Een auteur mag een herwerkte en geactualiseerde versie van zijn boek bij een andere uitgever uitgeven wanneer het auteurscontract voor die adaptatie enkel een optierecht verleende en dat optierecht is verstreken. Dat oordeelde de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op grond van artikel XI.167 van het Wetboek van economisch recht, dat auteurscontracten restrictief en in het voordeel van de auteur laat uitleggen. Uitgeverij Lannoo verloor daardoor haar zaak tegen Borgerhoff & Lamberigts en professor Martin Valcke over twee handboeken onderwijskunde. Tegen het vonnis is ondertussen hoger beroep ingesteld.
In het kort:
- De rechtbank wees op 28 april 2025 alle vorderingen van Lannoo af: geen inbreuk op het auteursrecht, geen contractbreuk, geen oneerlijke marktpraktijk.
- De auteurscontracten van 30 november 2017 droegen het reproductierecht “in de meest brede zin” over, maar voor adaptaties gaven zij enkel een exclusief optierecht van vijf jaar, dat op 30 november 2022 verstreek.
- Wie als uitgever ook de toekomstige herwerkingen van een handboek wil controleren, moet dat uitdrukkelijk in het contract zetten, want bij twijfel wint de auteur.
De feiten
Martin Valcke was professor onderwijskunde aan de Universiteit Gent en schreef samen met collega’s twee handboeken: “Krachtige leeromgevingen” (2019) en “Klasmanagement en reflectie” (2020). Beide verschenen bij Uitgeverij Lannoo onder haar imprint Academia Press en dienden enkele academiejaren als cursusmateriaal.
Voor elk van die boeken werd op 30 november 2017 een auteurscontract gesloten met Lannoo. Valcke ondertekende die contracten, maar als vakgroepvoorzitter en in naam van de “Universiteit Gent, Vakgroep Onderwijskunde”. De contracten droegen de vermogensrechten over voor een reeks opgesomde exploitatiewijzen, waaronder de Nederlandstalige uitgave in boekvorm en een lijst van specifieke adaptaties zoals een theatertekst, een kinderversie of een luisterboek. Voor alle andere adaptaties kreeg Lannoo geen overdracht, maar een exclusief optierecht van vijf jaar: de auteur moest elke nieuwe adaptatie eerst aan Lannoo aanbieden, en reageerde Lannoo niet binnen drie maanden, dan mocht de auteur ermee naar een andere uitgever.
Eind 2023 en begin 2024 verschenen bij Borgerhoff & Lamberigts, onder het imprint OWL Press, de handboeken “Krachtig voor de klas” en “Leerkracht in actie”. Zij vervingen de oude Academia Press-boeken als cursusmateriaal aan de vakgroep van Valcke. Lannoo zag daarin ongeoorloofde reproducties van haar eigen uitgaven en dagvaardde op 11 maart 2024 zowel de uitgever als de auteur. Zij vorderde de staking van de publicatie, de terugroeping van de boeken en in totaal ruim 189.000 euro schadevergoeding: 63.722,36 euro en 70.724,40 euro voor de inbreuk op de twee werken, 5.000 euro van Valcke wegens contractbreuk en 50.000 euro van Borgerhoff & Lamberigts wegens derde-medeplichtigheid aan die contractbreuk.
Een eerste verzoek om voorlopige maatregelen was al bij tussenvonnis van 17 juni 2024 afgewezen, omdat de vordering op het eerste gezicht onvoldoende kans op slagen leek te hebben. Het vonnis van 28 april 2025 beslecht de zaak ten gronde.
De beslissing
De vordering wegens inbreuk op het auteursrecht
De rechtbank begint niet bij de vraag of er gekopieerd is, maar bij de vraag of Lannoo wel over de ingeroepen rechten beschikt. Lannoo is een rechtspersoon en dus niet zelf de auteur van de handboeken. Zij kan enkel auteursrechten inroepen die haar bij contract zijn overgedragen, en de omvang van die overdracht moet volgens de rechtbank worden gelezen in het licht van artikel XI.167 van het Wetboek van economisch recht (WER), dat voorschrijft dat contractuele bedingen over het auteursrecht en de exploitatiewijzen restrictief worden uitgelegd.
