Wat betekent het onzichtbare AI-watermerk voor advocaten?

Sinds 2 augustus 2026 weven de nieuwste AI-taalmodellen een onzichtbaar watermerk in elke tekst die zij genereren. Anthropic, het bedrijf achter het taalmodel Claude, maakte midden augustus bekend hoe het een verplichting uit de Europese AI-wetgeving invult. Voor Belgische advocaten verandert dat watermerk niets aan de regels zelf: AI-gebruik blijft toegestaan en er bestaat geen deontologische plicht om het aan de cliënt te melden. Wat wel verandert, is dat AI-gebruik voortaan technisch aantoonbaar wordt, en dat maakt de afspraken met de cliënt belangrijker dan ooit.

Een watermerk dat in de woordkeuze zelf zit

Wie bij een watermerk denkt aan een logo in de hoek van een foto, een verborgen teken of een regeltje metadata in het bestand, zit ernaast. Het tekstwatermerk is niets van dat alles. Het zit in de tekst zelf, meer bepaald in de woordkeuze.

Een taalmodel berekent bij elk woord een lijst van kandidaten die elk even goed passen. Na “de rechtbank heeft de vordering …” kan zowel “afgewezen” als “verworpen” volgen. Voor de lezer maakt de keuze niets uit. Precies in die keuzevrijheid nestelt het watermerk zich: het model krijgt een geheime voorkeurslijst mee en kiest, telkens wanneer meerdere woorden gelijkwaardig zijn, net iets vaker een woord uit die lijst. Eén woordkeuze zegt niets. Over honderden woorden ontstaat een statistisch patroon dat een detector met de juiste sleutel kan meten, terwijl een menselijke lezer niets merkt.

Die techniek heeft twee praktische gevolgen. Het watermerk reist mee met de tekst: kopiëren naar Word, omzetten naar pdf of het strippen van metadata verandert er niets aan, want het signaal zit in de woorden zelf. Het watermerk is tegelijk vergankelijk: wie de tekst grondig herschrijft, parafraseert of vertaalt, wist het patroon geleidelijk uit. Anthropic waarschuwt bovendien dat zeer korte passages te weinig materiaal bevatten voor een betrouwbare meting. Een clausule van drie regels bewijst dus niets, een conclusie van dertig bladzijden mogelijk wel.

Waarom de AI-verordening dit watermerk verplicht

De verplichting komt uit artikel 50, lid 2 van de verordening (EU) 2024/1689 over artificiële intelligentie (de AI-verordening of AI Act). Aanbieders van AI-systemen die synthetische tekst, beeld, audio of video genereren, moeten ervoor zorgen dat de output wordt gemarkeerd in een machineleesbaar formaat en detecteerbaar is als kunstmatig gegenereerd. Die transparantieverplichtingen zijn van toepassing sinds 2 augustus 2026. De Europese Commissie faciliteerde daarnaast een praktijkcode over de transparantie van AI-gegenereerde content, die Anthropic heeft ondertekend. Concreet dragen Claude-modellen die vanaf 2 augustus 2026 zijn gelanceerd het tekstwatermerk vanaf dag één; voor oudere modellen loopt een overgangsperiode. Bestanden zoals afbeeldingen krijgen daarnaast cryptografisch ondertekende herkomstmetadata volgens de C2PA-standaard.

Belangrijk voor de advocaat is wat artikel 50 níet doet. De markeringsplicht van lid 2 rust op de aanbieder van het AI-systeem, niet op de gebruiker. Voor gebruikers bevat artikel 50, lid 4 wel een eigen bekendmakingsplicht, maar die geldt voor tekst enkel wanneer die wordt gepubliceerd om het publiek te informeren over aangelegenheden van algemeen belang, en zelfs dan vervalt zij wanneer de tekst menselijke toetsing of redactionele controle heeft ondergaan en iemand daarvoor redactionele verantwoordelijkheid draagt. Een advies aan een cliënt of een conclusie voor de rechtbank wordt niet gepubliceerd om het publiek te informeren en valt dus buiten die bepaling. Zelfs een juridische blog van een kantoor ontsnapt eraan zodra een advocaat de tekst naleest en er zijn naam onder zet. Wie de bekendmakingsplicht voor beeldmateriaal wil vergelijken: die analyseerden we eerder naar aanleiding van de labelplicht voor deepfakes.

Er is met andere woorden geen Europese regel die de advocaat verplicht om onder zijn advies te vermelden dat een taalmodel heeft meegeschreven. De vraag verschuift daarmee naar het nationale recht.

Wat de Belgische deontologie zegt over AI-gebruik door advocaten

De Orde van Vlaamse Balies en Avocats.be publiceerden op 20 januari 2025 gezamenlijke richtlijnen voor het gebruik van artificiële intelligentie door advocaten. De richtlijnen scheppen geen nieuwe verplichtingen, maar passen de bestaande deontologie toe op een nieuwe technologie. Het uitgangspunt is dubbel: het gebruik van AI is niet verboden en evenmin verplicht. De keuze behoort tot de vrijheid van de advocaat, de gevolgen tot zijn verantwoordelijkheid.

Die vrijheid is wel omkaderd. De advocaat blijft gebonden aan artikel 455 van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.) en artikel 1 van de Codex Deontologie voor Advocaten: waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid, een behoorlijke en deskundige beroepsuitoefening, eerbied voor het beroepsgeheim, onafhankelijkheid en partijdigheid. De richtlijnen vertalen dat naar vier concrete plichten.

De advocaat kent ten eerste de basiswerking van taalmodellen. Wie niet begrijpt dat een taalmodel in de basis woorden voorspelt in plaats van bronnen raadpleegt, kan de risico’s niet inschatten. De advocaat neemt ten tweede de gebruiksvoorwaarden van de tool door: wordt er getraind op de ingevoerde gegevens, waar worden zij opgeslagen, gaat het om een open of een gesloten systeem? De advocaat controleert ten derde het resultaat, met inbegrip van elke vermelde wet, elk arrest en elke rechtsleerverwijzing. En de advocaat blijft ten vierde eindverantwoordelijke voor de output: alle gewone aansprakelijkheidsregels blijven gelden.

Op het vlak van vertrouwelijkheid leggen de richtlijnen de lat hoog, maar zij bevatten geen verbod. De advocaat voert geen stukken in die door het beroepsgeheim zijn gedekt, tenzij hij zeker is dat de toepassing draait in een gesloten omgeving met voldoende waarborgen. Het beroepsgeheim is verankerd in artikel 18 van de Codex en artikel 458 van het Strafwetboek (Sw.) bestraft de bekendmaking ervan. Wie gegevens toevertrouwt aan een verwerker die contractueel tot vertrouwelijkheid is gehouden en niet op de invoer traint, maakt niets bekend: een zakelijke AI-omgeving met verwerkersovereenkomst kan dus volstaan, net zoals cloudmail en extern dossierbeheer dat al jaren doen. Persoonsgegevens worden gepseudonimiseerd voor zij in een prompt belanden, tenzij hun verwerking essentieel is en op een rechtsgrond uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDPR) steunt.

Eén richtlijn springt eruit voor het watermerkdebat: de advocaat is niet verplicht aan de cliënt mee te delen dat hij AI gebruikt, net zomin als hij meldt welke tekstverwerker of databank hij hanteert. Dat standpunt is logisch zolang de advocaat de output controleert en de verantwoordelijkheid draagt. Maar het is een deontologisch minimum, geen contractueel plafond.

Wat het watermerk daaraan verandert

Het watermerk creëert geen enkele nieuwe norm. Het verandert wel de bewijspositie, en dat op drie punten.

Eerst het mandaat. De verhouding tussen advocaat en cliënt is contractueel, en de cliënt kan het gebruik van AI-tools beperken of uitsluiten, bijvoorbeeld omdat zijn eigen beleid of dat van zijn verzekeraar dat vereist. Heeft de cliënt zo’n instructie gegeven, dan pleegt de advocaat die haar negeert wanprestatie, watermerk of niet. Alleen bleef zo’n schending tot nu toe doorgaans onzichtbaar. Zodra detectietools beschikbaar worden, kan een cliënt een geleverd advies laten doorlichten. Het watermerk schept het probleem niet, maar het maakt de vaststelling mogelijk. Wie in zijn opdrachtbrief niets over AI heeft afgesproken, doet er dus goed aan dat gesprek nu te voeren, vóór een detector het in zijn plaats doet.

Vervolgens de bewijswaarde. Een gedetecteerd watermerk bewijst niet dat het taalmodel de tekst heeft bedacht. Anthropic somt de beperkingen zelf op: ook een tekst die een mens schreef en enkel door het model liet nalezen, vertalen of samenvatten, draagt het merk. Omgekeerd bewijst de afwezigheid van een watermerk niet dat er geen AI aan te pas kwam: de tekst kan van een ouder model komen, zwaar bewerkt zijn of gewoon te kort voor een betrouwbare meting. Een detectieresultaat is herkomstinformatie, geen bewijs van een fout. Wie op basis van een watermerk een deontologische inbreuk of een wanprestatie wil aantonen, zal dus meer moeten voorleggen dan het detectierapport alleen.

Ten slotte de kwaliteitscontrole, want daar ligt het werkelijke risico. De Orde van Vlaamse Balies signaleerde in april 2026 twee uitspraken die tonen wat er gebeurt wanneer AI-output ongecontroleerd de procedure binnenkomt. De Raad van State benadrukte in een arrest nr. 265.712 dat het correct voeren van een procedure de expertise van een advocaat vereist en dat artificiële intelligentie die beoordeling niet kan vervangen. Het hof van beroep te Antwerpen ging in een arrest van 25 maart 2026 (2025/AR/774) een stap verder: conclusies die met behulp van AI waren opgesteld, leidden tot een chaotische procesvoering met telkens wisselende feiten en rechtsgronden, en het hof rekende dat af met een verhoogde rechtsplegingsvergoeding. Niet het AI-gebruik werd gesanctioneerd, wel het gebrek aan controle erop. Dat is exact de lijn van de richtlijnen: de advocaat mag de technologie inzetten, maar blijft eindverantwoordelijke.

Wat betekent dit concreet?

Voor advocaten en kantoren. Neem het AI-gebruik op in de opdrachtbrief. Een korte clausule volstaat: het kantoor kan AI-tools inzetten als hulpmiddel, elke output wordt door een advocaat gecontroleerd, en vertrouwelijke gegevens worden enkel verwerkt in omgevingen die het beroepsgeheim waarborgen. Wie dat vastlegt, hoeft een watermerkdetectie later niet te vrezen. Stel daarnaast de juiste vragen aan uw softwareleveranciers: welk taalmodel draait er onder de juridische tool die het kantoor gebruikt, draagt de output een watermerk, en wat gebeurt daarmee bij export? Veel advocaten gebruiken AI immers onrechtstreeks, via een juridische toepassing die op een groot taalmodel is gebouwd. Het watermerk van het onderliggende model reist dan mee, ook al staat er een andere naam op de tool.

Voor cliënten en ondernemingen. Wie eisen wil stellen aan het AI-gebruik van zijn advocaat, moet dat contractueel doen: de deontologie legt de advocaat geen spontane meldingsplicht op. Vraag ernaar bij de opdrachtbevestiging en leg de afspraak schriftelijk vast. En wie zelf een detectietool op een ontvangen tekst loslaat, moet het resultaat op zijn juiste waarde schatten: een watermerk zegt dat een taalmodel de tekst heeft verwerkt, niet dat de advocaat zijn werk niet heeft gedaan.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Moet een advocaat aan zijn cliënt melden dat hij AI gebruikt?
Nee. De richtlijnen van de Orde van Vlaamse Balies en Avocats.be van 20 januari 2025 stellen uitdrukkelijk dat de advocaat niet verplicht is het gebruik van AI mee te delen, net zomin als het gebruik van andere IT-toepassingen. De cliënt kan het AI-gebruik wel contractueel beperken, en dan moet de advocaat die instructie naleven.

Bewijst een gedetecteerd watermerk dat een tekst door AI is geschreven?
Nee. Het watermerk toont enkel dat het taalmodel de tekst heeft verwerkt. Ook een menselijke tekst die door het model werd nagelezen, vertaald of geherstructureerd, draagt het merk. Omgekeerd sluit de afwezigheid van een watermerk AI-gebruik niet uit, bijvoorbeeld bij oudere modellen, zwaar bewerkte teksten of korte passages.

Verdwijnt het watermerk wanneer ik de tekst bewerk of converteer?
Converteren niet, herschrijven wel. Het watermerk zit in de woordkeuze zelf en overleeft dus kopiëren, opmaakwijzigingen en bestandsconversie. Grondig herschrijven, parafraseren of vertalen wist het statistische patroon geleidelijk uit. Lichte redactie laat het signaal doorgaans intact.

Conclusie

Het onzichtbare AI-watermerk verplicht Belgische advocaten tot niets nieuws. Artikel 50 van de AI-verordening legt de markeringsplicht bij de aanbieder van het model, en de bekendmakingsplicht voor gebruikers raakt adviezen en conclusies niet. De deontologische lat ligt waar zij al lag sinds de richtlijnen van 20 januari 2025: AI mag, op voorwaarde dat de advocaat de output controleert, het beroepsgeheim beschermt en de eindverantwoordelijkheid draagt. Wat het watermerk wel verandert, is de zichtbaarheid: afspraken over AI-gebruik worden in België voortaan controleerbaar, en dat maakt van de opdrachtbrief het document waar alles samenkomt.



Joris Deene

Mr. Joris Deene is advocaat-partner bij Everest Advocaten en leidt het departement intellectuele eigendom, IT-recht, AI-recht, gegevensbescherming en mediarecht. ICT Rechtswijzer is het kennisplatform van dat departement. Joris publiceert en doceert over auteursrecht, merkenrecht, softwarerecht, de AVG, de AI-Act, de DSA en het mediarecht.

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics