Wie zich door een krantenartikel in zijn eer aangetast voelt, kan naar Belgisch recht in de regel alleen de journalist aanspreken, niet de uitgever. Artikel 25 van de Grondwet bepaalt dat de uitgever niet kan worden vervolgd wanneer de schrijver bekend is en in België woont, en het Hof van Cassatie past die regel ook toe op de burgerlijke aansprakelijkheid. Dat ondervond een Brusselse advocaat die krant Le Soir en een van haar journalisten dagvaardde na vier artikelen over de pogingen van prins Laurent om een schuldvordering op Libië te innen. De Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel stelde op 20 november 2025 wel een journalistieke fout vast, maar kende geen schadevergoeding toe omdat de krant de fout zelf snel had rechtgezet.
In het kort:
- De rechtbank verklaarde de vordering tot schadevergoeding tegen uitgever Rossel & Cie onontvankelijk voor de drie door een journalist ondertekende artikelen, op grond van artikel 25, tweede lid, van de Grondwet; alleen het niet-ondertekende artikel bleef voor de uitgever over.
- De rechtbank oordeelde dat de artikelen van 15 januari en 6 februari 2020 samen een fout opleverden, maar dat twee interviews met de eiser op 18 en 19 februari 2020 die fout hadden hersteld, zodat bijna zes jaar later geen bijkomende vergoeding meer verschuldigd was.
- De rechtbank weigerde de vier artikelen uit het online archief van Le Soir te laten verwijderen en weigerde ook de publicatie van het vonnis.
De feiten
Het geschil draait rond de vzw Global Sustainable Development Trust, de inmiddels in vereffening verkerende vereniging van prins Laurent die in Libië bomen plantte. Toen de Libische overheid die activiteiten stopzette, kreeg de vzw in België een veroordeling van Libië tot schadevergoeding, maar het geld werd nooit betaald. Sindsdien proberen verschillende personen, onder wie de prins zelf, de som alsnog te innen, onder meer uit Libische tegoeden die in uitvoering van VN-beslissingen bevroren zijn.
In die context publiceerde Le Soir begin 2020 vier artikelen. Het eerste, van 15 januari 2020, berichtte over de “bedreigingen en pogingen tot omkoping” waarover de prins zich beklaagde, zonder iemand te noemen. Op 6 februari 2020 volgde een artikel met als titel “Jean-Jacques C., de man achter de laatste ‘poging tot omkoping’ die prins Laurent aan de kaak stelt”. Daarin werd de eiser, een Brusselse advocaat en zakenman, “zonder enige twijfel mogelijk” aangewezen als de persoon die de prins bedoelde, met verwijzing naar een bericht dat hij de prins op 5 januari had gestuurd.
Diezelfde dag verscheen nog een derde artikel van dezelfde journalist, over een onderzoek van de stafhouder van Brussel naar de erelonen die de eiser zou hebben gehoopt te ontvangen als hij de vordering van de vzw had kunnen innen. Een dag eerder, op 5 februari 2020, had de redactie zelf een niet-ondertekend stuk gepubliceerd onder de titel “Libische netwerken: de zakenman onder gerechtelijk onderzoek in Frankrijk”, met verwijzingen naar de Panama Papers, offshorevennootschappen en een Franse klacht wegens chantage en bedreigingen.
De eiser vroeg de uitgever de vier artikelen van de website te halen. Toen de ingebrekestelling van zijn raadsman zonder gevolg bleef, dagvaardde hij in 2021 zowel de journalist als de uitgever Rossel & Cie voor de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Hij vorderde schadevergoeding, de verwijdering van de artikelen van de website en de publicatie van het vonnis.
De beslissing
De exceptie van onontvankelijkheid op grond van de getrapte aansprakelijkheid
De getrapte of trapsgewijze aansprakelijkheid is de regel uit artikel 25, tweede lid, van de Grondwet dat de uitgever, de drukker en de verspreider niet kunnen worden vervolgd wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft. De regel beschermt de tussenpersonen van de pers tegen druk: wie de journalist kent, moet zich tot de journalist richten.
Rossel & Cie beriep zich op die regel. De rechtbank volgde haar grotendeels. Volgens de rechtbank kan wie meent het slachtoffer te zijn van een persmisdrijf, de uitgever op burgerlijk vlak alleen aanspreken wanneer de journalist onbekend is of niet in België woont. Drie van de vier artikelen droegen de naam van de journalist, die bovendien in België woont. Voor die drie artikelen was de vordering tot schadevergoeding tegen de uitgever dus onontvankelijk. Alleen het niet-ondertekende artikel van 5 februari 2020 bleef voor de uitgever over.