Over de feiten zelf geeft de rechtbank beide partijen gelijk. Met Lannoo stelt zij vast dat “Krachtig voor de klas” heel wat gelijkenissen vertoont met “Krachtige leeromgevingen”, zowel in de structuur van de inhoudstafel als tekstueel: meerdere passages werden volledig identiek of licht gewijzigd overgenomen. Hetzelfde geldt voor “Leerkracht in actie” tegenover “Klasmanagement en reflectie”. Het verweer dat het enkel om onbeschermde ideeën en principes uit de onderwijskunde zou gaan, raakt volgens de rechtbank “kant noch wal”: de concrete uitdrukking van die ideeën in de oude handboeken getuigt van vrije creatieve keuzes en is wel degelijk beschermd. Anders oordelen zou betekenen dat de auteurscontracten geen voorwerp hadden.
Met de verweerders stelt de rechtbank echter ook vast dat de nieuwe boeken verschillen op het vlak van cover, titel, lay-out, formaat, illustraties en inhoud: ganse stukken nieuwe tekst, actualiseringen en talloze QR-codes met bijkomende informatie. De nieuwe handboeken zijn daarom geen slaafse kopie, heruitgave of herdruk, maar een adaptatie van de oude: een vervolgwerk of update. De rechtbank aanvaardt dat zo’n adaptatie noodzakelijk een gedeeltelijke reproductie van het oorspronkelijke werk inhoudt, en dat daarvoor in principe toestemming van de rechthebbende nodig is.
Precies op dat punt loopt de vordering vast. Voor adaptaties die niet in de limitatieve lijst van artikel 2 van de contracten stonden, had Lannoo geen overdracht gekregen maar enkel het exclusieve optierecht van artikel 4, beperkt tot vijf jaar en dus verstreken op 30 november 2022. Vanaf 1 december 2022 stond het de auteurs vrij om de exploitatie van een herwerkte versie aan een andere uitgever toe te vertrouwen. Lannoo kon zich daar volgens de rechtbank niet tegen verzetten met het argument dat zij het reproductierecht “in de meest brede zin” voor de boekuitgave had verkregen: die exploitatiewijze is in het contract zelf onderscheiden van de adaptatie, en moet in strikte zin worden begrepen als de uitgave van de tekstdocumenten zoals ze waren. Anders oordelen zou neerkomen op een eeuwigdurend verzetsrecht tegen elke latere update, wat volgens de rechtbank onmogelijk de bedoeling van de auteurs kan zijn geweest. Ook de lezing van Lannoo dat de opsomming van adaptaties in artikel 2 louter exemplatief was, verwerpt de rechtbank: de tekst spreekt van “de hierna opgesomde” adaptaties, en de afkorting “bv.” die daarop volgt is een slordigheid in een door Lannoo zelf opgestelde tekst, die zij gelet op de wettelijk voorgeschreven restrictieve interpretatie niet in haar eigen voordeel kan aanwenden.
Twee ondergeschikte argumenten sneuvelen eveneens. De eigen inbreng van correctoren en eindredacteurs van Lannoo gaf haar geen oorspronkelijk auteursrecht, want taalkundige correcties en door de auteurs goedgekeurde stijlaanpassingen dragen geen persoonlijke stempel. En de vraag wie de werkelijke titularis van de rechten is, de auteurs persoonlijk of de Universiteit Gent als werkgever, acht de rechtbank irrelevant: wat telt is dat Lannoo het alvast niet is.
De vordering wegens contractbreuk en derde-medeplichtigheid
De vordering tegen Valcke wegens schending van de auteurscontracten strandt op een voorafgaande vaststelling: hij was geen partij bij die contracten. De hoofding en de handtekening vermelden de “Universiteit Gent, Vakgroep Onderwijskunde”, vertegenwoordigd door de vakgroepvoorzitter, en het rekening- en btw-nummer in de contracten zijn die van de universiteit. Dat Lannoo in 2022 zelf een addendum liet ondertekenen door de UGent “als eerste contractant” en door Valcke “als nieuwe begunstigde van de royalties”, bevestigt dat. Omdat overeenkomsten enkel gevolgen hebben tussen de contracterende partijen (het toenmalige artikel 1165 oud Burgerlijk Wetboek), kon Valcke persoonlijk geen contractuele verbintenis hebben geschonden, en kon Borgerhoff & Lamberigts dus ook niet medeplichtig zijn aan een onbestaande contractbreuk.
