Is een hoge verbrekingsvergoeding bij het vroegtijdig opzeggen van een b2b-contract geldig?

Bij het vroegtijdig verbreken van een zakelijke overeenkomst van bepaalde duur, wordt in de algemene voorwaarden vaak een vaste en torenhoge verbrekingsvergoeding geëist. Sinds de invoering van de b2b-wetgeving ter bescherming van ondernemingen tegen onrechtmatige bedingen, is dit echter niet langer een automatisme. Indien een bedongen schadevergoeding kennelijk onevenredig is aan het werkelijke nadeel dat de leverancier lijdt, kan de rechter dit beding volledig nietig verklaren.

De feiten

Wanneer ondernemingen langlopende contracten afsluiten, trachten zij financiële zekerheid in te bouwen. In een zaak voor de Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen, werd deze praktijk echter in een vonnis van 25 april 2025 kritisch tegen het licht gehouden.

De feiten waren als volgt: een onderneming sloot een driejarige aansluitingsovereenkomst af met een sociaal secretariaat. Nog voor de voorziene einddatum besloot de onderneming de overeenkomst vroegtijdig te beëindigen. Het sociaal secretariaat eiste vervolgens een stevige forfaitaire verbrekingsvergoeding. Ze baseerden zich hiervoor op haar algemene voorwaarden, waarin bepaald was dat de verbreker een schadevergoeding moest betalen die gelijk was aan 100% van de totale beheerskosten voor de resterende duurtijd van het contract (in dit geval nog 20 maanden), zijnde ca. 8.000 euro.

De onderneming betwistte dit bedrag en stelde dat de vergoeding de reële schade ver overschreed, waardoor het beding als onrechtmatig moest worden beschouwd.

De beslissing van de ondernemingsrechtbank

De rechtbank diende de vraag te beantwoorden of een dergelijke hoge, forfaitaire vergoeding wettig is. Het oordeel was duidelijk: een contractueel bedongen verbrekingsvergoeding die wordt begroot op 100% van de beheerskosten voor een resterende duurtijd van 20 maanden, is kennelijk niet evenredig aan het nadeel dat de dienstverlener redelijkerwijs kan lijden.

De rechter verklaarde het betrokken beding dan ook onrechtmatig, verboden en bijgevolg nietig.

Dit betekent echter niet dat de contractbreker zomaar vrijuit gaat. De nietigheid van het onrechtmatige schadebeding raakt immers niet aan het recht van de schadelijdende onderneming om alsnog vergoed te worden voor de reële schade door de niet-nakoming. Omdat het sociaal secretariaat de concrete schade onvoldoende kon staven, besloot de rechter om de vergoeding naar redelijkheid en billijkheid (“ex aequo et bono”) vast te stellen op 4.000 euro (de helft van het initieel gevorderde bedrag).

Juridische analyse en duiding

Deze uitspraak biedt een inkijk in de praktische toepassing van artikel VI.91/5, 8° van het Wetboek van Economisch Recht (WER). Dit artikel bevat de zogenaamde ‘grijze lijst’ van bedingen waarvoor een weerlegbaar vermoeden van onrechtmatigheid geldt in overeenkomsten tussen ondernemingen. Eén van deze bedingen is de clausule die, bij niet-uitvoering van een verbintenis, een schadevergoedingsbedrag vaststelt dat kennelijk niet evenredig is aan het potentiële nadeel.

Voor een correcte toepassing zijn er echter juridische finesses waar rekening mee moeten houden:

  1. De kwalificatievraag (schadebeding vs. opzegbeding): Artikel VI.91/5, 8° WER is enkel van toepassing op schadebedingen, niet op opzegbedingen. Bij een schadebeding is de vergoeding een sanctie voor een toerekenbare wanprestatie, terwijl een opzegbeding de prijs is voor de legitieme mogelijkheid om het contract eenzijdig te beëindigen. Aangezien contracten van bepaalde duur principieel niet voortijdig opzegbaar zijn, vormt de verbreking vóór de vervaldatum een contractuele tekortkoming. Het beding dat de vergoeding daarvoor regelt, is bijgevolg een schadebeding. Belangrijke nuance: rechters prikken door misleidende terminologie heen. Een verdoken boeteclausule omdopen tot ‘opzegvergoeding’ werkt niet, zoals we ook toegelicht hebben in onze blog over contractbreuk bij langdurige dienstencontracten: is een hoge verbrekingsvergoeding altijd geldig?
  2. De bewijslast en kennelijke onevenredigheid: De bewijslast voor de onrechtmatigheid ligt in de regel bij degene die de nietigheid inroept. De schuldenaar moet dus de kennelijke onevenredigheid aantonen tussen het gefactureerde bedrag en de redelijkerwijs voorzienbare schade bij het sluiten van het contract.
  3. Het weerleggen van het vermoeden: Zelfs indien een beding op de grijze lijst belandt, krijgt de schuldeiser de kans om het onrechtmatigheidsvermoeden te weerleggen. Hierbij kan men wijzen op de specifieke omstandigheden van de overeenkomst en aantonen dat er geen sprake is van een werkelijk onevenwicht.

Wat dit concreet betekent

Voor bedrijven die met algemene voorwaarden werken, is dit een belangrijk signaal. Het blindelings eisen van de volledige resterende contractwaarde (vaak inclusief gederfde winst én bespaarde kosten) wordt door de rechtbanken steeds vaker afgestraft. Ontwerpt u contracten? Zorg er dan voor dat uw schadebedingen realistisch zijn en in verhouding staan tot de werkelijke kosten die u oploopt bij contractbreuk.

Bent u daarentegen de partij die het contract wenst stop te zetten? Laat u dan niet zomaar intimideren door astronomische facturen. De b2b-wet beschermt ondernemingen tegen machtsmisbruik via onredelijke standaardclausules, zolang het juridisch om een ‘schadebeding’ gaat.

Let wel op: dit is geen vrijgeleide om zomaar elk contract kosteloos te annuleren. Als uw contract de verbrekingsvergoeding niet formuleert als een sanctie, maar als een ‘opzegbeding’ (een afgesproken prijs om het recht te krijgen de overeenkomst vroegtijdig stop te zetten), gelden er andere regels en trekt u mogelijk wel aan het kortste eind. Hoe dit verschil in de praktijk uitwerking krijgt, leest u in onze blog over de vraag of u altijd een annulatiekost moet betalen als u uw deelname aan een beurs afzegt.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Wat is het verschil tussen een schadebeding en een opzegbeding?
Een schadebeding is een contractuele afspraak over de vergoeding die betaald moet worden als sanctie wanneer één van de partijen haar verplichtingen niet (of te laat) nakomt (bijvoorbeeld het verbreken van een contract van bepaalde duur). Een opzegbeding is daarentegen een vooraf afgesproken prijs of tegenprestatie die men betaalt om het legitieme recht te verkrijgen een contract op een correcte manier eenzijdig stop te zetten.

Is een schadebeding met een vaste vergoeding van 100% van de resterende contractwaarde wettelijk?
In overeenkomsten van bepaalde duur tussen ondernemingen wordt een vergoeding ter waarde van 100% van de resterende kosten voor de gehele looptijd in de regel als “kennelijk onevenredig” aan het reële nadeel beschouwd. De wet bestempelt dergelijke buitensporige bedingen als onrechtmatig en nietig.

Wat gebeurt er als de rechtbank het schadebeding in mijn contract nietig verklaart?
Indien het beding nietig wordt verklaard, bent u de torenhoge contractuele vergoeding niet meer verschuldigd. Dit ontslaat de verbrekende partij echter niet van de verplichting om de werkelijk aangerichte schade te vergoeden. De rechter zal de schadevergoeding dan berekenen volgens het gemeen recht of begroten op basis van billijkheid.

Conclusie

De tijden waarin bedrijven in België zich zonder risico konden verschuilen achter draconische schadebedingen in hun kleine lettertjes, zijn voorbij. Het Wetboek van Economisch Recht is streng voor contractuele clausules die de economische balans tussen ondernemingen kennelijk verstoren. Of u nu een contract wil beëindigen of wordt geconfronteerd met een wanbetaler, een correcte juridische strategie is onmisbaar.


Joris Deene

Advocaat-partner bij Everest Advocaten

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics