De verwerking van gevoelige persoonsgegevens, zoals DNA en vingerafdrukken, door politiediensten balanceert op de grens tussen effectieve rechtshandhaving en de privacy van de burger. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) heeft in een arrest van 20 november 2025 geoordeeld dat de politie biometrische en genetische gegevens van verdachten van opzettelijke misdrijven mag verzamelen en bewaren zonder een wettelijk vastgelegde maximumtermijn, mits er een periodieke evaluatie plaatsvindt of de opslag nog strikt noodzakelijk is.
De feiten en context van de zaak
Deze uitspraak vloeit voort uit een zaak in Tsjechië, waarbij een persoon (hierna ‘JH’) verdacht werd van corruptie en economische misdrijven. Tijdens het onderzoek nam de politie, ondanks verzet van JH, vingerafdrukken en DNA-materiaal af om hem te identificeren en op te nemen in politiedatabanken.
JH vocht dit aan bij de nationale rechter. Hij argumenteerde dat het verzamelen van deze gevoelige gegevens onevenredig was, gezien hij slechts verdacht werd van een economisch delict zonder geweld, hij geen strafblad had en de kans op recidive klein werd geacht. Bovendien stelde hij dat de politie deze gegevens voor onbepaalde tijd bewaarde zonder duidelijke wettelijke limiet.
De Tsjechische hoogste bestuursrechter stelde hierop prejudiciële vragen aan het Europees Hof over de interpretatie van Richtlijn (EU) 2016/680 (de richtlijn voor gegevensbescherming bij politie en justitie).
Het arrest: de regels rondom biometrische gegevens
Het Hof van Justitie schept met dit arrest duidelijkheid over drie cruciale punten voor de politiepraktijk en de rechten van verdachten:
1. Verzameling bij verdenking van opzettelijke misdrijven
De politie mag biometrische en genetische gegevens verzamelen van eenieder die ervan wordt verdacht of beschuldigd opzettelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd. Het is niet vereist dat de wetgeving op voorhand een strikt onderscheid maakt tussen verschillende categorieën verdachten, zolang de doeleinden van de verzameling dit onderscheid niet vereisen.
2. Geen harde einddatum, wel periodieke evaluatie
Artikel 4, lid 1, onder e van Richtlijn 2016/680 verzet zich niet tegen een regeling waarbij er geen absolute maximumtermijn voor opslag is vastgesteld. Echter, de opslag mag niet onbeperkt zijn zonder controle. Er moet sprake zijn van een regeling die passende termijnen vaststelt voor een periodieke evaluatie. Tijdens deze evaluatie moet worden getoetst of verlenging van de opslag nog steeds strikt noodzakelijk is.
3. Interne regels en rechtspraak als rechtsbasis
De beoordeling van de noodzaak tot opslag mag gebaseerd zijn op interne regels van de politie, zolang deze regels de politie verplichten om de ‘strikte noodzakelijkheid’ te respecteren. Bovendien oordeelde het Hof dat het begrip ‘lidstatelijk recht’ (de wettelijke basis voor gegevensverwerking) ook gevormd kan worden door rechtspraak, mits deze toegankelijk en voorzienbaar is en de minimale voorwaarden voor verwerking vastlegt.
Juridische analyse en duiding
Dit arrest verduidelijkt de toepassing van Richtlijn 2016/680, die in België werd omgezet in Titel 2 van de Wet Verwerking Persoonsgegevens.
Het criterium van “strikte noodzakelijkheid”
Het Hof benadrukt dat voor bijzondere categorieën van persoonsgegevens (zoals DNA en vingerafdrukken) een verhoogde bescherming geldt. De verwerking is enkel toegestaan wanneer dit strikt noodzakelijk is. Dit is een strengere toets dan bij ‘gewone’ persoonsgegevens. De politie moet bij de beoordeling van deze noodzaak rekening houden met specifieke factoren, zoals:
- De aard en ernst van het strafbare feit.
- De specifieke omstandigheden van het misdrijf.
- De gerechtelijke antecedenten en het persoonlijk profiel van de betrokkene.
Zelfs bij economische misdrijven kan het verzamelen van DNA strikt noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld om mogelijke banden met criminele organisaties te onderzoeken of vluchtgevaar tegen te gaan.
In België is de verwerking van genetische en biometrische gegevens voor unieke identificatie reeds onderworpen aan de eis van strikte noodzakelijkheid (artikel 34 Wet Verwerking Persoonsgegevens).
De rol van rechtspraak als wet
Opvallend is de bevestiging dat ‘lidstatelijk recht’ niet enkel formele wetgeving omvat, maar ook vaste rechtspraak. Dit is relevant voor de rechtszekerheid. Indien de wetgeving (zoals de Tsjechische politiewet in deze zaak) algemeen is, kan de rechtspraak de vereiste details en waarborgen invullen om te voldoen aan het vereiste van voorzienbaarheid.
Interne politieregels
Dat de politie zich mag baseren op interne regels voor de evaluatie van bewaartermijnen, lijkt op het eerste gezicht de rechtsbescherming te verminderen omdat deze regels vaak niet openbaar zijn. Het Hof nuanceert dit echter: hoewel deze regels niet als publiek bewijs van naleving kunnen dienen, maken ze de verwerking niet automatisch ongeldig. Cruciaal is dat een rechter achteraf altijd moet kunnen toetsen of de politie in een concreet geval de strikte noodzakelijkheid heeft gerespecteerd.
De Wet Verwerking Persoonsgegevens (artikel 30) lijkt hier echter een hogere drempel op te werpen door te eisen dat de maximale termijn door een wet of decreet wordt vastgelegd, en niet enkel door interne politie-instructies. Zelfs als de wet voorziet in een systeem van “periodieke evaluatie” (om te kijken of bewaring nog nodig is), moet er volgens de Wet Verwerking Persoonsgegevens alsnog voorzien worden in een uiteindelijke maximale bewaartermijn.
Wat dit concreet betekent
Deze uitspraak heeft directe gevolgen voor verdachten, veroordeelden en advocaten in strafzaken.
- Voor de verdachte: U kunt zich niet zomaar verzetten tegen de afname van DNA of vingerafdrukken enkel omdat het gaat om een ‘lichter’ of niet-gewelddadig misdrijf (zoals fraude). Als de politie kan motiveren dat dit strikt noodzakelijk is voor het onderzoek (bijvoorbeeld om connecties met andere feiten uit te sluiten), is de afname rechtmatig.
- Voor de verdediging (advocaten): De focus verschuift van het betwisten van de afname naar het bewaken van de bewaring. Advocaten moeten nagaan of de maximale bewaartermijn niet is overschreden. Als gegevens jarenlang worden bewaard zonder dat wordt getoetst of dit nog noodzakelijk is (bijvoorbeeld na een vrijspraak of na lange tijd zonder recidive), is de bewaring in strijd met het Unierecht.
- Recht op wissen: Indien bij een periodieke evaluatie blijkt dat opslag niet langer strikt noodzakelijk is, moeten de gegevens worden gewist. Burgers hebben het recht om een verzoek tot inzage of wissing in te dienen via het Controleorgaan op de Politionele Informatie (COC) indien de “strikte noodzakelijkheid” niet meer te verantwoorden is.
Veelgestelde Vragen (FAQ)
Mag de Belgische politie mijn DNA voor altijd bewaren?
Nee. Artikel 30 van de Wet Verwerking Persoonsgegevens verplicht dat er een maximale bewaartermijn bij wet wordt vastgelegd. Na deze termijn moeten de gegevens worden gewist .
Waar kan ik een klacht indienen over politiegegevens?
Klachten over de verwerking van persoonsgegevens door politiediensten moeten worden gericht aan het Controleorgaan op de politionele informatie (COC), en niet aan de Gegevensbeschermingsautoriteit .
Geldt de DNA-afname ook voor lichte misdrijven?
Ja, de politie mag biometrische gegevens verzamelen bij verdenking van strafbare feiten, mits dit strikt noodzakelijk is voor het onderzoek. De wet maakt geen exclusief onderscheid op basis van de zwaarte van het misdrijf, maar de proportionaliteit moet wel altijd gewaarborgd zijn.
Conclusie
Het arrest van 20 november 2025 bevestigt dat de strijd tegen criminaliteit het verzamelen van gevoelige persoonsgegevens rechtvaardigt, zelfs bij niet-gewelddadige feiten. Echter, de politie krijgt geen blanco cheque: het beginsel van strikte noodzakelijkheid en de verplichting tot periodieke evaluatie vormen de essentiële waarborgen tegen willekeurige en eeuwige opslag van uw biometrische gegevens.
België beschikt met Titel 2 van de Wet van 30 juli 2018 over een robuust wettelijk kader dat voldoet aan de Europese eisen. Terwijl de politie ruime bevoegdheden heeft om biometrische gegevens te verzamelen in de strijd tegen criminaliteit, wordt dit ingeperkt door het vereiste van strikte noodzakelijkheid en de verplichting tot voor bewaring. Het is aan verdachten en hun raadslieden om waakzaam te zijn dat deze grenzen in de praktijk niet worden overschreden.



