Mag een AI-model zonder licentie worden getraind op beschermde teksten? De Amerikaanse overheid kiest partij

In de Verenigde Staten wel, althans volgens het Amerikaanse ministerie van Justitie: het trainen van een taalmodel op auteursrechtelijk beschermde teksten is volgens de Amerikaanse overheid “fair use” in de zin van artikel 107 van de Copyright Act, omdat het kopiëren dient om taalpatronen te leren en het werk zelf niet aan het publiek wordt geopenbaard. In België en de Europese Unie ligt de vraag anders: daar is training een reproductie die enkel is toegelaten onder de uitzondering voor tekst- en datamining, tenzij de rechthebbende zich machineleesbaar heeft verzet. De aanleiding is een statement of interest dat het ministerie op 1 september 2026 neerlegde bij de federale rechtbank in New York, in de gebundelde procedure van The New York Times en andere uitgevers en auteurs tegen OpenAI (U.S. District Court, Southern District of New York, 25-md-3143, document 316).

In het kort:

  • De Amerikaanse overheid vraagt de rechter op 1 september 2026 uitdrukkelijk om te oordelen dat het trainen van taalmodellen op beschermde teksten geen inbreuk vormt, en verwerpt de theorie van “marktverdunning” uit de beslissing Kadrey tegen Meta van 25 juni 2025 als fundamenteel verkeerd.
  • Het stuk is geen vonnis: de rechter is er niet door gebonden, The New York Times noemde het een keuze voor “een handvol AI-bedrijven van een biljoen dollar”, en rechter Stein vroeg de krant om vóór 11 september 2026 uit te leggen waarom haar zaak niet moet worden opgeschort.
  • Voor een Belgische onderneming verandert er niets aan het kader: artikel XI.190, 20° van het Wetboek van economisch recht laat training toe als tekst- en datamining, maar een machineleesbare opt-out van de rechthebbende schakelt die uitzondering uit, en de AI-verordening verplicht aanbieders om die opt-out te eerbiedigen.

Waarom de Amerikaanse overheid zich mengt in een zaak tussen private partijen

The New York Times diende op 27 december 2023 een klacht in tegen Microsoft en OpenAI (U.S. District Court, Southern District of New York, 1:23-cv-11195). De krant verwijt OpenAI dat het miljoenen artikelen heeft gekopieerd om de GPT-modellen te trainen, en dat ChatGPT stukken van die artikelen kan reproduceren. Sinds april 2025 zijn die zaak en een tiental gelijkaardige procedures van uitgevers, boekenauteurs en onder meer schrijver Ta-Nehisi Coates gebundeld voor rechter Sidney Stein.

Een statement of interest is een procedurestuk waarmee het Amerikaanse ministerie van Justitie de belangen van de Verenigde Staten in een lopende zaak toelicht zonder zelf partij te worden. De wettelijke basis is 28 U.S.C. § 517, die geen termijn oplegt en geen toestemming van de rechter vereist. Het lijkt op een amicus curiae-brief, maar met een verschil: hier spreekt niet een belangengroep of een academicus, maar de federale uitvoerende macht zelf. Het ministerie benadrukt daarbij dat het niet suggereert dat OpenAI met toestemming van of ten voordele van de overheid handelde.

De belangen die het ministerie inroept zijn opvallend breed. Het verwijst naar het presidentieel decreet van 23 januari 2025 over het wegnemen van barrières voor Amerikaans AI-leiderschap, naar een decreet van 2 juni 2026 over AI-innovatie en veiligheid, en naar een beleidskader van het Witte Huis van 20 maart 2026 dat stelt dat het trainen van AI-modellen op beschermd materiaal op zichzelf geen inbreuk op het auteursrecht vormt. De rode draad is nationale veiligheid: regels die de ontwikkeling van een Amerikaanse AI-industrie bemoeilijken, geven volgens het ministerie een voordeel aan buitenlandse tegenstanders die zich door dergelijke regels niet laten hinderen.

Daar komt een mededingingsargument bij. Zou training enkel met een licentie mogen, dan zouden volgens het ministerie alleen de grootste technologiebedrijven de licentiekosten kunnen dragen. Het resultaat zou een oligopolie op AI-training zijn, en de licentievergoedingen zouden vooral ten goede komen aan de oude mediahuizen met de grootste archieven. Het ministerie spreekt over “grote subsidies voor oude mainstream mediabedrijven”. In een voetnoot voegt het eraan toe dat het geen standpunt inneemt over de vraag of een licentiestelsel financieel of logistiek haalbaar zou zijn, en dat uitgevers los daarvan al licenties sluiten voor toegang tot actuele en betaalde content.

Wat de Amerikaanse overheid de rechter voorhoudt

Fair use is de Amerikaanse open uitzondering op het auteursrecht: artikel 107 van de Copyright Act laat de rechter geval per geval afwegen of een gebruik eerlijk is, aan de hand van vier factoren: het doel en de aard van het gebruik, de aard van het beschermde werk, de omvang van het overgenomen deel, en het effect op de markt voor het werk. Het ministerie bouwt zijn betoog rond de eerste en de vierde factor.

De training is volgens het ministerie “spectaculair” transformatief

Voor de eerste factor sluit het ministerie aan bij de beslissing in de zaak Bartz tegen Anthropic (U.S. District Court, Northern District of California 23 juni 2025, 3:24-cv-05417), waarin rechter Alsup het trainen van taalmodellen op boeken “transformative, spectacularly so” noemde. Het model gebruikt de tekst niet om de expressie te herhalen, maar om statistische patronen in taal te leren: woordenschat, zinsbouw, kennis. Het doel van de kopie (een interactief model bouwen) verschilt in soort van het doel van het gekopieerde werk (een lezerspubliek informeren of vermaken).

Het ministerie steunt daarvoor op het arrest Google tegen Oracle (Supreme Court (US) 5 april 2021, 18-956), waarin het Hooggerechtshof het letterlijk kopiëren van 11.500 regels programmeercode als fair use aanvaardde omdat het programmeurs toeliet hun bestaande kennis in een nieuwe omgeving te gebruiken. Als dat transformatief is, zo redeneert het ministerie, dan is het kopiëren van teksten om een model verbanden tussen gegevens te leren herkennen dat ook.

Cruciaal in het betoog is de scheiding tussen training en output. Sinds het arrest Warhol tegen Goldsmith (Supreme Court (US) 18 mei 2023, 21-869) moet de fair use-toets per afzonderlijk gebruik gebeuren. Dat een model in uitzonderlijke gevallen stukken van een artikel kan reproduceren, is volgens het ministerie een vraag over de output, die apart moet worden beoordeeld en niets afdoet aan het transformatieve karakter van de training. Zelfs als sommige outputs inbreuk zouden maken, moet elke sanctie beperkt blijven tot wat nodig is om de eisers volledig te herstellen; een “klein aandeel abnormale reconstructieve outputs” rechtvaardigt geen verbod op training als zodanig.

Marktschade vereist substitutie, en die is er volgens het ministerie niet

Voor de vierde factor grijpt het ministerie naar het arrest Authors Guild tegen Google (U.S. Court of Appeals for the Second Circuit 16 oktober 2015, 804 F.3d 202), het arrest dat het inscannen van miljoenen boeken voor een zoekfunctie als fair use aanvaardde. Marktschade telt daar enkel mee wanneer het gebruik als vervanging van het origineel dient en “significante substituerende concurrentie” oplevert. Training onthult volgens het ministerie niets aan het publiek: zij maakt een kopie om een model te leren, en niet meer. Zelfs outputs die met krantenartikelen concurreren zonder er wezenlijk op te lijken, zijn geen substituut in auteursrechtelijke zin, omdat een genre of onderwerp niet beschermd is.

Het scherpste deel van het stuk richt zich tegen de beslissing in de zaak Kadrey tegen Meta (U.S. District Court, Northern District of California 25 juni 2025, 3:23-cv-03417). Rechter Chhabria gaf Meta daar weliswaar gelijk, maar enkel omdat de auteurs geen bewijs van marktschade hadden voorgelegd. In zijn motivering aanvaardde hij een theorie van “marktverdunning”: een taalmodel dat op boeken is getraind, kan de markt overspoelen met concurrerende boeken en zo de prikkel om te schrijven ondermijnen, ook zonder dat één output op één origineel lijkt. Het ministerie noemt die redenering obiter dictum, zonder debat tot stand gekomen, en “diep gebrekkig”: zij versmelt training en output tot één gebruik en laat het meest basale element van een inbreuk vallen, de wezenlijke gelijkenis tussen de werken.

Het ministerie illustreert dat met een literaire anekdote. Joan Didion typte als tiener de verhalen van Hemingway over om te leren hoe zijn zinnen werkten. Volgens de logica van Kadrey, aldus het stuk, zou zij Hemingway bij elke publicatie iets verschuldigd zijn geweest, omdat haar leerproces en haar later werk één gebruik zouden vormen dat met andere auteurs concurreert. Het rapport van het Amerikaanse Copyright Office van mei 2025 over AI-training, dat een gelijkaardige verdunningstheorie omarmde, verdient volgens het ministerie geen enkel gezag. Het stuk merkt daarbij droog op dat de directrice van dat bureau haar ontslag momenteel voor de rechter aanvecht.

Juridische analyse en duiding

Het stuk is een beleidsdocument in een procesjas, en de rechter weet dat

Wie het statement leest, merkt dat de juridische argumenten pas op pagina zes beginnen. De vijf pagina’s daarvóór gaan over nationale veiligheid, wapensystemen, concurrentie met het buitenland en de belangen van onafhankelijke media. Dat is geen toeval: het ministerie legt de rechter een beleidskeuze voor en verpakt die in bestaande rechtspraak. De reactie van The New York Times was dan ook onmiddellijk en politiek: de regering kiest volgens de krant partij voor een handvol AI-bedrijven ten koste van de makers wier werk is gestolen.

Juridisch verandert het stuk weinig aan de krachtsverhoudingen. Een statement of interest bindt de rechter niet, en rechter Stein heeft de afgelopen twee jaar getoond dat hij zijn eigen tempo bepaalt. De argumenten zijn bovendien niet nieuw: zij komen uit de beslissingen Bartz en Kadrey en uit het arrest Authors Guild, en OpenAI voert ze zelf al aan. Wat wel nieuw is, is dat de federale overheid zich voor het eerst uitspreekt over de kernvraag in de tientallen AI-auteursrechtzaken die in de Verenigde Staten hangen. Dat gewicht is reëel, maar het is het gewicht van een partijstandpunt, niet van een precedent.

Er zit ook een tegenstem in de Amerikaanse rechtspraak zelf die het ministerie onvermeld laat. In februari 2025 verwierp een rechter in Delaware de fair use-verdediging van een AI-ontwikkelaar die juridische samenvattingen van een concurrent had gebruikt, zoals we bespraken in onze blog over de vraag of er geen fair use is voor het trainen van een AI-model. Die zaak ging over een niet-generatief systeem en over een rechtstreekse concurrent, maar zij toont dat de vierde factor wel degelijk tegen een AI-ontwikkelaar kan uitvallen zodra het model een bestaande markt vervangt. Het hof van beroep voor het derde circuit hoorde de zaak op 11 juni 2026 en moet nog beslissen.

De scheiding tussen training en output houdt in Europa minder goed stand

De hele constructie van het ministerie rust op één premisse: training onthult niets, dus training kan geen marktschade veroorzaken. In Europa staat die premisse onder druk, en dat komt door de manier waarop het reproductierecht hier wordt gelezen. Het Landgericht München I oordeelde in de zaak van de Duitse beheersvennootschap GEMA tegen OpenAI (LG München I 11 november 2025, 42 O 14139/24) dat de memorisatie van liedteksten in de parameters van een taalmodel zelf een reproductie is, ook al is die niet als bestand terug te vinden. De uitzondering voor tekst- en datamining dekte volgens de rechtbank wel het aanleggen van de dataset, maar niet de opslag van de werken in het model. Dezelfde rechtbank verbood op 31 juli 2026 de AI-muziekgenerator Suno om bekende hits te memoriseren en te reproduceren, zoals we analyseerden in onze blog over de vraag of een AI-muziekgenerator mag worden getraind op bestaande hits.

Het contrast is scherp. Waar het ministerie zegt dat training “niets aan het publiek onthult”, zegt de Duitse rechter dat een model dat een werk kan teruggeven, dat werk in zich draagt. De Amerikaanse redenering is een redenering over doel en markt; de Europese is een redenering over de technische handeling zelf. Een rechthebbende die in België kan aantonen dat een model zijn werk herkenbaar reproduceert, hoeft dus geen debat over marktverdunning te voeren: hij toont een reproductie en dwingt de ontwikkelaar om een uitzondering in te roepen.

In België is de vraag niet “is dit fair use”, maar “is de opt-out geldig”

Het Belgische en Europese auteursrecht kent geen open fair use-uitzondering. De uitzonderingen staan in een gesloten lijst, en training valt maar onder één ervan. Tekst- en datamining is volgens artikel I.13, 10° van het Wetboek van economisch recht een geautomatiseerde analysetechniek om in digitale tekst en gegevens patronen, trends en verbanden te ontdekken. Artikel XI.190, 20° van het Wetboek van economisch recht (WER) laat de reproductie van rechtmatig toegankelijke werken voor tekst- en datamining toe, op voorwaarde dat de auteur het gebruik niet op passende wijze uitdrukkelijk heeft voorbehouden. Voor content die online beschikbaar is, geldt dat voorbehoud alleen als passend wanneer machinaal leesbare middelen worden gebruikt. Die bepaling zet artikel 4 van de DSM-richtlijn van 17 april 2019 om. Voor onderzoeksorganisaties en erfgoedinstellingen bestaat daarnaast een ruimere uitzondering zonder opt-out in artikel XI.191/1, § 1, 7° WER.

De Europese wetgever heeft die keuze bevestigd in de AI-verordening. Artikel 53, lid 1, c) van de AI-verordening van 13 juni 2024 verplicht aanbieders van AI-modellen voor algemene doeleinden om een beleid te voeren dat het Unierecht inzake auteursrecht naleeft, in het bijzonder om de rechtenvoorbehouden van artikel 4 van de richtlijn op te sporen en te eerbiedigen, en punt d) verplicht hen om een samenvatting van de gebruikte trainingscontent te publiceren. Overweging 106 voegt daaraan toe dat die verplichting geldt voor elke aanbieder die zijn model op de Uniemarkt brengt, ongeacht waar de training plaatsvond. Een Amerikaans model dat in de Verenigde Staten onder fair use is getraind, moet dus in Europa toch kunnen aantonen dat het de Europese opt-outs heeft gerespecteerd.

Het is deze sleutel die het debat in Europa verplaatst. Het Hanseatische Oberlandesgericht bevestigde op 10 december 2025 een vonnis van het Landgericht Hamburg van 27 september 2024 (310 O 227/23) dat het aanleggen van een trainingsdataset door de onderzoeksvereniging LAION als tekst- en datamining aanvaardde, en liet cassatieberoep toe. Wij bespraken die zaak in onze blog over de vraag of AI uw online foto’s zomaar mag gebruiken voor training: een verbod in gewone tekst in algemene voorwaarden volstaat niet, de opt-out moet technisch leesbaar zijn. Meer over de grenzen van de uitzondering leest u in onze blog over de vraag wanneer AI-training in strijd is met de driestappentoets, en het bredere kader staat op onze pagina over artificiële intelligentie en auteursrecht.

De beslissende Europese uitspraak is er nog niet. Het Hof van Justitie behandelt in de zaak C-250/25, Like Company tegen Google, voor het eerst de vraag of het trainen van een chatbot een reproductie is, of de uitzondering voor tekst- en datamining die training dekt, en of outputs die stukken perspublicaties weergeven een mededeling aan het publiek vormen. De Grote kamer hield op 10 maart 2026 een zitting van zes uur; de conclusie van de advocaat-generaal stond gepland op 3 september 2026 en het arrest volgt daarna. De European Copyright Society waarschuwde het Hof in een opinie van maart 2026 voor een overhaast antwoord, omdat de prejudiciële vragen chatbot, taalmodel en zoekmachine door elkaar halen. De uitkomst van die zaak weegt voor een Belgische onderneming zwaarder dan wat de Amerikaanse overheid in New York bepleit.

