Hoe vormt het Eengemaakt Octrooigerecht (UPC) de toekomst van het Europees octrooirecht?

Sinds de oprichting op 1 juni 2023 is het Eengemaakt Octrooigerecht (UPC) in een razendsnel tempo uitgegroeid tot dé centrale instantie voor octrooigeschillen in Europa. We merken dat steeds meer zaken die voorheen voor de nationale rechtbanken, zoals die in België, zouden komen, nu bij het UPC worden aangespannen. Voor houders van Europese octrooien en bedrijven die actief zijn op de Europese markt, is het van cruciaal belang om de rechtspraak van dit nieuwe gerecht op de voet te volgen. De beslissingen van het UPC scheppen immers belangrijke precedenten die de strategie voor innovatiebescherming en de aanpak van inbreuk direct beïnvloeden.

Als gespecialiseerd advocatenkantoor in het intellectuele eigendomsrecht, analyseren wij continu de laatste ontwikkelingen in het octrooirecht. Hieronder geven we een overzicht van de belangrijkste lijnen die het UPC tot nu toe heeft uitgezet.

De geldigheid van een octrooi onder de loep

Een octrooi kan voor het UPC worden aangevallen op verschillende gronden. De rechtspraak toont aan dat het gerecht een geharmoniseerde aanpak ontwikkelt, vaak in lijn met de gevestigde praktijk van het Europees Octrooibureau (EOB), maar met eigen accenten.

Prioriteit en toegevoegde materie: de “gold standard”

Voor de beoordeling of een beroep op een ouder prioriteitsrecht geldig is, past het UPC de zogenaamde ‘gold standard’-toets toe. Dit criterium, dat ook door het EOB wordt gehanteerd, houdt in dat de vakpersoon de geclaimde uitvinding direct en ondubbelzinnig moet kunnen afleiden uit de eerdere octrooiaanvraag in zijn geheel. Deze strikte norm zagen we bevestigd in zaken als Sanofi/Amgen voor de Centrale Divisie (CD) München en Plant-e/Arkyne voor de Lokale Divisie (LD) Den Haag.

Deze zelfde ‘gold standard’ wordt door het UPC toegepast bij de beoordeling van toegevoegde materie. In de zaak Abbott/Sibio oordeelde het Hof van Beroep (Court of Appeal, “CoA”) dat het weglaten van een specifiek technisch kenmerk niet automatisch tot toegevoegde materie leidt. Als de vakman begrijpt dat dit kenmerk niet essentieel is voor het bereiken van de voordelen van de uitvinding, is het weglaten ervan toegestaan.

Nieuwheid: een strikte benadering

Bij de beoordeling van nieuwheid hanteert het UPC een zeer strikte lijn. De Lokale Divisie (LD) Düsseldorf overwoog in Kaldewei/Bette dat een technische leer nieuw is als deze in ten minste één kenmerk afwijkt van de stand van de techniek. Wat tot de stand van de techniek behoort, is enkel datgene wat direct en ondubbelzinnig uit één enkele publicatie kan worden afgeleid.

Inventiviteit: een pragmatische middenweg

Voor de beoordeling van de inventiviteit lijkt het UPC een eigen koers te varen, die het midden houdt tussen de strikte “problem-solution approach” (PSA) van het EOB en de meer flexibele Duitse benadering.

In de baanbrekende zaak 10x Genomics/NanoString oordeelde het Hof van Beroep (CoA) dat de rechter een relevant startpunt in de stand van de techniek moet identificeren en vervolgens moet nagaan of er voor de vakman een “aansporing” was om de geclaimde uitvinding te overwegen, met een redelijke verwachting van succes. Hoewel de Centrale Divisie (CD) Parijs in Meril/Edwards opmerkte dat de PSA niet verplicht is , wordt vaak geconcludeerd dat de toepassing ervan tot hetzelfde resultaat zou leiden.

Nawerkbaarheid: het vermoeden van geldigheid

Een verleend octrooi wordt geacht voldoende nawerkbaar te zijn. De partij die de geldigheid betwist, moet aantonen dat er “substantiële twijfel” (substantial doubt) bestaat over de nawerkbaarheid, zo bevestigde het Hof van Beroep (CoA) in Ortovox/Mammut. De toets is of de vakman de uitvinding over de volledige breedte van de conclusies kan uitvoeren zonder onredelijke inspanning (“undue burden”).

Inbreuk: de grenzen van de bescherming

Naast de geldigheid van het octrooi, buigt het UPC zich uiteraard over de vraag of er sprake is van inbreuk.

Uitleg van de octrooiconclusies

De beschermingsomvang van een octrooi wordt bepaald door de conclusies, conform artikel 69 van het Europees Octrooiverdrag (EOV). Het Hof van Beroep (CoA) heeft in Nanostring/10x Genomics bevestigd dat de beschrijving en de tekeningen altijd moeten worden geraadpleegd om de conclusies uit te leggen. Een interessant vraagstuk is de rol van het verleningsdossier. Recente rechtspraak van het Hof van Beroep (CoA) in Alexion/Samsung en Alexion/Amgen suggereert dat argumenten die tijdens de verleningsprocedure zijn aangevoerd, een rol kunnen spelen als indicatie van hoe de vakman de uitvinding begreep.

