Een rechter kan een criticus niet zomaar verbieden zich nog over een zaak van algemeen belang uit te spreken zolang het proces ten gronde loopt. De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, wees op 29 september 2026 zo’n voorlopig spreekverbod af: een voorafgaand verbod grijpt zo diep in op de vrijheid van meningsuiting van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dat het pas kan wanneer de onrechtmatigheid van de uitlatingen nu al duidelijk vaststaat. Projectontwikkelaar Bart Versluys en twee vennootschappen uit zijn groep vroegen dat verbod tegen oud-schepen Yves Miroir, onder verbeurte van een dwangsom van 15.000 euro per inbreuk. Zij kregen het niet.
In het kort:
- De rechtbank wees op 29 september 2026 de vordering af om een voormalig schepen en gemeenteraadslid, op straffe van 15.000 euro per inbreuk, te verbieden nog drie uitlatingen te herhalen over een bouwproject op de Oosteroever in Oostende.
- Het juridische scharnierpunt is de verhouding tussen de voorlopige maatregel van artikel 19, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek en het verbod van preventieve beperkingen op de meningsuiting: de rechter mag met een voorlopige maatregel niet vooruitlopen op de vraag of de uitlatingen onrechtmatig zijn.
- Wie zich door publieke kritiek in een debat van algemeen belang geschaad voelt, moet dus langs de bodemprocedure, en loopt sinds de wet van 30 mei 2026 bovendien het risico dat die procedure zelf als een strategische rechtszaak tegen publieke participatie wordt beoordeeld.
De feiten
Het geschil draait om een terrein op de Oosteroever in Oostende, tussen het Vuurtorendok, de Fortstraat en de Vuurtorenweg. Dat terrein maakt deel uit van een ruimer stadsontwikkelingsproject en is volgens het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan van 2009 bestemd als stedelijk ontwikkelingsgebied. Een vennootschap uit de groep van Bart Versluys verwierf het van het Autonoom Gemeentebedrijf Stadsvernieuwing Oostende, na een openbare en Europees bekendgemaakte selectieprocedure.
Het terrein ligt binnen de perimeter van het landschap rond Fort Napoleon, dat bij koninklijk besluit van 6 juli 1976 werd beschermd. Over dat feit zijn partijen het eens; over de draagwijdte van die bescherming niet. Intussen heeft de Vlaamse minister van Onroerend Erfgoed de bescherming van een deel van het gebied definitief opgeheven, maar dat besluit speelt in het vonnis geen rol.
Yves Miroir was jarenlang schepen en gemeenteraadslid in Oostende. Sinds 2023 spreekt hij zich herhaaldelijk en kritisch uit over de ontwikkeling van het terrein en van de ruimere Oosteroever: over de geplande bebouwing, over de manier waarop het terrein werd verworven en over de impact op de omgeving. Daarover ontstond een publiek debat, gevoerd via perspublicaties, sociale media, publieke communicatie en acties, waaraan ook burgers en verenigingen deelnamen.
Versluys, Vuurtorendok nv en Versluys Invest nv vonden verschillende van die uitlatingen feitelijk onjuist en schadelijk voor hun reputatie en hun belangen als projectontwikkelaar. Bij dagvaarding van 27 maart 2026 stelden zij vorderingen ten gronde in. Daarnaast vroegen zij, als voorlopige maatregel in afwachting van het eindvonnis, dat Miroir zou worden verboden drie beweringen nog langer te verspreiden: dat het terrein werd aangekocht met miskenning van de regelgeving overheidsopdrachten en zonder transparante procedure, dat Versluys een waardevol duinlandschap liet verdwijnen, en dat het beschermingsbesluit niet toelaat dat op het terrein wordt gebouwd. Op elke inbreuk zou een dwangsom van 15.000 euro staan. Miroir antwoordde dat zijn uitlatingen deel uitmaken van een maatschappelijk debat over onderwerpen van algemeen belang en dat zij geheel of gedeeltelijk waardeoordelen of verdedigbare standpunten zijn. De zaak werd op 1 september 2026 gepleit.
De beslissing
Het vonnis (Rb. West-Vlaanderen (afd. Brugge) 29 september 2026, 26/977/A) gaat uitsluitend over die voorlopige maatregel. De rechtbank steunt op artikel 19, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek. Een voorlopige maatregel in de zin van die bepaling is een maatregel die de rechter in elke stand van het geding kan bevelen om de toestand van de partijen voorlopig te regelen in afwachting van zijn uitspraak ten gronde. De rechter spreekt zich daarbij niet definitief uit over de rechten van partijen: hij onderzoekt enkel op het eerste gezicht of er een schijn van recht is die de maatregel draagt. De eiser hoeft dus niet het volledige bewijs van zijn vordering te leveren, maar moet volgens de rechtbank wel aantonen dat zijn vordering ten gronde voldoende aannemelijk is en dat een tijdelijke tussenkomst van de rechter noodzakelijk is om zijn rechten te vrijwaren.
Daar komt het proportionaliteitsbeginsel bij. Hoe ingrijpender de gevraagde maatregel, hoe sterker de schijn van recht moet zijn en hoe duidelijker de noodzaak moet blijken. Grijpt de maatregel diep in op fundamentele rechten of loopt hij in belangrijke mate vooruit op de beoordeling ten gronde, dan is volgens de rechtbank bijzondere terughoudendheid geboden.
De gevorderde maatregel raakt volgens de rechtbank rechtstreeks aan de vrijheid van meningsuiting, gewaarborgd door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 19 van de Grondwet. Die vrijheid beschermt ook uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten, en weegt des te zwaarder wanneer de uitlatingen bijdragen aan een debat van algemeen belang. Uit de stukken bleek dat de gewraakte uitspraken gaan over een omvangrijk stadsontwikkelingsproject, de ruimtelijke ordening van de Oosteroever, de bescherming van natuur en erfgoed en de wijze waarop publieke gronden werden ontwikkeld. Dat behoort volgens de rechtbank onmiskenbaar tot het maatschappelijk debat.
Beslissend was de aard van de vordering. De eisers vroegen geen vergoeding of herstel voor uitlatingen die al waren gedaan, maar een verbod om zich in de toekomst nog op een bepaalde manier over het onderwerp uit te laten. Zo’n bevel is volgens de rechtbank een bijzonder vergaande inmenging: het sanctioneert niet een gedane uiting, het verhindert toekomstige communicatie. Een voorafgaand spreekverbod kan volgens de rechtbank slechts worden verantwoord wanneer in dit stadium al voldoende duidelijk blijkt dat de bedoelde uitlatingen onrechtmatig zijn, en wanneer de noodzaak van een onmiddellijke tussenkomst voldoende aannemelijk is gemaakt.
Aan die voorwaarden was niet voldaan. Tussen partijen bestaat een reële en ernstige betwisting over de feitelijke juistheid van de uitspraken, de historische toestand van het terrein, de draagwijdte van het beschermingsbesluit van 1976, het verloop van de verkoopprocedure en de context van de uitlatingen. Die betwisting vergt een onderzoek van de feiten, de stukken en de argumenten, en dat onderzoek hoort volgens de rechtbank bij het debat ten gronde. Bovendien hebben minstens een deel van de uitlatingen het karakter van waarderingen, interpretaties en standpunten over erfgoed, natuurbehoud, ruimtelijke ordening en overheidsbeleid. Ook scherp, polemisch of eenzijdig geformuleerd vallen die volgens de rechtbank in beginsel binnen de beschermingssfeer van de vrijheid van meningsuiting. Of Miroir de grenzen van die vrijheid heeft overschreden, hangt af van de feitelijke basis van zijn beschuldigingen, de precieze bewoordingen, de context, de hoedanigheid van de betrokkenen en hun bijdrage aan het publieke debat. Die beoordeling kan niet worden gemaakt zonder vooruit te lopen op het bodemgeschil.
De rechtbank wees de vordering tot het bekomen van voorlopige maatregelen daarom af als ongegrond, verzond de zaak naar de zitting voor de behandeling ten gronde en hield de kosten aan.
Juridische analyse en duiding
Waarom de rechtbank over censuur zwijgt, en of dat terecht is
De eisers vroegen de rechtbank om een politicus vooraf te verbieden drie beweringen te herhalen. De rechtbank behandelt die vraag als een proportionaliteitskwestie onder artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens: een voorafgaand spreekverbod kan, maar alleen als de onrechtmatigheid nu al duidelijk is. Het woord censuur valt in het vonnis niet, en artikel 25 van de Grondwet, dat bepaalt dat de censuur nooit kan worden ingevoerd, wordt niet genoemd.
Miroir had nochtans een stap verder kunnen gaan en kunnen aanvoeren dat de rechter zo’n verbod in de huidige stand van het Belgische recht helemaal niet mag opleggen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens veroordeelde België in het arrest RTBF (EHRM 29 maart 2011, 50084/06) precies op dat punt. Een kortgedingrechter had de uitzending van een televisiereportage verboden, en het Hof van Cassatie had dat verbod overeind gehouden (Cass. 2 juni 2006, C.03.0211.F) met het argument dat de algemene bevoegdheidsbepalingen van het Gerechtelijk Wetboek een voldoende precieze wettelijke basis vormen. Het Europees Hof dacht daar anders over. Artikel 19 van de Grondwet laat enkel de bestraffing achteraf toe van misdrijven die bij het gebruik van de vrijheid worden gepleegd, en de artikelen 18, 19, 584 en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek zeggen niets over het soort beperkingen dat is toegelaten, hun doel, hun duur, hun omvang of de controle erop. Bij gebrek aan een precies wettelijk kader voor voorafgaande verboden, en gelet op de tegenstrijdige Belgische rechtspraak, was de inmenging niet voorzienbaar en dus niet bij wet voorzien.
Die kritiek treft ook de grondslag die de rechtbank hier gebruikt. Artikel 19, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek is net zo’n algemene bevoegdheidsbepaling; het Europees Hof noemde het zelfs uitdrukkelijk. Het Grondwettelijk Hof had bovendien al in 2004 geoordeeld dat het verbod van preventieve maatregelen in de artikelen 19 en 25 van de Grondwet meebrengt dat de rechter pas mag optreden wanneer er al een verspreiding is geweest (GwH 6 oktober 2004, 157/2004). In zijn artikelsgewijze commentaar bij de Grondwet besluit J. Velaers dat kortgedingrechters zich van publicatie- en uitzendverboden moeten onthouden zolang de wetgever geen duidelijk kader schept (J. VELAERS, De Grondwet. Een artikelsgewijze commentaar. Deel I, Brugge, die Keure, 2019, 550-552).
Toch houdt de redenering van de rechtbank stand, om twee redenen. Ten eerste gaat het hier niet om een verbod op een nog niet verschenen publicatie, maar om een verbod om reeds gedane uitlatingen te herhalen. Dat is geen zuivere voorafgaande censuur. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het uit de handel nemen van een reeds verspreid tijdschrift geen censuur is (Cass. 29 juni 2000, C.98.0530.F), en het Europees Hof aanvaardde in dezelfde zaak dat zo’n maatregel na verspreiding voorzienbaar was (arrest Leempoel, EHRM 9 november 2006, 64772/01). Ook Velaers rekent een herhalingsverbod na een reële verspreiding tot de maatregelen die wel kunnen. Een verbod op toekomstige uitlatingen over een onderwerp zit evenwel tussen beide categorieën in, en de rechtbank benoemt dat zelf: het bevel beoogt niet de sanctionering van een gedane uiting maar de verhindering van toekomstige communicatie. Ten tweede komt de rechtbank langs de proportionaliteitstoets tot hetzelfde resultaat als wie het verbod principieel uitsluit. Door te eisen dat de onrechtmatigheid nu al duidelijk vaststaat, terwijl zij tegelijk vaststelt dat die vraag enkel ten gronde kan worden beantwoord, sluit zij het spreekverbod in de praktijk uit voor elke betwiste uitlating in een publiek debat. Dat is een voorzichtiger weg dan een uitspraak over artikel 25 van de Grondwet, en voor een alleenzetelend rechter in eerste aanleg een begrijpelijke.
Waarom een politicus die kritiek geeft dezelfde bescherming krijgt als een journalist
Miroir is geen journalist maar een politicus, en het debat gaat over een private onderneming. De rechtbank kent zijn uitlatingen toch de verhoogde bescherming toe die het Europees Hof voorbehoudt aan bijdragen tot een debat van algemeen belang. Dat is juist. Het Europees Hof oordeelde al in het arrest Castells (EHRM 23 april 1992, 11798/85) dat de vrijheid van meningsuiting bijzonder waardevol is voor een verkozen vertegenwoordiger, omdat die de belangen van zijn kiezers verdedigt. Bovendien hangt de bescherming niet af van wie spreekt maar van waarover: ruimtelijke ordening, erfgoed en de ontwikkeling van publieke gronden zijn onderwerpen die het publiek raken.
Dat de kritiek een private onderneming treft, maakt die niet minder beschermd. Een onderneming die een terrein van een autonoom gemeentebedrijf verwerft na een Europees bekendgemaakte selectieprocedure en er wil bouwen in een beschermd landschap, stelt zich bloot aan publieke controle. De drempel ligt wel hoger dan bij een politicus die kritiek krijgt: het Hof van Cassatie vereist dat uit de beslissing blijkt dat de beperking, gelet op de context, de hoedanigheid van partijen en de overige omstandigheden, aan een dwingende sociale noodwendigheid beantwoordt en evenredig is (Cass. 27 april 2007, C.06.0123.N). Precies die afweging weigert de rechtbank in dit stadium te maken, en dat is coherent: wie de evenredigheid toetst, moet eerst weten of de uitlatingen fout zijn.
Het onderscheid tussen feiten en waardeoordelen, dat sinds het arrest Lingens (EHRM 8 juli 1986, 9815/82) centraal staat, duikt in het vonnis op als tweede reden om niet in te grijpen. Een waardeoordeel is een mening die zich niet voor bewijs leent en waarvan enkel kan worden gevraagd dat zij een voldoende feitelijke basis heeft. De drie gewraakte beweringen liggen op dat vlak niet gelijk. Dat een duinlandschap waardevol was en verdween, is grotendeels een oordeel. Dat het beschermingsbesluit bouwen niet toelaat, is deels een feitelijke en deels een juridische vraag, en de eisers betwisten de draagwijdte van het besluit van 1976 zelf. De bewering dat de aankoop de regelgeving overheidsopdrachten miskende en niet transparant verliep, is de meest feitelijke van de drie en daardoor ook de meest kwetsbare voor Miroir: daar zal de bodemrechter stukken willen zien. Zolang die vragen niet zijn beslecht, kan de rechter een politicus niet verbieden er een standpunt over in te nemen. Zoals we eerder bespraken naar aanleiding van de vraag of een politicus een organisatie extreemrechts mag noemen, volstaat een voldoende feitelijke basis voor een scherp waardeoordeel in een publiek debat.
Wat de anti-SLAPP-wet aan deze zaak verandert
De dagvaarding dateert van 27 maart 2026, de pleitzitting van 1 september 2026 en het vonnis van 29 september 2026. Tussen de dagvaarding en de pleitzitting, op 22 juni 2026, trad de wet van 30 mei 2026 in werking, die Richtlijn (EU) 2024/1069 omzet en in het Gerechtelijk Wetboek een hoofdstuk invoegt over de bescherming van bij het publiek debat betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht. Een strategische rechtszaak tegen publieke participatie, kortweg SLAPP, is volgens het nieuwe artikel 1385/1 een procedure die niet wordt ingeleid om een recht te doen gelden, maar om het publiek debat te voorkomen, te beperken of te bestraffen, met geheel of gedeeltelijk ongegronde vorderingen. Het vonnis vermeldt die wet niet, hoewel zij op de dag van de pleidooien al meer dan twee maanden gold. Krachtens artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek zijn wetten op de rechtspleging immers van toepassing op hangende gedingen.
Voor het vervolg van de procedure maakt dat verschil. Miroir kan in de bodemprocedure vragen om de vroegtijdige afwijzing van de vordering wegens kennelijke ongegrondheid, waarbij de bewijslast dat de vordering niet kennelijk ongegrond is, bij de eisers komt te liggen. Hij kan ook een zekerheidstelling vragen, die de rechter trouwens precies als voorlopige maatregel in de zin van artikel 19, derde lid beveelt. Een van de elementen die de rechter bij de beoordeling van misbruik in aanmerking mag nemen, is de onevenredige aard van de vordering, en een ander is het feit dat een procedure doelbewust tegen een persoon wordt gericht. Een verbod om drie beweringen te herhalen, op straffe van 15.000 euro per inbreuk, gevorderd tegen een politicus persoonlijk, zijn gegevens die in die beoordeling zullen meewegen.
Daar past wel een nuance bij. Een afgewezen voorlopige maatregel maakt een procedure nog geen SLAPP. De rechtbank heeft niet geoordeeld dat de uitlatingen rechtmatig zijn, enkel dat die vraag ten gronde moet worden beantwoord, en zij spreekt nergens van rechtsmisbruik. Nog vóór de wet in werking trad, bestrafte de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen een pestproces via de regels over tergend en roekeloos geding, zoals we bespraken in onze blog over de SLAPP-procedure zonder omzettingswet. In die zaak ging het om een vordering van 200.000 euro na een dreiging met 1,2 miljoen. Hier gaat het om een ontwikkelaar die zegt feitelijk onjuiste beschuldigingen te willen laten rechtzetten, en minstens één van de drie beweringen is een feitelijke beschuldiging. Of de procedure een legitiem doel dient of een criticus moet doen zwijgen, zal de bodemrechter moeten uitmaken.
Wat betekent dit concreet?
Voor ondernemingen die kritiek krijgen in een publiek debat. De weg van het voorlopige spreekverbod is in België zo goed als afgesloten zodra de kritiek een onderwerp van algemeen belang betreft en de feiten betwist zijn. Wie zich geschaad acht, doet er beter aan de energie te steken in het dossier ten gronde: welke uitlatingen zijn feitelijke beweringen, welke zijn meningen, en welke stukken bewijzen dat een feitelijke bewering onjuist is. Een vordering die zich beperkt tot concrete, bewijsbaar onjuiste feiten heeft meer kans dan een algemeen verbod om zich over een onderwerp uit te laten. Hou er rekening mee dat een procedure tegen een deelnemer aan het publieke debat sinds 22 juni 2026 zelf aan een toets wordt onderworpen: een onevenredige vordering, een hoge dwangsom of een procedure tegen een persoon in plaats van tegen een organisatie zijn elementen die tegen u kunnen worden gebruikt. Twijfelt u of een geplande vordering die toets doorstaat, dan is dat het eerste wat wij voor u nagaan. Vaak zijn een recht van antwoord, een publieke rechtzetting of een gerichte ingebrekestelling doeltreffender dan een dagvaarding.
Voor politici, activisten en burgers die zich kritisch uitlaten. Het vonnis bevestigt dat scherpe kritiek op een bouwproject, een verwervingsprocedure of de aantasting van een landschap in beginsel beschermd is, ook wanneer zij een private onderneming treft en ook wanneer zij polemisch is geformuleerd. Die bescherming is niet onbegrensd. Zij hangt af van de feitelijke basis van wat u beweert. Wie zegt dat een procedure niet correct verliep of dat een terrein niet bebouwbaar is, kan daar beter stukken voor hebben: het uitvoeringsplan, het beschermingsbesluit, de selectiedocumenten. Formuleer feitelijke beschuldigingen voorzichtig en meningen vrij. Wordt u toch gedagvaard, dan beschikt u sinds de wet van 30 mei 2026 over de vroegtijdige afwijzing en de zekerheidstelling, en kunt u de volledige terugbetaling van uw advocatenkosten vragen wanneer de rechter misbruik vaststelt. Roep die wet uitdrukkelijk in; de rechter past haar niet vanzelf toe, zoals dit vonnis laat zien. Meer over die waarborgen leest u op onze pagina over de anti-SLAPP-wet.
Voor wie procedeert over een voorlopige maatregel. Het vonnis is een goed voorbeeld van de glijdende schaal die de rechter hanteert bij artikel 19, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek: hoe ingrijpender de maatregel, hoe sterker de schijn van recht moet zijn. Wie een maatregel vraagt die een grondrecht raakt of vooruitloopt op het bodemgeschil, moet dus meer bewijzen dan wie een bewarende maatregel vraagt. Omgekeerd is het voor de verweerder voldoende aan te tonen dat de feiten ernstig worden betwist. De uitgebreide achtergrond vindt u op onze pagina’s over de vrijheid van meningsuiting en het mediarecht.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Kan de rechter een spreekverbod opleggen voordat de zaak ten gronde is beslecht?
In uitzonderlijke gevallen, en in de praktijk zelden. De rechter kan op grond van artikel 19, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek voorlopige maatregelen bevelen, maar een verbod op toekomstige uitlatingen is een zware inmenging in de vrijheid van meningsuiting. Volgens de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen kan dat alleen wanneer de onrechtmatigheid van de uitlatingen nu al duidelijk vaststaat en een onmiddellijke tussenkomst noodzakelijk is. Zodra de feiten ernstig betwist zijn, is dat niet het geval.
Iemand verspreidt onjuiste informatie over mijn bedrijf. Kan ik dat laten stoppen?
Ja, maar vooral achteraf en ten gronde. U kunt een schadevergoeding, een rechtzetting of een verbod op herhaling van bewezen onjuiste feitelijke beweringen vorderen. Een algemeen verbod om zich nog over uw project uit te spreken, krijgt u niet wanneer de kritiek een onderwerp van algemeen belang betreft. Richt uw vordering op concrete, bewijsbaar onjuiste feiten, niet op meningen, en weeg af of een recht van antwoord of een publieke reactie niet sneller resultaat oplevert.
Mag een politicus een private onderneming publiek bekritiseren?
Ja. De vrijheid van meningsuiting is volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bijzonder waardevol voor een verkozen vertegenwoordiger, en kritiek op een bouwproject, een verwervingsprocedure of de aantasting van erfgoed raakt het algemeen belang. De politicus moet wel een voldoende feitelijke basis hebben voor zijn beschuldigingen. Waardeoordelen, ook scherpe, zijn ruim beschermd; feitelijke beweringen die aantoonbaar onjuist zijn, kunnen tot aansprakelijkheid leiden.
Wat is een SLAPP en geldt de anti-SLAPP-wet ook voor mijn lopende zaak?
Een SLAPP is een rechtszaak die niet dient om een recht af te dwingen maar om een deelnemer aan het publieke debat te doen zwijgen. Sinds 22 juni 2026 voegt de wet van 30 mei 2026 daartegen waarborgen in het Gerechtelijk Wetboek in: vroegtijdige afwijzing, zekerheidstelling en volledige terugbetaling van de advocatenkosten bij misbruik. Omdat procedurewetten volgens artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek op hangende gedingen van toepassing zijn, kunt u die waarborgen ook inroepen in een procedure die vóór die datum werd ingeleid.
Conclusie
De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen weigert een politicus vooraf te verbieden drie beweringen over een omstreden bouwproject te herhalen. Een voorlopige maatregel mag niet vooruitlopen op de centrale vraag van het bodemgeschil, en die vraag, of de uitlatingen onrechtmatig zijn, kan bij een ernstig betwist feitenrelaas en een debat van algemeen belang enkel ten gronde worden beantwoord. Het vonnis omzeilt de grondwettelijke censuurdiscussie, maar komt langs de proportionaliteitstoets tot hetzelfde resultaat: in België is een voorlopig spreekverbod in een publiek debat zo goed als uitgesloten. Met de anti-SLAPP-wet van 30 mei 2026 wordt het bovendien riskanter om zo’n verbod te vorderen.
ICT Rechtswijzer is het kennisplatform van het departement intellectuele eigendom, IT-recht, AI-recht, gegevensbescherming en mediarecht van Everest Advocaten, onder leiding van mr. Joris Deene. Onze advocaten begeleiden ondernemingen die zich tegen schadelijke uitlatingen willen verweren en personen die worden gedagvaard wegens hun deelname aan het publieke debat, van de beoordeling van de uitlatingen tot het verweer op grond van de anti-SLAPP-wet.



