Nee. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen, oordeelde op 1 september 2026 in kort geding dat artikel VII.43 van het Wetboek van economisch recht de bank verplicht om het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie voorlopig en onmiddellijk terug te betalen, en dat noch het lopende strafonderzoek, noch een beding over schuldvergelijking, noch een kantonnement die terugbetaling mogen uitstellen. De zaak betrof een gepensioneerd echtpaar van 80 en 87 jaar dat op 19 januari 2026 het slachtoffer werd van bankhelpdeskfraude en 49.050 euro naar Portugal zag verdwijnen. De bank weigerde op 9 april 2026 tussen te komen en werd nu veroordeeld tot creditering met valutadatum 19 januari 2026.
In het kort:
- De voorzitter veroordeelde de bank op grond van artikel VII.43 van het Wetboek van economisch recht tot terugbetaling van 49.050 euro door creditering van de rekeningen met valutadatum 19 januari 2026, en sloot het kantonnement uit.
- Het beding in het algemeen reglement van de bank dat conventionele schuldvergelijking toelaat met “al dan niet opeisbare” vorderingen, is volgens de voorzitter strijdig met de wet zodra het de voorlopige terugbetaling blokkeert.
- Wie eerst 90 dagen op Ombudsfin wacht en anderhalve maand na het antwoord van de bank dagvaardt, verliest volgens de voorzitter de spoedeisendheid niet.
De feiten
Op 19 januari 2026 was een vrouw van 80 op het reserveringsplatform Booking aan het kijken toen zij op haar gsm werd opgebeld door iemand die zich voordeed als een medewerker van haar bank. De beller verwees naar haar activiteit op Booking, kende de naam van haar vaste bankmedewerker, en het logo en de naam van de bank verschenen bij de oproep. Zij en haar echtgenoot van 87 verkeerden naar eigen zeggen in de overtuiging dat de bank hen hielp om verdachte transacties stop te zetten en terug te draaien.
Later die dag stelden zij vast dat twee overschrijvingen van hun rekeningen waren vertrokken naar onbekende rekeningen in Portugal, samen 49.050 euro. Zij belden dezelfde dag de fraudelijn van de bank en Card Stop, dienden een klacht in bij de politie in Spanje en op 30 januari 2026 ook in België.
Daarna volgde een lange stilte. Pas op 9 april 2026 liet de bank per e-mail weten dat zij niet zou tussenkomen. Het echtpaar diende een klacht in bij Ombudsfin, die op 20 april 2026 de ontvangst bevestigde, en wachtte de behandelingstermijn van 90 dagen af. Hun raadsman stelde de bank op 7 mei 2026 in gebreke; de bank antwoordde op 16 juni 2026. Op 4 augustus 2026 volgde de dagvaarding in kort geding, met een inleidingszitting op 7 augustus en een pleitzitting op 21 augustus 2026.
De eisers vorderden de terugbetaling van 49.050 euro op grond van artikel VII.43 van het Wetboek van economisch recht (WER), met verwijlinteresten vanaf 19 januari 2026. De bank vroeg de vordering ongegrond te verklaren. Ondergeschikt vroeg zij dat de voorlopige tenuitvoerlegging afhankelijk zou worden gemaakt van een zekerheid, in de vorm van een kantonnement of een andere persoonlijke of zakelijke zekerheid. Op de rekeningen van het echtpaar stond volgens de bank nog 61.536,50 euro.
De beslissing
De voorzitter behandelde vijf onderscheiden vragen en beantwoordde ze alle in het voordeel van het echtpaar .
Waarom de vordering tot voorlopige terugbetaling spoedeisend was
Een vordering in kort geding is de procedure voor de voorzitter van de rechtbank die, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak doet zonder de rechten van de partijen definitief vast te leggen (artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.)). De bank betwistte die spoedeisendheid: de eisers legden geen stukken over die hun financiële nood aantoonden, zij hadden nog ruim 61.000 euro op hun rekeningen, en zij hadden bijna drie maanden getalmd om te dagvaarden.
De voorzitter volgde een dubbele redenering. Ten eerste volgt de spoedeisendheid volgens hem uit de aard van de maatregel zelf. De wetgever heeft de terugbetaling “onmiddellijk” en “uiterlijk aan het einde van de eerstvolgende werkdag” opgelegd, precies omdat hij ervan uitging dat het ontbreken van die terugbetaling ernstige ongemakken meebrengt. Een vraag tot herstel van de bankrekening is daardoor uit haar aard dringend.
Ten tweede vond de voorzitter de spoedeisendheid ook concreet bewezen. Mensen van 80 en 87 die de helft van hun spaargeld verliezen, maken aannemelijk dat zij niet meer kunnen beschikken over de middelen voor hun woning en verzorging. Dat de fraudeurs de rekeningen niet volledig hadden leeggemaakt, veranderde daar niets aan.
Het verwijt van getalm werd verworpen. De eisers hadden de urgentie niet zelf gecreëerd: de bank had pas op 9 april 2026 geantwoord, en het echtpaar mocht daarna eerst de tussenkomst van Ombudsfin afwachten. Nu de wet de last om te procederen bij de bank legt, kon het bejaarde eisers volgens de voorzitter niet worden verweten dat zij eerst soelaas zochten bij de ombudsdienst en pas na de 90 dagen naar de rechter stapten. Een dagvaarding anderhalve maand na het antwoord van de bank van 16 juni 2026 was niet laattijdig.
Waarom de overschrijvingen niet-toegestane betalingstransacties waren
Een betalingstransactie is toegestaan wanneer de betaler heeft ingestemd met de uitvoering van de betalingsopdracht, en zonder die instemming is zij niet toegestaan (artikel VII.32, § 1 en § 2 WER). De bank hield voor dat er geen aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bestond dat het om niet-toegestane transacties ging, omdat de fraudeconstellatie nog niet volledig aan het licht was gekomen en omdat de eisers de transacties hadden gevalideerd met hun debetkaart, kaartlezer en geheime code.
De voorzitter draaide dat argument om. Dat de bank zelf toegeeft dat de werkwijze van de fraudeurs nog onduidelijk is, betekent dat zij niet aantoont dat de transacties ogenschijnlijk werden toegestaan. En authenticatie is geen instemming: het bewijs dat een betaalinstrument met bijbehorende code is gebruikt, bewijst niet dat de betaler zelf het instrument heeft gebruikt en dus niet dat hij heeft ingestemd (artikel VII.42 WER). De eisers hadden nooit de opdracht gegeven om een bepaald bedrag naar een bepaalde rekening over te maken; in de contacten met de fraudeur werden hun gegevens ontfutseld.
De voorzitter trok daarbij een scherpe lijn. Wie het slachtoffer is van phishing en persoonlijke beveiligingsgegevens meedeelt aan een fraudeur die daarmee zelf een betaling initieert, heeft geen instemming gegeven. Wie daarentegen met een list wordt overtuigd om zelf de betalingsopdracht te geven, zoals bij factuurfraude, verricht wél een toegestane transactie. Dit dossier viel volgens de voorzitter prima facie in de eerste categorie.
Waarom de grove nalatigheid van de betalers hier niet meetelde
De bank voerde aan dat de eisers hun verplichtingen met grove nalatigheid hadden miskend en dat zij in het geschil ten gronde alle verliezen zouden moeten dragen op grond van artikel VII.44 WER. De voorzitter achtte die discussie irrelevant voor de voorlopige terugbetaling.
Hij steunde daarvoor uitdrukkelijk op de conclusie van advocaat-generaal Rantos van 5 maart 2026 in de zaak Tukowiecka (concl. A-G A. Rantos 5 maart 2026, C-70/25). Artikel 73 van de tweede betalingsdienstenrichtlijn (PSD2) regelt de onmiddellijke terugbetaling; artikel 74 regelt enkel wie later, in een procedure, het verlies draagt. De juiste lezing is dat de bank eerst terugbetaalt en pas daarna een vordering kan doen gelden tegen de betaler die nalatig was. De enige uitzondering op de terugbetaling is het sterke vermoeden dat de betaler zelf fraude pleegde, met schriftelijke melding aan de FOD Economie.
De voorzitter herhaalde daarmee wat hij op 26 mei 2026 al had beslist en wat we analyseerden in onze blog over de vraag of de bank na phishing eerst moet terugbetalen. Hij citeerde ook het handboek van Straetmans en Steennot, dat vaststelt dat banken artikel VII.43 WER zelden of nooit naleven, zoals blijkt uit de adviezen van Ombudsfin (G. STRAETMANS en R. STEENNOT, Handboek consumentenbescherming en marktpraktijken, Antwerpen, Intersentia, 2023, 620).
Twee gevolgen trok hij daaruit. De bank moet 19 januari 2026 als valutadatum hanteren, zodat de gevorderde interesten zonder voorwerp zijn. En het verzoek van de bank om de zaak aan te houden tot er duidelijkheid is over de strafprocedure werd afgewezen: de bank was er zelf niet in geslaagd iets te recupereren, dus was het volstrekt niet aannemelijk dat de eisers dat wel hadden gekund.
Waarom de bank de terugbetaling niet mocht verrekenen op grond van haar algemeen reglement
Schuldvergelijking is de figuur waarbij twee partijen die elkaars schuldenaar zijn, hun schulden tegen elkaar wegstrepen; conventionele schuldvergelijking is de variant waarbij partijen die mogelijkheid in hun contract verruimen, bijvoorbeeld tot schulden die nog niet opeisbaar zijn. De bank beriep zich ondergeschikt op zo’n beding in haar Algemeen Reglement van de Verrichtingen. Als zij tot voorlopige terugbetaling gehouden was, dan hadden de eisers een opeisbare vordering op haar, maar had zij zelf een nog niet opeisbare vordering op hen op grond van artikel VII.44 WER. Door verrekening zou de vordering tot terugbetaling dus ongegrond zijn.
De voorzitter verwierp die constructie als een miskenning van het doel van artikel VII.44 WER. In de redenering van de bank zou zij bijna altijd over een niet-opeisbare vordering op haar klanten beschikken en zich zo altijd tegen de onmiddellijke terugbetaling kunnen verzetten. Voor zover de algemene voorwaarden die strekking hebben, zijn zij volgens de voorzitter strijdig met de wet: in het contract tussen bank en cliënt kan de toepassing van artikel VII.43 WER niet worden uitgesloten en kan ervan niet worden afgeweken. De bank moet in een procedure ten gronde de terugbetaling vorderen als zij meent dat de transactie toegestaan was of het gevolg van grove nalatigheid, en zij kan haar verplichting in afwachting daarvan niet opschorten met het argument van de compensatie.
Waarom de bank geen kantonnement of zekerheid kreeg
Het kantonnement is de mogelijkheid voor een veroordeelde partij om het bedrag van de veroordeling niet aan de tegenpartij te betalen maar in bewaring te geven in afwachting van het hoger beroep; de rechter kan het uitsluiten wanneer de vertraging in de betaling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt (artikel 1406 Ger.W.). De bank vroeg in uiterst ondergeschikte orde om de tenuitvoerlegging te koppelen aan een kantonnement of een andere zekerheid.
De voorzitter weigerde. Een kantonnement zou prima facie neerkomen op een omzeiling van artikel VII.43 WER, dat nu net een onmiddellijke en voorlopige terugbetaling voorschrijft door herstel van de getroffen rekening. Bovendien zou de vertraging de eisers wel degelijk aan een ernstig nadeel blootstellen, wat de wetgever veronderstelde en wat de voorzitter voor deze eisers al had vastgesteld. De bank werd ook veroordeeld tot de kosten: 440,74 euro dagvaardingskosten, een rechtsplegingsvergoeding van 3.924,42 euro en 165 euro rolrecht.
Juridische analyse en duiding
Een bank die verrekent met een vordering die zij nog moet winnen
De bank had in dit dossier op 9 april 2026, tachtig dagen na de fraude, met één e-mail laten weten dat zij niet tussenkwam. Toen zij voor de voorzitter stond, kwam zij met een beding uit haar algemeen reglement dat haar toeliet elke schuld aan een cliënt weg te strepen tegen elke eigen vordering, ook een die nog niet opeisbaar is. Toegepast op betaalfraude betekent dat: de bank betaalt niet terug, omdat zij meent dat zij later mag terugvorderen.
De voorzitter noemde dat een omkering van de wet, en die kwalificatie is juridisch sterk. Artikel VII.29 WER geeft de lijst van bepalingen waarvan partijen mogen afwijken wanneer de gebruiker geen consument is; artikel VII.44 staat op die lijst, artikel VII.43 niet. De wetgever heeft de voorlopige terugbetaling dus zelfs tegenover ondernemingen buiten de contractvrijheid gehouden. Een bank die haar via een compensatiebeding tegenover consumenten uitschakelt, doet wat de wet aan geen enkele partij toestaat.
De redenering sluit ook aan bij een oudere gedachte in de rechtsleer. Heeft de bank de rekening voorlopig gecrediteerd en meent zij nadien dat de klant grof nalatig was, dan mag zij de rekening niet eigenhandig opnieuw debiteren: daarvoor heeft zij de instemming van de betaler of een uitvoerbare titel nodig, tenzij de betaler zelf bedrog pleegde (R. STEENNOT, ‘Betaalfraude: a never ending story?’, TBH 2025/1, 83). Wat de bank achteraf niet mag terugnemen, mag zij vooraf niet inhouden. De verrekening was in wezen een poging om die tweede stap alsnog vóór de eerste te zetten.
Kantonnement uitgesloten: een breuk met de bodemrechtspraak, maar een logische
In de gepubliceerde bodemrechtspraak over betaalfraude lukt de uitsluiting van het kantonnement vrijwel nooit. De ondernemingsrechtbank te Leuven weigerde haar in 2021 omdat het nadeel betwist en niet aangetoond was (Orb. Leuven 23 maart 2021, A/20/00352, DBF-BFR 2022/4, 231), en de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel weigerde haar in 2022 zelfs nadat zij had vastgesteld dat de bank haar onmiddellijke terugbetalingsplicht had geschonden (Orb. Brussel (Nl.) 27 oktober 2022, DBF-BFR 2022/4, 247).
Het verschil zit in de aard van de procedure, en dat verdient uitleg. Een vonnis ten gronde kent een definitieve vordering toe; het kantonnement schuift enkel het moment van betaling op, terwijl het recht zelf vaststaat. Een beschikking in kort geding kent daarentegen een maatregel toe die niets anders is dan die betaling: het voorlopig herstel van de rekening, in afwachting van het debat ten gronde. Wie zo’n maatregel laat kantonneren, neemt haar weg. De voorzitter formuleerde dat als een omzeiling van artikel VII.43 WER, en dat is precies wat het is.
Daar komt de wettelijke structuur van het kort geding bij. Beschikkingen in kort geding zijn van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad, en zonder borgtocht tenzij de rechter die uitdrukkelijk beveelt (artikel 1039 Ger.W.). De bank vroeg dus geen recht dat zij had, maar een gunst die de wet als uitzondering opvat. De cijfers uit de rechtsleer verklaren waarom die gunst hier zwaar zou wegen: een uitspraak in eerste aanleg over phishing komt er gemiddeld 528 dagen na de feiten, een arrest in beroep gemiddeld 1.647 dagen (K. DOBBELAERE, ‘Aansprakelijkheid bij phishing-fraude. Visualisatie van een rechtsonzekere procedure’, RW 2024-25, 1534). Voor eisers van 80 en 87 is een kantonnement tot na dat beroep geen uitstel maar een weigering.
De tegenstem: de Brusselse voorzitter en de Europese wetgever schuiven de andere kant op
Wie deze beschikking leest als een vaste regel, mist twee tegenbewegingen. De eerste komt uit Brussel. De voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank oordeelde op 10 juni 2026 dat de onmiddellijkheid van artikel VII.43 WER de spoedeisendheid van artikel 584 Ger.W. niet wettelijk doet vermoeden, en dat de betaler dezelfde voorlopige veroordeling ook voor de bodemrechter kan vragen op grond van artikel 19, derde lid Ger.W., desnoods in korte debatten (Voorz. Orb. Brussel (Nl.) (KG) 10 juni 2026, C/26/00017, onuitg.). Wij vergeleken beide lijnen eerder in onze blog over de spoedeisendheid van de terugbetaling in kort geding.
Die tegenstem weegt minder dan zij lijkt, en de Antwerpse voorzitter heeft er impliciet rekening mee gehouden. Hij steunde niet alleen op de aard van de maatregel maar stelde de urgentie ook concreet vast: leeftijd, de helft van het spaargeld, de behoefte aan middelen voor woning en verzorging. In de Brusselse zaak ging het om een vennootschap met ruime liquiditeiten en een kaskrediet. Het verschil tussen beide beschikkingen is dus voor een groot deel een verschil in dossier, niet in recht. Wat wel blijft: een eiser die zich enkel op de wettelijke termijn beroept en geen enkel stuk over zijn financiële situatie voorlegt, loopt in Brussel een reëel risico.