Inbreuk door equivalentie

Wat als een product niet letterlijk onder de bewoordingen van de octrooiconclusies valt? De Lokale Divisie (LD) Den Haag heeft in Plant-e/Arkyne voor het eerst een gedetailleerde toets voor inbreuk door equivalentie geformuleerd. Deze toets, die inmiddels is toegepast door de Lokale Divisie (LD) Brussel in X/OrthoApnea , omvat vier vragen over technische equivalentie, billijke bescherming, rechtszekerheid en de eigen nieuwheid en inventiviteit van het product.

Het proces voor het UPC: strategische aandachtspunten

De procedureregels van het UPC hebben een grote impact op de strategie van een rechtszaak.

De “long-arm” bevoegdheid van het UPC

Een van de meest significante ontwikkelingen is de bevestiging van de ruime internationale bevoegdheid van het UPC. Naar aanleiding van het arrest BSH/Electrolux van het Hof van Justitie van de EU van 25 januari 2025 (C-339/22), heeft de Lokale Divisie (LD) Parijs in Mul-T-lock/IMC Créations geoordeeld dat het UPC bevoegd is om te oordelen over inbreuk op nationale delen van een Europees octrooi in landen die geen lid zijn van het UPC-verdrag (zoals Spanje en het Verenigd Koninkrijk). Deze “long-arm jurisdiction” maakt het UPC een uitzonderlijk krachtig instrument voor een gecentraliseerde handhaving in heel Europa.

Opt-out en de intrekking ervan

Houders van klassieke Europese octrooien kunnen via een “opt-out” de bevoegdheid van het UPC uitsluiten. Het Hof van Beroep (CoA) verduidelijkte in Neo Wireless/Toyota dat een opt-out enkel geldig is als deze door alle houders van de nationale delen van het octrooi is ingediend. In AIM/Supponor oordeelde ditzelfde Hof dat een oudere, nog lopende nationale procedure, die gestart is vóór de inwerkingtreding van het UPC, een latere intrekking van de opt-out niet in de weg staat.

Voorlopige maatregelen, bewijs en vertrouwelijkheid

  • Spoedeisend belang: Voor het verkrijgen van voorlopige maatregelen mag een eiser niet onredelijk lang wachten. De rechtspraak, zoals in Amycel/X voor de Lokale Divisie (LD) Den Haag, toont wel begrip voor het feit dat er tijd nodig is om zorgvuldig bewijs te verzamelen.
  • Bewijsverkrijging (Disclosure): Het UPC kan maatregelen tot bewijsbewaring bevelen, wat volgens het Hof van Beroep (CoA) in Progress/AWM Schnell ook een verzoek tot inzage impliceert. Partijen kunnen ook worden verplicht om gespecificeerd bewijs te leveren dat zich onder hun controle bevindt, mits de verzoekende partij al redelijk beschikbaar bewijs heeft geleverd om zijn claims te ondersteunen.
  • Vertrouwelijkheid: Procedures voor het UPC kennen een strikt regime voor de bescherming van vertrouwelijke informatie. De rechtbank kan een ‘confidentiality club’ inrichten, waarbij de toegang tot gevoelige informatie wordt beperkt tot specifieke personen. Terwijl de hoofdregel is dat elke partij door ten minste één natuurlijk persoon vertegenwoordigd moet zijn , oordeelde de Lokale Divisie (LD) Den Haag in Plant-e/Arkyne dat de toegang beperkt kan worden tot enkel de advocaten (‘attorneys’ eyes only’).

Zekerheidstelling en SEP/FRAND-geschillen

  • Zekerheid voor proceskosten: Een verweerder kan de rechter verzoeken om de eiser te bevelen zekerheid te stellen voor de proceskosten. De verzoekende partij moet aantonen dat er een gegronde vrees bestaat dat een eventuele kostenveroordeling niet of slechts zeer moeilijk uitvoerbaar zal zijn. De financiële slagkracht van een eventuele moedermaatschappij van de eiser is daarbij niet relevant.
  • Standaard Essentiële Octrooien (SEP’s): In zaken betreffende SEP’s, zoals Panasonic/OPPO en Huawei/Netgear, past het UPC de criteria uit het Huawei/ZTE-arrest van het Hof van Justitie toe. Een partij die een licentie wil onder FRAND-voorwaarden (‘Fair, Reasonable and Non-Discriminatory’) moet zich opstellen als een ‘willing licensee’ en proactief de nodige informatie aanleveren, zoals eigen verkoopgegevens, om de onderhandelingen te faciliteren.

Conclusie: wat betekent dit voor u?

De contouren van een uniform en voorspelbaar Europees octrooirecht worden steeds duidelijker. Het UPC toont zich een efficiënt en deskundig gerecht dat een geharmoniseerd kader creëert door aan te sluiten bij de beproefde methoden van het EOB en tegelijkertijd elementen uit succesvolle nationale rechtspraktijken te integreren.

De strategische keuzes – procederen voor het UPC of niet, een opt-out aanvragen, de timing van een procedure – hebben verstrekkende gevolgen. De ruime bevoegdheid en de snelheid van het UPC bieden ongekende mogelijkheden voor octrooihouders, maar brengen ook risico’s met zich mee, zoals een centrale nietigverklaring van een octrooi.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics