De correctionele rechtbank te Leuven heeft op 22 april 2025 twee Spaanse journalisten schuldig bevonden aan het schenden van de privacy van de Catalaanse politici Carles Puigdemont en Toni Comín. De rechtbank oordeelde dat het filmen van hun privéberichten, ondanks de politieke relevantie, een onaanvaardbare inbreuk vormde op het recht op privacy. Dit vonnis benadrukt dat persvrijheid niet absoluut is en de strafwet moet respecteren bij het vergaren van informatie.
De feiten: heimelijke opname tijdens een politiek evenement
Op 30 januari 2018 waren de Spaanse journalisten Luis Navarro Montoro en Fernando Hernández Remos aanwezig op een politieke bijeenkomst in Leuven. Ze bevonden zich net achter Toni Comín en filmden stiekem berichten op zijn smartphone van Carles Puigdemont. De inhoud van deze berichten, waarin Puigdemont twijfel uitte over zijn politieke rol, was uiterst gevoelig en werd de volgende dag verspreid via een populair Spaans actualiteitsprogramma. Dit leidde tot aanzienlijke politieke en persoonlijke schade voor beide politici.
De beslissing: privacy weegt zwaarder dan persvrijheid
De journalisten werden vervolgd voor het onwettig onderscheppen, kennisnemen en opnemen van niet-publieke communicatie, zoals vastgelegd in artikel 314bis, §1, 1° van het Strafwetboek. De verdediging voerde aan dat Comín onzorgvuldig handelde, wat als impliciete toestemming kon worden gezien, en dat de publicatie in het algemeen belang was. Ze betwistten bovendien de bevoegdheid van de correctionele rechtbank, omdat het een drukpersmisdrijf zou betreffen.
De rechtbank verwierp al deze argumenten:
- Geen drukpersmisdrijf: Omdat de vervolging specifiek ging over de manier waarop de informatie werd verkregen (het filmen), en niet over de verspreiding ervan, was er geen sprake van een drukpersmisdrijf.
- Geen impliciete toestemming: De rechtbank stelde vast dat de journalisten heimelijk te werk moesten gaan om de opname te maken en dat zelfs bij onzorgvuldig handelen van het slachtoffer, hieruit geen impliciete toestemming kan worden afgeleid om kennis te nemen van de privécommunicatie.
- Privacy versus persvrijheid: De rechtbank oordeelde dat de inbreuk op het recht op privacy zwaarder doorwoog dan het recht op vrijheid van meningsuiting en persvrijheid. De journalisten hadden doelbewust technische middelen ingezet om privécommunicatie te bemachtigen. Het feit dat de politici publieke figuren zijn, was geen reden om deze verregaande inbreuk te rechtvaardigen.
De rechter sprak een eenvoudige schuldigverklaring uit, mede vanwege de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak. Daarnaast kende de rechtbank een morele schadevergoeding van €3.500 toe aan elke politicus, en een rechtsplegingsvergoeding van €1.412,79, waarbij erkend werd dat de publicatie leidde tot aanzienlijke morele schade en zelfs haatberichten tegen Comín.
Juridische analyse en duiding
Dit vonnis van de Leuvense correctionele rechtbank illustreert de delicate balans tussen twee fundamentele rechten: de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid (artikel 10 EVRM) en het recht op privacy (artikel 8 EVRM). De uitspraak sluit aan bij de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), dat stelt dat journalisten in beginsel de strafwet moeten respecteren bij het vergaren van informatie. Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 28 april 2021 bovendien bevestigd dat persvrijheid geen absoluut recht is en heeft een journalist veroordeeld voor het afluisteren van een privégesprek.