De rechtbank maakte wel een onderscheid naar het voorwerp van de vordering. De vragen om de artikelen van de website te verwijderen en om het vonnis te publiceren, bleven volgens de rechtbank wel ontvankelijk tegen de uitgever, omdat Rossel & Cie als enige beslist over de inhoud van haar website. Over de journalist merkte de rechtbank op dat die wellicht geen hoedanigheid had om zich tegen zo’n vordering te verdedigen, maar dat hij daar zelf niets over had opgeworpen, zodat de rechtbank dat niet in zijn plaats kon doen.
De vordering tot schadevergoeding wegens journalistieke fout
Voor de artikelen van de journalist las de rechtbank de teksten na elkaar. Het eerste artikel noemde niemand. Pas wie het tweede artikel erbij las, waarin de eiser werd aangewezen als de laatste die van de situatie had willen profiteren, begreep de draagwijdte van de beschuldigingen in het eerste. Het derde artikel gaf vrij vage informatie over de rol van de stafhouder, nadat het had onderstreept dat de eiser het voorwerp was van een onderzoek over de vier miljoen euro die hij als ereloon zou hebben gehoopt.
De rechtbank oordeelde dat de artikelen de eiser niet rechtstreeks beschuldigden, maar dat zij de lezer zelf het verband lieten leggen. Die techniek, met toespelingen op de Panama Papers en offshorevennootschappen, laat de meeste mensen ingewikkelde fiscale constructies vermoeden, terwijl niet elke fiscale constructie onwettig is. De rechtbank wees er ook op dat het bericht waarop de krant steunde, een WhatsApp-bericht van de eiser aan de prins, enkel diens eigen weergave van een telefoongesprek bevatte. Dat de prins daarin een intimidatiepoging had gezien, was mogelijk, maar het bericht volstond niet om dat vast te stellen. Voor de lezer van Le Soir, die enkel uittreksels te zien kreeg, lag de conclusie dat de eiser een lid van de koninklijke familie had bedreigd nochtans voor de hand.
De rechtbank formuleerde het beginsel scherp: de persvrijheid is en moet groot zijn, maar zij laat niet toe het beeld van een man te bezoedelen zonder dat de fouten die hem worden verweten, worden aangetoond. Er was volgens de rechtbank dus een fout.
Die fout was volgens de rechtbank echter snel hersteld. Op 18 en 19 februari 2020 publiceerde Le Soir twee interviews met de eiser, waarin hij op de beschuldigingen kon antwoorden en waarin de krant ook zijn verdiensten vermeldde, waaronder zijn Franse onderscheidingen. De rechtbank zag daarin een soort informeel recht van antwoord: de lezer kon de mening van de klager, de prins, vergelijken met die van de beschuldigde, die als laatste het woord kreeg omdat de prins niet werd uitgenodigd om te repliceren. Zo kon iedereen zich een vollediger en wellicht objectiever oordeel vormen. Bijna zes jaar later was er volgens de rechtbank geen reden meer om een bijkomende schadevergoeding op te leggen.
Voor het niet-ondertekende artikel van de redactie kwam de rechtbank tot hetzelfde resultaat. De redactie had een fout gemaakt door op basis van een artikel in Le Point te melden dat in Frankrijk een klacht tegen de eiser was ingediend, terwijl een reactie op Twitter nadien verduidelijkte dat de zaak de eiser niet betrof en dat hij de klacht juist zelf had uitgelokt. Ook hier had de eiser zich enkele dagen later in de interviews kunnen verdedigen, zodat geen bijkomende vergoeding verschuldigd was.
De vorderingen tot verwijdering uit het archief en tot publicatie van het vonnis
De rechtbank weigerde de verwijdering van de artikelen van de website van Le Soir. De artikelen maken deel uit van een privaat archief waartoe het publiek al dan niet beperkt toegang heeft, naargelang een abonnement nodig is. Wie ver genoeg zoekt, krijgt zo hetzelfde overzicht als de lezer die in februari 2020 de berichtgeving dag na dag volgde, interviews inbegrepen.
De publicatie van het vonnis wees de rechtbank eveneens af. Zij vond die moeilijk te verantwoorden in een proces dat verloren is voor wie het heeft ingeleid, en zij vreesde dat zo’n publicatie moeilijkheden zou oprakelen waaraan de meeste lezers niet meer denken. De bevroren tegoeden bij Euroclear waarover vandaag wordt gesproken, zijn Russisch en niet meer Libisch, merkte de rechtbank op.
Juridische analyse en duiding
Waarom de uitgever buiten schot bleef voor drie artikelen, maar niet voor zijn website
De eiser dagvaardde journalist en uitgever samen, en liep daarmee tegen een regel aan die ouder is dan de Belgische staat zelf. Het Hof van Cassatie oordeelde al in zijn arrest van 31 mei 1996 (Cass. 31 mei 1996, C.95.0377.F) dat artikel 25, tweede lid, van de Grondwet de uitgever, de drukker en de verspreider toelaat aan elke aansprakelijkheid te ontsnappen, zowel de strafrechtelijke als de burgerlijke, wanneer de schrijver bekend is en in België woont. De regel beperkt in die mate de toepassing van het gemeen aansprakelijkheidsrecht, destijds artikel 1382 van het oud Burgerlijk Wetboek, dat op de feiten van 2020 nog van toepassing was. Het Hof herhaalde dat in zijn arrest van 29 juni 2000 (Cass. 29 juni 2000, C.98.0530.F). Dat de artikelen online verschenen, verandert daar niets aan: sinds het arrest van 6 maart 2012 (Cass. 6 maart 2012, P.11.1374.N) geldt digitale verspreiding als een procedé dat met de drukpers gelijkstaat.
De tegenstem ligt in datzelfde arrest van 29 juni 2000. Het Hof van Cassatie voegde er toen aan toe dat de uitgever die zelf ruchtbaarheid geeft aan de verspreiding van stukken, en daardoor de schade verergert die de schrijver heeft veroorzaakt, een eigen fout begaat die losstaat van die van de schrijver. De getrapte aansprakelijkheid dekt dus de loutere verspreiding van het stuk van een bekende journalist, niet elk eigen optreden van de uitgever. De loutere verspreiding van een artikel is op zich dus geen afzonderlijke fout, maar de uitgever blijft aansprakelijk voor zijn persoonlijke fout wanneer hij een reële verantwoordelijkheid draagt.
De eiser had dus kunnen aanvoeren dat de keuze om de artikelen jarenlang online te houden, ook nadat hij om verwijdering had gevraagd, een eigen daad van de uitgever was. De rechtbank aanvaardde die redenering voor de vordering tot verwijdering, omdat Rossel & Cie alleen over haar website beslist, maar niet voor de schadevergoeding. Dat onderscheid is verdedigbaar: het online houden van een archief is een beslissing van de uitgever, de inhoud van het artikel blijft die van de journalist. Wie de uitgever toch voor schadevergoeding wil aanspreken, zal een eigen fout moeten aanwijzen die verder gaat dan de verspreiding zelf, zoals een redactionele presentatie die de aantijging aandikt.
Kan een krant een fout ongedaan maken met een interview?
De eiser kreeg gelijk op het punt dat telt: er was een fout. Toch kreeg hij geen euro. De rechtbank oordeelde dat de twee interviews van 18 en 19 februari 2020 een soort informeel recht van antwoord vormden dat de schade had hersteld. Het recht van antwoord is naar Belgisch recht een wettelijk geregeld recht: artikel 1 van de wet van 23 juni 1961 betreffende het recht tot antwoord geeft wie in een periodiek geschrift bij naam is genoemd of impliciet aangewezen, het recht om binnen drie maanden de kosteloze opname van een antwoord te vorderen. De eiser had dat recht niet uitgeoefend; de krant had hem uit eigen beweging het woord gegeven.
De tegenstem is hier het gemeen aansprakelijkheidsrecht zelf. Wie een fout begaat die schade veroorzaakt, moet die schade vergoeden. Een interview waarin het slachtoffer zich mag verdedigen, is geen schadevergoeding; het is een nieuwe publicatie waarin de beschuldiging opnieuw aan bod komt, al is het met weerwoord. De lezer die enkel de artikelen van 6 februari las, heeft de interviews van 18 en 19 februari misschien nooit gezien. De rechtbank zegt ook niet dat de schade nul was, maar dat er na bijna zes jaar geen reden meer was voor een “aanvullende” vergoeding, alsof de interviews al een vergoeding in natura waren.
Die redenering houdt wel stand op een ander niveau. De rechtbank beoordeelde de berichtgeving als geheel en niet artikel per artikel, en zij woog mee dat de eiser als laatste het woord kreeg. Dat sluit aan bij de manier waarop het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de evenwichtigheid van een berichtgeving toetst: de hele reeks telt, inclusief de ruimte die aan de betrokkene wordt gegeven. Wie een vergoeding wil, doet er dus goed aan niet te wachten: de eiser dagvaardde pas in 2021 en kreeg zijn vonnis in 2025. Hoe langer een eiser wacht, hoe makkelijker een rechter kan oordelen dat de tijd en het weerwoord het werk al hebben gedaan.
Waarom het online archief blijft staan, ook na een vastgestelde fout
De eiser wilde vooral dat de vier artikelen van de website verdwenen. Dat is de vordering die voor een advocaat met een reputatie het meest telt, want een archiefartikel blijft via zoekmachines vindbaar. De rechtbank weigerde, en die weigering past in de lijn van het arrest Hurbain tegen België (EHRM (Grote Kamer) 4 juli 2023, 57292/16). Daarin aanvaardde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de persarchieven onder de bescherming van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens vallen, en dat een ingreep in het archief enkel in uitzonderlijke omstandigheden kan, na een afweging van onder meer de aard van de informatie, het tijdsverloop en de actuele belangstelling.
Het arrest Hurbain laat die ingreep wel toe in de vorm van anonimisering, en dat is een tegenstem die de rechtbank niet behandelt. De eiser vorderde de verwijdering van de artikelen, niet de anonimisering van zijn naam in het archief. In het arrest Hurbain ging het bovendien om een artikel over een verkeersongeval van twintig jaar eerder, zonder enig publiek belang meer; hier ging het om artikelen van vijf jaar oud over de inning van een schuldvordering van een lid van de koninklijke familie, een onderwerp dat volgens de rechtbank zelf nog in de actualiteit zit. De rechtbank koos voor een eigen argument: wie het archief doorzoekt, vindt ook de interviews en krijgt dus het volledige beeld. Dat argument veronderstelt dat de lezer verder zoekt dan het eerste artikel, en dat is precies wat de rechtbank eerder in het vonnis betwijfelde toen zij de fout vaststelde.
De weigering om het vonnis te publiceren, sluit daarbij aan. Een rechter kan de publicatie van zijn vonnis bevelen als vorm van herstel in natura, maar de rechtbank vond dat hier moeilijk te verantwoorden voor wie het proces verliest. Zoals we eerder analyseerden in onze blog over de vraag of een nieuwsmedium een oud artikel moet aanpassen na een vrijspraak, bestaat er naar Belgisch recht geen algemene verplichting voor een krant om haar archief te actualiseren. Dit vonnis bevestigt dat een vastgestelde fout daar op zichzelf niets aan verandert.
Wat betekent dit concreet?
Voor wie zich door een krantenartikel aangetast voelt. Kijk eerst wie het artikel heeft ondertekend. Draagt het de naam van een journalist die in België woont, dan is de vordering tot schadevergoeding tegen de uitgever onontvankelijk; richt die vordering tot de journalist zelf. De uitgever blijft wel de juiste tegenpartij voor wat met de website gebeurt: verwijdering, anonimisering of aanpassing van het archief. Overweeg ook het wettelijke recht van antwoord binnen de termijn van drie maanden; wie dat laat liggen en jaren later dagvaardt, riskeert te horen dat de krant de zaak intussen zelf heeft rechtgezet. Twijfelt u of u de journalist, de uitgever of beiden moet dagvaarden en welke vordering kans maakt, dan is die procesrechtelijke keuze het eerste wat wij voor u nagaan.
Voor journalisten en uitgevers. Het vonnis bevestigt dat de getrapte aansprakelijkheid ook in burgerlijke zaken geldt en ook voor online publicaties, en dat de uitgever enkel voor niet-ondertekende stukken rechtstreeks aansprakelijk is. Het vonnis toont ook de waarde van een snel en volwaardig weerwoord: twee interviews binnen de twee weken volstonden om een schadevergoeding af te wenden. Dat weerwoord werkt alleen als het de betrokkene echt aan het woord laat en als laatste. Let wel op de keerzijde: een reeks artikelen wordt als geheel beoordeeld, en toespelingen die de lezer zelf laten invullen, worden als beschuldiging gelezen.
Voor wie in een gerechtelijk onderzoek of een zakelijk geschil wordt genoemd. Een krant mag over een klacht of een onderzoek berichten, maar moet de feiten juist weergeven. De redactie van Le Soir ging hier in de fout door een Franse klacht aan de eiser toe te schrijven terwijl hij die zelf had uitgelokt. Zo’n feitelijke onjuistheid is een fout, ook als de bron een andere krant is. Wie zo’n onjuistheid vaststelt, kan ze het best meteen en schriftelijk laten rechtzetten, want die rechtzetting weegt in een later proces zwaarder dan een schadevergoeding jaren later. Wie een dagvaarding overweegt, leest best ook onze eerdere analyse over de SLAPP-sanctie voor wie een journalist lichtvaardig dagvaardt en over de procedurekeuze bij laster en eerroof.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Wie is aansprakelijk voor een krantenartikel dat mijn reputatie schaadt?
In de regel de journalist, niet de krant. Artikel 25, tweede lid, van de Grondwet bepaalt dat de uitgever, de drukker en de verspreider niet kunnen worden vervolgd wanneer de schrijver bekend is en in België woont, en het Hof van Cassatie past die regel ook toe op de burgerlijke aansprakelijkheid. Enkel bij een niet-ondertekend artikel of een journalist in het buitenland kan u de uitgever rechtstreeks voor schadevergoeding aanspreken.
Kan ik een krant verplichten een artikel over mij van haar website te verwijderen?
Zelden. Persarchieven vallen onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting, en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanvaardt een ingreep enkel in uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld door anonimisering van een oud artikel zonder actueel belang. De Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel weigerde in november 2025 de verwijdering van artikelen van vijf jaar oud, zelfs nadat zij een fout van de journalist had vastgesteld.
Moet ik eerst een recht van antwoord vragen voor ik een krant dagvaard?
Het is geen wettelijke voorwaarde, maar het is verstandig. De wet van 23 juni 1961 geeft wie in een periodiek geschrift bij naam is genoemd of impliciet aangewezen, drie maanden om de kosteloze opname van een antwoord te vorderen. Wie dat recht niet gebruikt en pas later dagvaardt, riskeert dat de rechter oordeelt dat de krant de fout intussen zelf heeft rechtgezet, zoals in de zaak tegen Le Soir met twee interviews binnen de twee weken.
Is een krant ook aansprakelijk als het artikel enkel online verscheen?
Ja, op dezelfde manier als bij een gedrukt artikel. Sinds het arrest van het Hof van Cassatie van 6 maart 2012 geldt digitale verspreiding als een procedé dat met de drukpers gelijkstaat, zodat de regels over de persvrijheid en de getrapte aansprakelijkheid ook voor nieuwssites gelden. Voor de inhoud van een ondertekend online artikel blijft dus de journalist aansprakelijk; voor het beheer van de website en het archief is de uitgever de juiste tegenpartij.
Conclusie
Wie in België een krant wil aanspreken voor een lasterlijk artikel, botst op de getrapte aansprakelijkheid van artikel 25 van de Grondwet: is de journalist bekend en woont hij in België, dan is hij de enige die voor schadevergoeding kan worden aangesproken, ook voor een online artikel. De uitgever blijft wel de tegenpartij voor wat met zijn website en zijn archief gebeurt. De Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel stelde in haar vonnis van 20 november 2025 een journalistieke fout vast, maar oordeelde dat twee interviews met de betrokkene die fout hadden hersteld, en weigerde zowel de verwijdering uit het archief als de publicatie van het vonnis. Wie zijn reputatie wil beschermen, handelt dus snel: het recht van antwoord binnen de drie maanden en een gerichte vordering tegen de juiste partij wegen zwaarder dan een proces jaren later.
ICT Rechtswijzer is het kennisplatform van het departement intellectuele eigendom, IT-recht, AI-recht, gegevensbescherming en mediarecht van Everest Advocaten, onder leiding van mr. Joris Deene. Onze advocaten begeleiden personen en ondernemingen die zich door een persartikel aangetast voelen bij het recht van antwoord, de keuze van de juiste tegenpartij en de vordering tot verwijdering of anonimisering, en staan journalisten en uitgevers bij in hun verweer op grond van de mediavrijheid en het mediarecht.