Het mededingingsargument snijdt in twee richtingen

Het ministerie waarschuwt voor een oligopolie: enkel de rijkste bedrijven kunnen licenties betalen. Dat argument verdient een kanttekening. Anthropic betaalde in 2025 1,5 miljard dollar om een groepsvordering van auteurs te schikken, ongeveer 3.000 dollar per boek voor ongeveer 500.000 werken; de schikking kreeg op 20 juli 2026 definitieve goedkeuring. Die zaak ging niet over de training zelf, die rechter Alsup als fair use had aanvaard, maar over het downloaden van zeven miljoen boeken van piraatsites. Zij toont twee dingen. Ten eerste blijft de herkomst van de trainingsdata een afzonderlijk risico, ook in de Verenigde Staten: fair use dekt het leren, niet de illegale bronbestanden. Ten tweede zijn de bedragen die nu al in licenties en schikkingen omgaan van een omvang die inderdaad enkel de grootste spelers kunnen dragen. Het ministerie heeft dus een punt over de toetredingsdrempel, maar het punt geldt evenzeer voor de rechthebbenden: zonder licentieplicht verschuift de kost van het systeem volledig naar de makers, en het ministerie erkent zelf dat het over de haalbaarheid van een licentiemarkt geen standpunt inneemt.

Wat betekent dit concreet?

Voor uitgevers, auteurs en mediabedrijven in België. Het Amerikaanse standpunt raakt uw rechten niet, maar het herinnert eraan dat een Amerikaanse rechter uw teksten wellicht anders zal behandelen dan een Belgische. Uw bescherming in Europa hangt af van één handeling: een geldig, machineleesbaar rechtenvoorbehoud op alles wat u online zet. Een zin in uw algemene voorwaarden volstaat wellicht niet. Wilt u nagaan of uw huidige opt-out volstaat tegen de grote modelontwikkelaars, dan is de technische en juridische geldigheid van dat voorbehoud het eerste wat wij voor u nagaan. Daarnaast loont het om outputs te documenteren: een model dat uw artikelen herkenbaar teruggeeft, levert in Europa een reproductie op, wat de Duitse rechtspraak intussen tweemaal heeft aanvaard.

Voor Belgische ontwikkelaars van AI-modellen en -toepassingen. Reken niet op fair use, ook niet wanneer u Amerikaanse modellen verder traint of verfijnt met eigen data. De vragen die u moet kunnen beantwoorden zijn Europees: had u rechtmatige toegang tot de werken, hebt u de opt-outs gerespecteerd, hoe lang bewaart u de kopieën, en hebt u de samenvatting van trainingscontent die artikel 53 van de AI-verordening vraagt. De onderzoeksuitzondering van artikel XI.191/1, § 1, 7° WER is ruimer maar staat enkel open voor onderzoeksorganisaties en erfgoedinstellingen, en de Duitse LAION-rechtspraak over wat “onderzoek” is, wordt nog door het Bundesgerichtshof getoetst. Wie beschermde content licentieert, doet er goed aan de licentie uitdrukkelijk te laten zeggen dat zij training en verdere ontwikkeling dekt, en zich bij twijfel te laten bijstaan door een advocaat gespecialiseerd in auteursrecht.

Voor ondernemingen die generatieve AI gebruiken. De aansprakelijkheid voor een inbreukmakende output ligt in de Europese rechtspraak tot nu toe bij de aanbieder van het model, niet bij de gebruiker die een eenvoudige prompt intikte. Dat ontslaat u niet van zorg: wie gegenereerde tekst publiceert die herkenbaar uit een bestaand artikel komt, pleegt zelf een reproductie en een mededeling aan het publiek. Een intern beleid over het gebruik van AI-output en een controle op letterlijke overname blijven nodig. De uitzonderingen op het auteursrecht die u in België wel kunt inroepen, zoals het citaatrecht, staan beschreven op onze pagina over de uitzonderingen op het auteursrecht.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Mag een AI-model getraind worden op auteursrechtelijk beschermde teksten?