De kern van de redenering van de rechtbank is de ratio decidendi: de wijze waarop de informatie is verkregen. Het vonnis benadrukt dat zelfs als informatie van publiek belang is, de middelen om die informatie te bemachtigen legaal moeten zijn. Het illegale bemachtigen van de informatie via artikel 314bis van het Strafwetboek is een onafhankelijk strafbaar feit, los van de eventuele strafbaarheid van de verspreiding. De rechtbank oordeelde dat de inbreuk op het recht op privacy zwaarder doorwoog, met de nadruk op de sluwe en doelbewuste wijze van handelen door de journalisten. Dit staat in contrast met de gevallen waarin het EHRM de persvrijheid liet primeren, zoals in de zaak Fressoz en Roire t. Frankrijk, waar de onthulling van salarisgegevens van een bedrijfsleider direct bijdroeg aan het publieke debat over loonbeleid. Het Leuvense vonnis wijst daarentegen de ongeoorloofde methode van vergaren af, ongeacht het belang van de inhoud.
Wat dit concreet betekent
- Voor journalisten en de pers: Dit vonnis is een duidelijke herinnering dat het recht op persvrijheid grenzen kent. Het vergaren van informatie mag niet ten koste gaan van fundamentele rechten zoals de privacy. Journalisten moeten zich bewust zijn van de strafbaarheid van methoden die de privésfeer schenden, zoals stiekem filmen, afluisteren of hacken (zoals in de zaak Schild & Vrienden), zelfs als de informatie van groot maatschappelijk belang is. Het vonnis benadrukt dat de onwettige daad van bemachtiging op zichzelf voldoende is voor een veroordeling.
- Voor publieke figuren: Het vonnis bevestigt dat ook politici en andere publieke figuren recht hebben op privacy. Hun publieke functie heft dit recht niet op. Privécommunicatie blijft beschermd, zelfs als de inhoud politiek relevant is. Dit biedt hen een juridische basis om zich te verdedigen tegen onrechtmatige inbreuken op hun persoonlijke levenssfeer.
- Voor de maatschappij: Het vonnis beschermt het recht op privacy van iedereen, inclusief invloedrijke personen, en stelt paal en perk aan potentieel vergaande journalistieke methoden. Het vonnis toont een belangrijke afweging in een democratische samenleving, waar de pers een cruciale rol speelt maar niet onbegrensd kan opereren.
FAQ (Veelgestelde Vragen)
1. Is persvrijheid dan niet meer beschermd in België?
Persvrijheid blijft een hoeksteen van onze rechtsstaat. Dit vonnis stelt echter dat de persvrijheid niet absoluut is en de strafwet moet respecteren. Het is een afweging van belangen waarbij in dit specifieke geval het recht op privacy zwaarder woog door de onwettige wijze waarop de informatie werd verkregen.
2. Wat is het verschil tussen een persmisdrijf en een gewoon misdrijf, zoals in dit geval?
Een persmisdrijf betreft strafbare feiten die worden gepleegd door de verspreiding van informatie via de pers (bijvoorbeeld smaad, laster, aanzetten tot haat). De vervolging en berechting van een drukpersmisdrijf is de bevoegdheid van het Hof van Assisen en niet van de correctionele rechtbank. In dit geval ging de vervolging niet over de verspreiding, maar over de onrechtmatige wijze waarop de informatie werd bemachtigd. De dader wordt dus vervolgd voor de handeling van het filmen en niet voor het publiceren. Daarom was de correctionele rechtbank wel bevoegd.
3. Waarom kreeg de schadevergoeding van de rechtbank in de zaak van de Catalaanse politici kritiek?
Sommige commentatoren hadden kritiek op het feit dat de rechtbank de politieke imagoschade meewoog in de bepaling van de schadevergoeding. Zij stelden dat de rechtbank zich beter had beperkt tot de loutere inbreuk op de privacy, zonder de politieke gevolgen mee te rekenen.
Conclusie
Dit vonnis bevestigt het belang van privacy, zelfs in het publieke domein van de politiek. Het herinnert journalisten aan hun verantwoordelijkheid om ethisch en binnen de grenzen van de wet te handelen bij het vergaren van informatie. Het evenwicht tussen persvrijheid en de bescherming van de privacy is een constante uitdaging, en dit vonnis toont aan dat de Belgische rechtspraak dit evenwicht nauwlettend bewaakt.