De tweede tegenbeweging komt van de Europese wetgever. De definitieve compromistekst van de nieuwe betalingsdienstenverordening (PSR), die de Raad op 23 april 2026 publiceerde, laat de bank in artikel 56 toe de onmiddellijke terugbetaling op te schorten wanneer zij objectief gerechtvaardigde redenen heeft om opzet of grove nalatigheid van de betaler te vermoeden en die redenen schriftelijk aan de betaler meedeelt. Zij krijgt dan vijftien werkdagen om ofwel terug te betalen, ofwel haar weigering te motiveren. Dat is precies de uitzondering die advocaat-generaal Rantos onder PSD2 afwees en die de voorzitter hier verwierp.
Toch verandert dat voorlopig niets aan de beslissing, om twee redenen. De verordening is nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad en wordt pas 21 maanden na haar inwerkingtreding van toepassing, realistisch dus in 2028; tot dan blijft Boek VII WER, gelezen in het licht van PSD2, het geldende recht. En zelfs onder de nieuwe tekst zou het gedrag van de bank in dit dossier niet slagen: een stilzwijgen van tachtig dagen gevolgd door een ongemotiveerde e-mail is geen schriftelijke mededeling van objectief gerechtvaardigde redenen binnen vijftien werkdagen. Voor bankhelpdeskfraude met een nagebootst telefoonnummer voegt artikel 59 van diezelfde tekst er trouwens een nieuwe regel aan toe: de bank moet dan zelfs een door de consument zelf goedgekeurde betaling terugbetalen, zodra die de fraude bij de bank en de politie heeft gemeld. De feiten van deze zaak, waarbij het logo en de naam van de bank op het scherm van de gsm verschenen, vallen daar recht in.
Wat betekent dit concreet?
Voor slachtoffers van phishing en bankhelpdeskfraude. Meld de fraude dezelfde dag bij uw bank en bij Card Stop, dien klacht in bij de politie en bewaar elk bewijs van die meldingen; in dit dossier telden de fraudelijn, Card Stop en de klachten in Spanje en België mee voor de tijdigheid. Een klacht bij Ombudsfin en het afwachten van de behandelingstermijn van 90 dagen kost u volgens deze beschikking de spoedeisendheid niet, maar reken niet op dezelfde soepelheid in elk arrondissement. Leg uw financiële situatie vast met stukken: leeftijd, pensioen, geplande uitgaven en het aandeel van het verlies in uw spaargeld, want dat is wat de voorzitter concreet woog. Twijfelt u of uw dossier zich leent voor een kort geding, dan is die spoedeisendheid het eerste wat wij voor u nagaan. Vraag daarnaast altijd de creditering met valutadatum van de dag van de fraude: dat vervangt de interestvordering en het is wat de wet voorschrijft. Op onze kennispagina over de aansprakelijkheid van de bank bij phishing leest u hoe de voorlopige terugbetaling zich verhoudt tot de definitieve verdeling.
Voor ondernemingen die het slachtoffer werden. De voorlopige terugbetaling van artikel VII.43 WER geldt ook voor u; artikel VII.29 WER laat enkel toe dat de bank artikel VII.44 contractueel uitsluit, niet artikel VII.43. Maar de spoedeisendheid moet u harder bewijzen dan een gepensioneerd echtpaar, en de Brusselse voorzitter wees een vennootschap met liquiditeiten af. Overweeg dan de voorlopige maatregel voor de bodemrechter als alternatief, zoals we bespraken in onze blog over de terugbetaling van een frauduleuze overschrijving aan een onderneming.
Voor banken en betalingsdienstaanbieders. Een weigering zonder motivering, maanden na de melding, houdt in kort geding geen stand. Wilt u de terugbetaling opschorten, dan kent de huidige wet één weg: redelijke gronden om fraude van de betaler zelf te vermoeden, schriftelijk gemeld aan de FOD Economie. Een compensatiebeding in het algemeen reglement is geen tweede weg, en een vraag tot kantonnement in kort geding evenmin. De discussie over grove nalatigheid voert u in de bodemprocedure, waar u zelf als eiser optreedt en de bewijslast draagt; hoe streng die toets is sinds het Hof van Cassatie zich erover uitsprak, leest u in onze blog over grove nalatigheid bij phishing. Wie zich op de komende betalingsdienstenverordening voorbereidt, doet er goed aan nu al een procedure op te zetten die binnen vijftien werkdagen een gemotiveerd en schriftelijk antwoord oplevert.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Mag de bank terugbetaling na phishing weigeren zolang zij denkt dat ik grof nalatig was?
Nee, niet onder het huidige recht. Artikel VII.43 WER verplicht de bank om een niet-toegestane betalingstransactie onmiddellijk en uiterlijk de volgende werkdag terug te betalen. De enige uitzondering is een redelijk vermoeden dat u zelf fraude pleegde, schriftelijk gemeld aan de FOD Economie. Een vermoeden van grove nalatigheid hoort thuis in de definitieve aansprakelijkheidsverdeling van artikel VII.44 WER, die de bank in een procedure ten gronde moet afdwingen. Zo oordeelden de Antwerpse voorzitter op 26 mei en 1 september 2026 en adviseerde advocaat-generaal Rantos op 5 maart 2026.
Mag mijn bank het terugbetaalde bedrag verrekenen met wat zij later van mij denkt te kunnen terugvorderen?
Volgens de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen niet. Een beding in het algemeen reglement dat schuldvergelijking toelaat met nog niet opeisbare vorderingen, is strijdig met de wet zodra de bank het gebruikt om de voorlopige terugbetaling te blokkeren. Anders zou de bank bijna altijd een vordering op haar klant kunnen inroepen en zou de terugbetalingsplicht dode letter worden. Meent de bank dat u aansprakelijk bent, dan moet zij dat zelf ten gronde vorderen; zij mag intussen niet inhouden en evenmin eigenhandig opnieuw debiteren.
Wat is een kantonnement en kan de bank er zich in kort geding op beroepen?
Een kantonnement laat een veroordeelde partij toe het bedrag van de veroordeling in bewaring te geven in plaats van het te betalen, in afwachting van het hoger beroep. De rechter kan het uitsluiten wanneer de vertraging de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt (artikel 1406 Ger.W.). In bodemprocedures over phishing wordt die uitsluiting zelden toegekend. In kort geding oordeelde de Antwerpse voorzitter op 1 september 2026 anders: een kantonnement zou de voorlopige terugbetaling zelf wegnemen en dus artikel VII.43 WER omzeilen, en de bejaarde eisers leden een ernstig nadeel.
Verlies ik de spoedeisendheid van een kort geding als ik eerst naar Ombudsfin ga?
Volgens deze beschikking niet. De eisers dienden na de weigering van de bank van 9 april 2026 een klacht in bij Ombudsfin, wachtten de behandelingstermijn van 90 dagen af en dagvaardden op 4 augustus 2026, anderhalve maand na het antwoord van de bank op hun ingebrekestelling. De voorzitter vond dat niet laattijdig, omdat de wet de last om te procederen bij de bank legt en het slachtoffers niet kwalijk kan worden genomen dat zij eerst een buitengerechtelijke oplossing zochten. Andere voorzitters kunnen strenger zijn, dus documenteer elke stap en uw financiële situatie.
Conclusie
De voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Antwerpen bevestigt de lijn van 26 mei 2026 en scherpt haar aan. De bank moet een niet-toegestane betalingstransactie voorlopig terugbetalen met valutadatum van de dag van de fraude, en zij kan die terugbetaling niet uitstellen door te verwijzen naar het strafonderzoek, door een compensatiebeding uit haar algemeen reglement in te roepen of door een kantonnement te vragen. De grove nalatigheid van het slachtoffer wordt in België pas beoordeeld in de procedure ten gronde, waar de bank zelf moet optreden. De Brusselse rechtspraak en de komende Europese betalingsdienstenverordening tonen dat de discussie niet gesloten is, maar tot de nieuwe verordening van toepassing wordt, blijft dit het geldende kader.
ICT Rechtswijzer is het kennisplatform van het departement intellectuele eigendom, IT-recht, AI-recht, gegevensbescherming en mediarecht van Everest Advocaten, onder leiding van mr. Joris Deene. Onze advocaten begeleiden slachtoffers van phishing en bankhelpdeskfraude bij het afdwingen van de voorlopige terugbetaling door de bank, in kort geding of voor de bodemrechter, en bij het verweer tegen de grove nalatigheid die de bank daarna inroept.



