Bedrijven worden steeds vaker geconfronteerd met negatieve berichten of oproepen tot getuigenissen op sociale media door concurrenten of belangenverenigingen. Mag een vereniging zomaar een online oproep lanceren om ervaringen over uw onderneming te verzamelen met de suggestie dat er onregelmatigheden worden gepleegd? Het antwoord is in veel gevallen nee: zonder specifieke wettelijke onderzoeksbevoegdheid kan een dergelijke publieke insinuatie worden beschouwd als ongeoorloofde slechtmaking en een oneerlijke marktpraktijk, waartegen u doeltreffend kan optreden.
De feiten
In een recente zaak voor de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Henegouwen, afdeling Bergen, stonden twee groeperingen van verpleegkundigen tegenover elkaar. Een vzw die opkomt voor de belangen van zelfstandige verpleegkundigen had op Facebook een oproep geplaatst. In dit bericht werd gevraagd naar ervaringen met een specifieke concurrerende vennootschap. Daarbij werd expliciet vermeld dat de getuigenissen (zowel positief als negatief) zouden dienen om de situatie te analyseren en eventueel een dossier voor te leggen aan de Federale Overheidsdienst.
Het geviseerde bedrijf diende hierop een stakingsvordering in om de vzw en de betrokken beheerder dit denigrerende gedrag te doen staken.
De beslissing
De stakingsrechter oordeelde op 19 december 2025 dat de Facebook-publicatie daadwerkelijk een daad van slechtmaking uitmaakte en bijgevolg een inbreuk op de eerlijke marktpraktijken. Binnen de relaties tussen ondernemingen verbiedt het Wetboek van Economisch Recht (WER) in artikel VI.104 elke daad die strijdig is met de eerlijke marktpraktijken en waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een andere onderneming (kan) schaden.
De rechtbank verbood de vzw om nog langer denigrerende berichten over de tegenpartij te publiceren op sociale media, op straffe van een dwangsom van 500 euro per dag. Bovendien werd de vzw verplicht om een door de rechtbank opgesteld rectificerend bericht te publiceren op dezelfde netwerken.
Juridische analyse en duiding
Deze beschikking illustreert treffend het spanningsveld tussen de vrijheid van meningsuiting (verankerd in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens – EVRM) en de bescherming van de professionele reputatie van ondernemingen.
Hoewel de vzw aanvoerde dat haar bericht louter een neutrale informatievergaring was, oordeelde de rechtbank anders. De expliciete verwijzing naar de bereidheid om een dossier in te dienen bij de overheidsdiensten, creëerde de duidelijke perceptie dat de geviseerde vennootschap zich inliet met onregelmatige praktijken. Dit kwalificeert als de indirecte uiting van een mening die de reputatie van een onderneming schaadt.
Een belangrijk element in de beoordeling was de juridische hoedanigheid van de vzw. Als gewone belangenvereniging beschikt zij niet over de bevoegdheden van een tuchtorgaan of een parket om ambtshalve inbreuken op te sporen en te onderzoeken. Door publiekelijk de schijn te wekken over bezwarende feiten te beschikken, terwijl men eigenlijk nog op zoek is naar bewijzen, overschrijdt men de grenzen van het toelaatbare. De inbreuk op de vrijheid van meningsuiting werd door de rechter in deze context dan ook beschouwd als een noodzakelijke en proportionele maatregel om een eerlijke marktomgeving te garanderen.
Wat dit concreet betekent
Deze beslissing heeft gevolgen voor de digitale communicatie van zowel ondernemingen als belangenverenigingen:
- Voor belangenverenigingen en concurrenten: Matig uw publieke communicatie. U mag zich niet de rol van opsporingsinstantie aanmeten op sociale media. Een publieke oproep tot getuigenissen, gecombineerd met dreigementen over officiële klachten, kan u al snel een veroordeling wegens zwartmakerij opleveren.
- Voor geviseerde bedrijven: U staat niet machteloos tegen online profileringstochten. Zelfs als een publicatie geen keiharde, directe beschuldigingen bevat, volstaat de sluimerende suggestie van onregelmatigheden om met succes een stakingsvordering (inclusief dwangsommen en een rechtzetting) in te stellen.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Kan er sprake zijn van zwartmakerij als we niet rechtstreeks concurreren met het bedrijf in kwestie?
Ja. De wet vereist niet dat de auteur van de zwartmakerij een rechtstreekse concurrent van het slachtoffer is. Ook verenigingen die uitlatingen doen waardoor de reputatie van een onderneming wordt geschaad, kunnen zich schuldig maken aan deze inbreuk.
Kan de rechter een publicatieverbod opleggen, zelfs als we het bewuste bericht inmiddels al hebben verwijderd?
Absoluut. Het feit dat de gewraakte publicatie al is verwijderd, belet de rechter niet om alsnog een formeel stakingsbevel op te leggen. Een dergelijk bevel behoudt immers zijn nut voor de toekomst, met name om herhaling te vermijden.
Mag een rechter mij verbieden om achteraf online kritiek te geven op de uitspraak van de rechtbank zelf?
Nee, de vrijheid van meningsuiting omvat het recht om rechterlijke beslissingen te bekritiseren, zolang dit op een gematigde manier gebeurt met respect voor het gezag van het oordeel. Een eis van de tegenpartij om elke verwijzing naar de procedure op sociale media te verbieden, is doorgaans niet proportioneel en zal worden afgewezen.
Conclusie
Het publiekelijk in diskrediet brengen van een onderneming via schijnbaar neutrale oproepen tot getuigenissen houdt aanzienlijke juridische risico’s in. Ondernemingen hebben in België het absolute recht om hun reputatie af te schermen tegen insinuaties die de eerlijke marktpraktijken verstoren. Een gerichte tussenkomst via de stakingsrechter biedt hiertegen een robuuste en snelle bescherming.