In de Verenigde Staten is dat volgens het ministerie van Justitie en twee federale rechters uit 2025 fair use, maar de vraag ligt nog bij de rechter in New York en in hoger beroep elders. In België is training een reproductie die enkel is toegelaten als tekst- en datamining onder artikel XI.190, 20° WER: de werken moeten rechtmatig toegankelijk zijn en de rechthebbende mag zich niet machineleesbaar hebben verzet. Heeft hij dat wel gedaan, dan is een licentie nodig.

Wat is een statement of interest en is de rechter erdoor gebonden?

Een statement of interest is een stuk waarmee het Amerikaanse ministerie van Justitie op grond van 28 U.S.C. § 517 de belangen van de Verenigde Staten in een lopende zaak toelicht, zonder partij te worden en zonder toestemming van de rechter. Het is vergelijkbaar met een amicus curiae-brief. De rechter is er niet door gebonden: hij weegt het als een gemotiveerd standpunt, naast de argumenten van de partijen. In de zaak tegen OpenAI beslist rechter Sidney Stein zelfstandig over de fair use-vraag.

Hoe bescherm ik mijn website of publicaties tegen AI-training?

Door een rechtenvoorbehoud dat machineleesbaar is, zoals artikel XI.190, 20° WER vereist voor online content. In de praktijk gaat het om technische signalen die AI-crawlers kunnen lezen, gecombineerd met een uitdrukkelijk voorbehoud in de juridische mededelingen van uw site. Een verbod in gewone tekst alleen volstaat niet, zo oordeelden de Duitse rechters in de zaak LAION. Aanbieders van modellen voor algemene doeleinden zijn onder artikel 53 van de AI-verordening verplicht dat voorbehoud te eerbiedigen, ook wanneer zij buiten Europa trainen.

Geldt fair use ook in België?

Nee. Het Belgische en Europese auteursrecht werkt met een gesloten lijst van uitzonderingen, waarvan tekst- en datamining er één is. Een rechter kan geen nieuwe uitzondering scheppen omdat een gebruik hem maatschappelijk nuttig lijkt, wat de Amerikaanse rechter onder artikel 107 van de Copyright Act wel mag. Argumenten over nationale veiligheid of innovatie, zoals de Amerikaanse overheid ze aanvoert, spelen in een Belgische inbreukprocedure dan ook geen rol; enkel de voorwaarden van de wettelijke uitzondering tellen.

Conclusie

Het statement of interest van 1 september 2026 is de eerste keer dat de Amerikaanse federale overheid zich uitspreekt over de auteursrechtelijke status van AI-training, en zij doet dat zonder voorbehoud: training is fair use, en de theorie van marktverdunning uit de beslissing Kadrey deugt niet. De rechter in New York is daar niet door gebonden, en het stuk verandert niets aan het Belgische recht. Hier is training een reproductie die valt onder de uitzondering voor tekst- en datamining van artikel XI.190, 20° WER, met de machineleesbare opt-out als scharnier en de AI-verordening als handhavingsinstrument, en met het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Like Company als het echte keerpunt dat nog moet komen.


ICT Rechtswijzer is het kennisplatform van het departement intellectuele eigendom, IT-recht, AI-recht, gegevensbescherming en mediarecht van Everest Advocaten, onder leiding van mr. Joris Deene. Onze advocaten begeleiden uitgevers en auteurs bij het opzetten van een geldig rechtenvoorbehoud tegen AI-training en het documenteren van inbreukmakende outputs, en staan AI-ontwikkelaars bij in de naleving van de uitzondering voor tekst- en datamining en de verplichtingen van de AI-verordening.

Joris Deene

Mr. Joris Deene is advocaat-partner bij Everest Advocaten en leidt het departement intellectuele eigendom, IT-recht, AI-recht, gegevensbescherming en mediarecht. ICT Rechtswijzer is het kennisplatform van dat departement. Joris publiceert en doceert over auteursrecht, merkenrecht, softwarerecht, de AVG, de AI-Act, de DSA en het mediarecht.

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics