanken.