Ten overvloede voegt de rechtbank eraan toe dat ook een persoonlijk gebonden auteur geen enkele clausule zou hebben geschonden. De garantiebedingen van artikel 8.6 en het verbod op “hergebruik” en op het meewerken aan een verwarringwekkend gelijkend werk in artikel 8.7 kunnen volgens de rechtbank geen afbreuk doen aan de specifieke regeling voor adaptaties in artikel 4. Lannoo kan niet, zoals de rechtbank het formuleert, “van twee walletjes eten”: de adaptaties na vijf jaar vrijgeven en zich langs andere clausules toch een verzetsrecht voorbehouden. Het begrip “Werk” in die clausules slaat daarom enkel op de oorspronkelijke tekstdocumenten, niet op latere adaptaties.
De vordering wegens inbreuk op de eerlijke marktpraktijken
Tegen de uitgever alleen beriep Lannoo zich ten slotte op artikel VI.104 WER, het verbod op elke met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad die de beroepsbelangen van een andere onderneming schaadt. De rechtbank wijst ook die grond af. De nieuwe handboeken zijn geen slaafse kopieën maar adaptaties waarin de uitgever nieuwe inspanningen, kosten en lasten heeft geïnvesteerd, en de exploitatie ervan was na 30 november 2022 contractueel toegelaten. Borgerhoff & Lamberigts heeft enkel gebruikgemaakt van de ruimte die Lannoo’s eigen contracten lieten.
Dat bij online zoekopdrachten naar de oude Academia Press-titels gesponsorde banners voor de nieuwe OWL Press-boeken verschijnen, maakt dat niet anders. Die banners gaan deels uit van boekhandels, en betaalde promotie bij zoekopdrachten naar gelijkaardige en dus concurrerende producten is volgens de rechtbank een volkomen rechtmatige marktpraktijk. Niets belette Lannoo om hetzelfde te doen voor haar eigen boeken.
Juridische analyse en duiding
Waarom “reproductie in de meest brede zin” toch niet alles dekt
Lannoo had op papier een sterke positie: het contract droeg haar voor de boekuitgave het reproductierecht “in de meest brede zin” over, en de nieuwe boeken namen letterlijk passages uit de oude over. Toch verloor zij, omdat de rechtbank de ruime formulering van artikel 2 las naast de specifieke regeling van artikel 4. Dat is een toepassing van de regel in artikel XI.167, § 1, derde lid WER dat auteurscontracten restrictief worden uitgelegd, in het voordeel van de auteur, en van het beginsel dat al wat niet uitdrukkelijk is overgedragen bij de auteur blijft.
De definitie waarmee de hele zaak staat of valt, is die van de adaptatie. Een adaptatie of bewerking is het afgeleide werk dat wezenlijke en originele vormelementen van een bestaand werk overneemt en daar een eigen vormgeving aan toevoegt; het recht om een werk te bewerken maakt deel uit van het reproductierecht dat artikel XI.165 WER aan de auteur voorbehoudt. Zodra een nieuwe uitgave onder die definitie valt, verhuist zij in dit contract van artikel 2 naar artikel 4, en daar had Lannoo na vijf jaar niets meer. De les voor de contractpraktijk is dat een algemene formule zoals “in de meest brede zin” geen vangnet is. Zij wordt uitgelegd tegen de achtergrond van de andere clausules, en een specifieke regeling voor een exploitatiewijze primeert op de algemene. Wie als uitgever ook de tweede, derde en vierde editie wil controleren, moet die herwerkingen bij naam in de overdrachtsclausule zetten, met een vergoeding en een duur, of een optierecht bedingen dat langer loopt dan de levensduur van een handboek.
Dezelfde strikte lezing kleurt ook de beslissing over de opsomming van adaptaties. Het contract sprak van “de hierna opgesomde” adaptaties en liet daar “bv.” op volgen. De rechtbank zag daarin een redactionele slordigheid van de uitgever, die de dubbelzinnigheid niet in haar eigen voordeel mag keren. Dat sluit aan bij de regel dat niet uitdrukkelijk vermelde exploitatiewijzen worden geacht niet te zijn overgedragen. Zoals we eerder analyseerden in onze blog over de vraag of een contract voor auteursrechten bij bestelde werken altijd een prijs en duur moet vermelden, geldt voor bestellingen in de niet-culturele sector een soepeler regime, maar ook daar blijft de restrictieve interpretatie overeind.
Tegenstem: is een boek met letterlijk overgenomen hoofdstukken wel een adaptatie?
Lannoo had een argument dat de rechtbank niet ten volle heeft gewogen. Het vonnis stelt zelf vast dat meerdere stukken tekst “volledig identiek” werden overgenomen. Voor die passages is de nieuwe uitgave geen bewerking maar een gewone reproductie, en het reproductierecht voor de Nederlandstalige boekuitgave was wél aan Lannoo overgedragen. Men kan de vraag dus anders stellen dan de rechtbank deed: niet “is het nieuwe boek als geheel een adaptatie”, maar “mag een derde uitgever ongewijzigde hoofdstukken van een werk waarvan het boekuitgaverecht aan Lannoo toebehoort, in een nieuw boek drukken”. De kwalificatie van het geheel als adaptatie beslecht die vraag niet vanzelf.
De rechtbank beantwoordt dat bezwaar langs contractuele weg. Zij leest de “Nederlandstalige uitgave in boekvorm” als een exploitatiewijze die enkel de tekstdocumenten als dusdanig dekt, en de “adaptatie, inclusief de daartoe noodzakelijke reproductie” als een afzonderlijke exploitatiewijze waarvoor artikel 4 geldt. Die lezing heeft een stevige grondslag in de tekst van het contract, dat beide wijzen inderdaad uit elkaar houdt, en in de wettelijke interpretatieregel. Zij heeft ook een praktisch argument: wie een werk bewerkt, neemt per definitie delen ervan over, en een optierecht op adaptaties zou leeg zijn als elke overgenomen alinea toch onder het uitgaverecht van de oude uitgever viel. Toch is de grens tussen een update met nieuwe delen en een herdruk met enkele nieuwe delen een feitelijke, en de verhouding tussen overgenomen en nieuwe tekst speelt daarin een rol die het vonnis niet becijfert. Juist daar ligt de inzet van het hoger beroep: een hof dat de verhouding tussen oud en nieuw anders weegt, kan het nieuwe boek voor een deel als reproductie van de oude uitgave kwalificeren. De zaak rond de serie Knokke Off, die wij bespraken in onze blog over de vraag of een tv-serie plagiaat is als zij dezelfde setting en thema’s als een boek gebruikt, toont de andere kant van dezelfde lijn: daar waren enkel ideeën overgenomen, hier onbetwist beschermde tekst.
De voorafgaande vraag die de rechtbank laat liggen: wie is eigenlijk titularis?
Het vonnis noemt het “volstrekt irrelevant” of de auteurs persoonlijk dan wel de Universiteit Gent de werkelijke titularis van de rechten is. Voor de uitkomst van dit geschil klopt dat: Lannoo had de rechten hoe dan ook niet. Maar de vraag is niet onbelangrijk, en het vonnis bevat de aanzet tot een probleem dat in een volgend geschil wel beslissend kan zijn. Bij een werk dat werknemers in dienstverband maken, verkrijgt de werkgever de vermogensrechten alleen wanneer dat uitdrukkelijk is bepaald en de creatie binnen het toepassingsgebied van de arbeidsovereenkomst of het statuut valt (artikel XI.167, § 3 WER). De rechtbank neemt aan dat de coauteurs hun rechten aan de UGent hadden overgedragen, zonder dat zo’n overdracht in het dossier wordt vastgesteld.
Dat laat twee scenario’s open. Ofwel is de UGent titularis, en dan was de universiteit, niet Valcke, de partij die na 30 november 2022 vrij over de adaptaties kon beschikken; de uitgave bij OWL Press veronderstelt dan een akkoord van de universiteit. Ofwel zijn de auteurs persoonlijk gebleven titularis, en dan heeft de UGent in 2017 rechten overgedragen die zij niet had, wat de geldigheid van de overdracht aan Lannoo zelf op losse schroeven zet. In beide gevallen gaat de vraag wie de rechten op een academisch handboek houdt, vooraf aan elke vordering, en zij verdient in de contracten een antwoord dat niet uit een hoofding of een btw-nummer moet worden afgeleid.
Wat betekent dit concreet?
Voor uitgevers. Een standaardcontract dat de boekuitgave in brede bewoordingen overdraagt maar adaptaties onder een optierecht van vijf jaar plaatst, geeft de auteur na die termijn de vrijheid om een herwerkte editie elders uit te brengen, ook wanneer die editie hoofdstukken uit het oude boek herneemt. Wie dat niet wil, benoemt de “herwerkte, geactualiseerde of aangevulde editie” uitdrukkelijk als exploitatiewijze in de overdrachtsclausule, met een eigen vergoeding en duur, of koppelt het optierecht aan de commerciële levensduur van het werk. Twijfelt u of uw huidige contracten de volgende editie dekken, dan is die clausulelezing het eerste wat wij voor u nagaan. Let ook op de redactie: een “bv.” na een limitatieve opsomming wordt tegen de opsteller uitgelegd.
Voor auteurs en academici. Lees vóór u met een andere uitgever in zee gaat na wat uw contract over adaptaties zegt en wanneer een eventueel optierecht verstrijkt. Bied, zolang die termijn loopt, de herwerking eerst aan uw oorspronkelijke uitgever aan en bewaar het bewijs daarvan. En let op in wiens naam u tekent: wie als vakgroepvoorzitter of bestuurder ondertekent, bindt zichzelf niet, maar verliest ook de zeggenschap over wie de rechten houdt. Wie zekerheid wil over de reikwijdte van een overdracht of over een geplande nieuwe editie, laat zich best vooraf bijstaan door een advocaat gespecialiseerd in auteursrecht.
Voor concurrerende uitgevers. Een herwerkt handboek van een auteur die eerder elders publiceerde, kunt u uitgeven zodra de contractuele binding met de vorige uitgever is uitgewerkt, maar vraag het oude contract op en lees het zelf. Het vonnis bevestigt bovendien dat gesponsorde zoekadvertenties op de titels van een concurrent geen oneerlijke marktpraktijk zijn.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Mag ik als auteur een nieuwe editie van mijn boek bij een andere uitgever uitgeven?
Dat hangt af van uw auteurscontract. Draagt het contract het recht op herwerkte of geactualiseerde edities uitdrukkelijk aan uw uitgever over, dan niet. Verleent het enkel een optierecht op toekomstige adaptaties, dan mag u na afloop van de optietermijn naar een andere uitgever, mits u tijdens die termijn de nieuwe versie eerst aan uw oorspronkelijke uitgever hebt aangeboden. Bij twijfel over de tekst wordt het contract in uw voordeel uitgelegd.
Wat is een adaptatie of bewerking in het auteursrecht?
Een adaptatie is een afgeleid werk dat wezenlijke en originele vormelementen van een bestaand werk overneemt en daar een eigen vormgeving aan toevoegt, zoals een vertaling, een verfilming of een herwerkte en aangevulde editie van een handboek. Het recht om een werk te bewerken behoort tot het reproductierecht van de auteur. Wie enkel ideeën overneemt, maakt geen adaptatie; wie tekst overneemt zonder iets toe te voegen, maakt een gewone kopie.
Waarom worden auteurscontracten restrictief uitgelegd?
Artikel XI.167 van het Wetboek van economisch recht bepaalt dat contractuele bedingen over het auteursrecht en de exploitatiewijzen restrictief worden uitgelegd. De wetgever beschermt daarmee de auteur, die bij het sluiten van het contract meestal de zwakkere partij is. In de praktijk betekent dit dat onduidelijke of dubbelzinnige clausules in het voordeel van de auteur worden gelezen en dat de verkrijger enkel de rechten krijgt die uitdrukkelijk zijn overgedragen.
Is adverteren op de boektitels van een concurrent een oneerlijke marktpraktijk?
Volgens de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen niet. Gesponsorde banners die verschijnen bij online zoekopdrachten naar het boek van een concurrent zijn een gangbare en rechtmatige vorm van promotie, ook wanneer het gaat om rechtstreeks concurrerende producten. Van een inbreuk op artikel VI.104 van het Wetboek van economisch recht is pas sprake bij een werkelijk oneerlijke daad, zoals een slaafse kopie of misleiding, en niet bij concurrentie op zich.
Conclusie
Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent van 28 april 2025 (24/750/A) leert dat een uitgever die het reproductierecht “in de meest brede zin” heeft verkregen, daarmee naar Belgisch recht nog geen zeggenschap heeft over de volgende editie van het boek. Bepaalt het contract voor adaptaties een afzonderlijke, tijdelijke regeling, dan primeert die regeling, en na het verstrijken ervan kan de auteur zijn herwerkte versie vrij elders uitbrengen. Of die lijn ook standhoudt wanneer grote delen van de tekst ongewijzigd worden overgenomen, zal het hof van beroep nu moeten uitmaken.
ICT Rechtswijzer is het kennisplatform van het departement intellectuele eigendom, IT-recht, AI-recht, gegevensbescherming en mediarecht van Everest Advocaten, onder leiding van mr. Joris Deene. Onze advocaten begeleiden uitgevers en auteurs bij het opstellen en het uitleggen van auteurscontracten, en bij geschillen over herwerkte edities, adaptaties en het hergebruik van bestaande teksten.



