Moeten internationale streamingdiensten meebetalen aan lokale producties?

Internationale streamingdiensten zoals Netflix en Disney+ kunnen door Belgische overheden wettelijk verplicht worden om financieel bij te dragen aan de lokale audiovisuele sector. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest van 26 maart 2026 dat de kern van deze investeringsplicht en een progressief tarief tot 9,5% op de omzet legitiem en proportioneel zijn. Hoewel het principe overeind blijft, worden enkele specifieke toepassingsmodaliteiten (zoals de regels rond dubbele heffingen) wel nog ter toetsing voorgelegd aan het Europees Hof van Justitie.

De feiten en de juridische context

De Franse Gemeenschap nam op 7 december 2023 een decreet aan dat de regels rond de bijdrage aan de audiovisuele productie aanzienlijk verstrengde. Dit decreet verplicht uitgevers van lineaire en niet-lineaire televisiediensten (zoals streamingplatformen) om financieel bij te dragen aan de lokale audiovisuele creatie.

Deze bijdrage kan twee vormen aannemen:

Bovendien voerde de wetgever een progressief tarief in op basis van de omzet, dat voor de grootste spelers (met een omzet vanaf 150 miljoen euro) oploopt tot 9,50%.

Netflix (bijgetreden door Disney) trok naar het Grondwettelijk Hof om de vernietiging van dit decreet te eisen. Zij voerden aan dat de regeling in strijd was met diverse Europese richtlijnen, het vrij verkeer van diensten beperkte en een disproportionele inbreuk vormde op de vrijheid van ondernemen en de vrijheid van meningsuiting.

Deze zaak heeft overigens een grote draagwijdte voor heel België. Ook de Vlaamse Gemeenschap voerde recent een gelijkaardige, uitgebreide stimuleringsregeling in, die momenteel door grote techbedrijven zoals Google, Meta en TikTok wordt aangevochten bij datzelfde Grondwettelijk Hof.

De beslissing van het Grondwettelijk Hof

In haar arrest van 26 maart 2026 heeft het Grondwettelijk Hof de belangrijkste bezwaren van de streamingplatformen verworpen, al spreekt het zich nog niet definitief uit over het hele decreet.

  • Het principe is wettig: Het Hof oordeelt dat de investeringsplicht niet in strijd is met het Europese recht. De Europese AVMD-richtlijn (2010/13/EU) laat lidstaten uitdrukkelijk toe om financiële bijdragen te eisen van mediadiensten die zich op hun publiek richten, zelfs als deze bedrijven in een andere lidstaat zijn gevestigd.
  • Het tarief van 9,5% is proportioneel: Hoewel Netflix aanvoerde dat het toptarief van 9,5% buitenproportioneel en protectionistich was, oordeelt het Hof van niet. Omdat het systeem progressief is en rekening houdt met de financiële draagkracht van de ondernemingen, is het een redelijke maatregel om de culturele en taalkundige diversiteit te bevorderen. Bovendien wordt het tarief stapsgewijs ingevoerd tot 2027.
  • Geen illegale staatssteun: Het Hof verwerpt het argument dat deze regeling ongeoorloofde staatssteun zou zijn. De maatregel wordt niet met staatsmiddelen bekostigd, aangezien het gaat om verplichte investeringen met eigen middelen van private ondernemingen zonder controle van de overheid.
  • Prejudiciële vragen: Het Hof heeft het eindarrest evenwel uitgesteld om eerst vijf prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie (HvJ). Deze vragen gaan over technische, maar belangrijke toepassingsmodaliteiten. Zo wil het Hof weten of het weigeren van investeringen in reeds bestaande Europese producties proportioneel is en of België verplicht is om rekening te houden met bijdragen die Netflix mogelijk al in andere lidstaten heeft betaald, om zo dubbele heffingen te vermijden.

Juridische analyse en duiding

Dit arrest is een schoolvoorbeeld van de delicate evenwichtsoefening tussen de fundamentele economische vrijheden van de Europese interne markt enerzijds, en de bescherming van culturele identiteit anderzijds.

Netflix beriep zich sterk op de E-commercerichtlijn (2000/31/EG) en het daarin vervatte land-van-oorsprongbeginsel. Het Grondwettelijk Hof bevestigt echter, in lijn met recente Europese rechtspraak, de lex specialis-natuur van artikel 13, lid 2 van de AVMD-richtlijn. Deze bepaling creëert een expliciete uitzondering: lidstaten mogen extraterritoriale heffingen opleggen ter bevordering van “Europese producties”.

Zeer interessant is de toepassing van de zogenaamde Uteca-rechtspraak van het Europese Hof van Justitie. Het Grondwettelijk Hof volgt de redenering dat belemmeringen op het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging te verantwoorden zijn door dwingende redenen van algemeen belang, met name het behoud van de meertaligheid en de nationale cultuur. Dat een quotum van 35% voor investeringen in “Franstalige Belgische audiovisuele werken” de facto vooral lokale producenten ten goede komt, beschouwt het Hof als inherent aan het legitieme doel, en dus niet als een disproportionele discriminatie.

Toch toont het Hof zich behoedzaam op het vlak van het cumulatieverbod. Door prejudiciële vragen te stellen over artikel 13, lid 3 van de AVMD-richtlijn, dwingt het Grondwettelijk Hof het HvJ om zich uit te spreken over het risico op dubbele belasting voor internationale platformen. Als het HvJ oordeelt dat lidstaten verplicht heffingen uit het land van vestiging moeten aftrekken van de lokale heffing, kan dit het uiteindelijke financiële rendement van het Waalse (en bij uitbreiding het Vlaamse) decreet substantieel beïnvloeden.

Wat dit concreet betekent

De impact van deze (voorlopige) beslissing rimpelt door de hele mediasector:

  • Voor internationale streaming- en videoplatformen: Het basisprincipe staat als een huis. Buitenlandse platformen die geld verdienen aan de Belgische consument, zullen moeten meebetalen aan het lokale ecosysteem. Het argument dat dergelijke heffingen per definitie strijdig zijn met de vrijheid van ondernemen of staatssteun uitmaken, is van de baan. Uitzicht op verlichting is er enkel nog via het Europees Hof van Justitie inzake het vermijden van dubbele heffingen.
  • Voor lokale producenten, regisseurs en auteurs: Dit arrest is een enorme opsteker. Het waarborgt structurele en substantiële private investeringen in de lokale creatieve sector, wat de afhankelijkheid van overheidssubsidies vermindert.
  • Voor de Vlaamse stimuleringsregeling: Hoewel dit arrest formeel enkel over het decreet van de Franse Gemeenschap gaat, is de precedentwaarde aanzienlijk. De Vlaamse uitbreiding van de investeringsplicht naar platformen zoals YouTube en TikTok leunt op exact dezelfde Europese rechtsgronden. Dat het Grondwettelijk Hof het principe, de hoge tarieven en het gebrek aan staatssteun in deze Franstalige zaak valideert, is een sterke indicatie dat de Vlaamse regeling de lopende procedure mogelijk grotendeels zal overleven.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Mogen Belgische overheden buitenlandse streamingdiensten verplichten te investeren in lokale films?
Ja. Het Grondwettelijk Hof heeft bevestigd dat de Europese richtlijn voor audiovisuele mediadiensten (AVMD) lidstaten toestaat om financiële bijdragen te eisen van platformen die zich op hun grondgebied richten, zelfs als deze platformen in een ander land gevestigd zijn. Dit dient om de culturele en taalkundige diversiteit te beschermen.

Is een verplichte bijdrage van 9,5% van de omzet niet onwettig hoog?
Volgens het Grondwettelijk Hof is dit niet disproportioneel. Omdat de regeling met schijven werkt, geldt dit toptarief uitsluitend voor de omzet vanaf 150 miljoen euro. Bovendien krijgen de platformen de keuze in welke producties ze investeren, waardoor ze commerciële inkomsten uit die werken kunnen halen.

Is deze uitspraak over de investeringsplicht definitief?
Het juridische kernprincipe is goedgekeurd, maar het eindarrest laat nog op zich wachten. Het Grondwettelijk Hof heeft eerst enkele zeer specifieke, technische vragen gesteld aan het Europees Hof van Justitie, onder meer over het risico dat platformen dubbel moeten betalen in verschillende Europese landen.

Conclusie

De strijd tussen grote internationale tech- en mediabedrijven en de bescherming van de lokale culturele eigenheid is definitief losgebarsten in de rechtbank. Het Grondwettelijk Hof toont met dit arrest aan dat de verplichting tot lokaal investeren juridisch robuust is verankerd in België, mits de wetgever de proportionaliteit bewaakt. De definitieve uitwerking hangt nu af van Europa.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics