Hoe voorkomt en beslecht u acquisitiegeschillen bij een bedrijfsovername in België?

Een succesvolle aandelentransactie vereist een feilloze juridische afbakening van de allereerste precontractuele onderhandelingen tot de finale post-closing integratie. Pre- en post-acquisitiegeschillen ontstaan doorgaans door een schending van de informatieplicht, onduidelijke earn-out clausules of fundamentele inbreuken op contractuele garanties. Een doordachte Share Purchase Agreement (SPA), die anticipeert op de ingrijpende recente hervormingen van het Belgisch Burgerlijk Wetboek, vormt het ultieme instrument om deze risico’s te mitigeren en complexe aansprakelijkheden te beheersen.

De precontractuele fase en de grenzen van de onderhandelingsvrijheid

De genese van elke aandelentransactie bevindt zich in de precontractuele fase, een delicate periode waarin intentieverklaringen (Letters of Intent of Term Sheets), geheimhoudingsovereenkomsten (Non-Disclosure Agreements) en exclusiviteitsbedingen de initiële krijtlijnen uittekenen. Het absolute basisbeginsel in deze fase is de contractvrijheid, maar deze vrijheid wordt door de wetgever en de rechtspraak steeds strikter ingekaderd.

De dynamiek van de contractvrijheid en de goede trouw

Volgens artikel 5.14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat het iedere partij in beginsel vrij om al dan niet een contract te sluiten en een medecontractant te kiezen, zonder de redenen voor die keuze te moeten verantwoorden. Deze essentiële vrijheid wordt verder verankerd in artikel 5.15 BW, dat expliciet stelt dat partijen vrij zijn om precontractuele onderhandelingen aan te vatten, te voeren en af te breken. In de context van complexe bedrijfsovernames is deze vrijheid cruciaal; partijen moeten de mogelijkheid behouden om zich terug te trekken indien tijdens het boekenonderzoek onoverkomelijke risico’s aan het licht komen.

Deze vrijheid is echter niet absoluut. Zodra partijen met elkaar in onderhandeling treden, treden zij onvermijdelijk in elkaars rechtssfeer en dienen zij te handelen in overeenstemming met de eisen van de goede trouw. Het afbreken van onderhandelingen vormt pas een onrechtmatige daad (een precontractuele fout of culpa in contrahendo) wanneer dit gebeurt op een wijze die kennelijk de grenzen van een normale uitoefening van de onderhandelingsvrijheid overschrijdt. De ultieme toetssteen voor de rechter is het gedrag van een normaal, zorgvuldig persoon geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden.

Legitieme economische of commerciële motieven verantwoorden in de regel een stopzetting van de gesprekken. Men kan hierbij denken aan een substantieel hoger bod van een derde partij, het ontdekken van een aanzienlijk fiscaal passief tijdens de due diligence, of een plotse, fundamentele verslechtering van de marktomstandigheden. Echter, wanneer onderhandelingen zich in een vergevorderd stadium bevinden – bijvoorbeeld nadat het due diligence-onderzoek zonder materiële bevindingen is afgerond, de bancaire financiering reeds is aangevraagd en de concept-SPA reeds in detail is uitgewerkt en goedgekeurd door de respectievelijke bestuursorganen – stelt de partij die de gesprekken abrupt en zonder transparante motivering afbreekt, zich bloot aan precontractuele aansprakelijkheid. De aanwezigheid van voorafgaande akkoorden zoals een exclusiviteitsovereenkomst creëert bovendien een verhoogd verwachtingspatroon, waardoor een rechter sneller zal besluiten dat het legitiem gewekte vertrouwen van de wederpartij op foutieve wijze werd geschonden.

Schadebegroting bij afgebroken onderhandelingen: negatief versus positief contractbelang

Indien de rechtbank oordeelt dat het afbreken van de onderhandelingen effectief een fout uitmaakt, rijst onmiddellijk de vraag naar de omvang van de te vergoeden schade. Artikel 5.17 BW codificeert de sancties voor deze precontractuele aansprakelijkheid en schept duidelijkheid in een historisch sterk gedebatteerd domein.

De hoofdregel binnen het Belgische verbintenissenrecht is de vergoeding van het negatief contractbelang. Dit herstelmechanisme impliceert dat de benadeelde partij financieel moet worden teruggeplaatst in de hypothetische situatie waarin deze zich zou hebben bevonden indien er nooit was onderhandeld, of indien de fout (het onrechtmatig afbreken) zich niet had voorgedaan. In de praktijk van fusies en overnames omvat dit doorgaans de nutteloos gemaakte out-of-pocket kosten. Dit betreft onder meer de aanzienlijke honoraria voor gespecialiseerde M&A-advocaten, bedrijfsrevisoren, fiscaal adviseurs en milieu-experts die specifiek voor het due diligence-onderzoek en de contractredactie werden ingeschakeld. Enkel de kosten die in een causaal verband staan met de foutieve afbreking komen voor vergoeding in aanmerking; reguliere interne werkingskosten worden zelden weerhouden.

Een vergoeding van het positief contractbelang gaat aanzienlijk verder. Hierbij wordt de benadeelde partij geplaatst in de economische situatie alsof de Share Purchase Agreement effectief en rechtsgeldig was gesloten, wat de vergoeding van de gederfde winst (lucrum cessans) en de verwachte synergievoordelen omvat. De wetgever heeft in artikel 5.17, tweede lid BW uitdrukkelijk bepaald dat dit uitzonderlijke herstelmechanisme enkel mogelijk is wanneer bij de benadeelde partij het rechtmatig vertrouwen was gewekt dat het contract “zonder enige twijfel” gesloten zou worden. Gelet op de inherente complexiteit, de talloze opschortende voorwaarden en de finale beslissingsmacht van aandeelhouders bij aandelentransacties, is de bewijslast voor dit positief contractbelang bijzonder zwaar en zal dit slechts in zeer marginale uitzonderingsgevallen worden toegekend. Bovendien rust er op de schadelijdende partij steeds een wettelijke schadebeperkingsplicht, wat inhoudt dat zij alle redelijke maatregelen moet nemen om de financiële impact van de afgebroken deal te minimaliseren.

De precontractuele informatieplicht en de dynamiek van het due diligence-onderzoek

De absolute kern van de precontractuele fase bij een overname van aandelen (“share deal”) wordt gevormd door de informatie-asymmetrie tussen koper en verkoper. De verkopende aandeelhouder kent de doelvennootschap doorgaans door en door, inclusief haar latente gebreken, terwijl de koper volledig afhankelijk is van de verstrekte informatie om de economische waarde en de juridische risico’s accuraat in te schatten.

Het spanningsveld tussen de mededelingsplicht en de onderzoeksplicht

Het nieuwe verbintenissenrecht heeft de informatieverplichtingen expliciet gecodificeerd. Artikel 5.16 BW stelt dat partijen elkaar tijdens de precontractuele onderhandelingen de inlichtingen verstrekken die de wet, de goede trouw en het gebruik verlangen, rekening houdend met de hoedanigheid van de partijen, hun redelijke verwachtingen en het voorwerp van de overeenkomst. Er bestaat in het Belgische recht echter geen absolute, allesomvattende informatieplicht waarbij de verkoper proactief zijn volledige archief moet openbaren. De mededelingsplicht van de verkoper begint conceptueel gezien pas waar de onderzoeksplicht van de koper eindigt.

Van een professionele koper, zeker wanneer deze wordt bijgestaan door een arsenaal aan gespecialiseerde juridische, financiële en technische adviseurs, wordt verwacht dat deze een grondig en doortastend due diligence-onderzoek uitvoert. De koper heeft weliswaar geen algemene verificatieplicht om elk verstrekt document op zijn absolute waarheid te controleren, maar indien er tijdens het onderzoek duidelijke signalen of ‘red flags’ opduiken die wijzen op onregelmatigheden, herleeft de plicht om dieper te graven. Indien een koper deze signalen negeert, of bewust kiest voor een zeer oppervlakkig boekenonderzoek om tijd of kosten te besparen, zal een latere vordering wegens precontractuele aansprakelijkheid of bedrog in hoofde van de verkoper fundamenteel bemoeilijkt worden. De rechtbanken oordelen strenger voor kopers die, ondanks professionele begeleiding, een onzorgvuldig onderzoek voerden.

Daartegenover staat de actieve spreekplicht van de verkoper. Deze plicht activeert zich met betrekking tot alle elementen waarvan de verkoper weet, of redelijkerwijs behoort te weten, dat deze van doorslaggevend belang zijn voor de koper om de transactie al dan niet, of tegen fundamenteel andere financiële voorwaarden, te sluiten. Het opzettelijk verzwijgen van het verlies van een cruciale leverancier, het achterhouden van een dreigende milieuclaim of het verhullen van een nakende fiscale controle, vormt een flagrante schending van deze spreekplicht en opent de deur naar vernietiging van de overeenkomst wegens wilsgebreken of naar substantiële schadevergoedingen.

Bewijsrechtelijke revolutie: het bewijs van “negatieve feiten” onder Boek 8

In post-acquisitiegeschillen die draaien rond de precontractuele informatie-uitwisseling, vormt de bewijslast steevast een van de grootste en meest frustrerende struikelblokken voor de eisende partij. Een koper die beweert dat bepaalde cruciale financiële of commerciële informatie tijdens de due diligence werd achtergehouden, stuit in het klassieke recht op de quasi onmogelijke taak om een “negatief feit” te bewijzen (namelijk het bewijzen dat iets niet is gebeurd, of dat een document niet is meegedeeld).

Sinds de inwerkingtreding van Boek 8 “Bewijs” in het Burgerlijk Wetboek, biedt de wetgever hier een uiterst welkome en pragmatische uitweg. Waar de algemene bewijsstandaard voorschrijft dat het bewijs met een “redelijke mate van zekerheid” moet worden geleverd (artikel 8.5 BW), introduceert artikel 8.6 BW een uitzonderingsregime voor oneindig negatieve feiten. Dit artikel stelt expliciet dat de partij die de bewijslast draagt van een negatief feit, genoegen kan nemen met het aantonen van de “waarschijnlijkheid” van dat feit.

Deze verlaging van de bewijsstandaard is van kapitaal belang in M&A-litigatie. Indien de koper kan aantonen dat het uiterst waarschijnlijk is dat een specifiek, nadelig document nooit in de virtuele dataroom is opgeladen (bijvoorbeeld door het overleggen van dataroom-logs, communicatieoverzichten en getuigenverklaringen van de due diligence adviseurs), verschuift de bewijslast de facto naar de verkoper. De verkoper zal dan met positieve bewijselementen moeten aantonen dat de informatie wél ter beschikking werd gesteld. Het is dan ook een absolute noodzaak voor verkopers om dataroom-indexen minutieus te archiveren en te hechten aan de finale overnameovereenkomst.

De strategische opbouw van de Share Purchase Agreement (SPA)

Nadat het due diligence-onderzoek is voltooid en de commerciële parameters zijn gefixeerd, kristalliseren de afspraken zich in de Share Purchase Agreement (SPA). De redactie van deze complexe overeenkomst vereist niet alleen extreme precisie, maar ook vooruitziendheid en een diepgaand begrip van de interactie met het dwingende en aanvullende verbintenissenrecht.

De preambule als onmisbaar interpretatief fundament

Hoewel de preambule (of de voorafgaande overwegingen) in de perceptie van veel partijen louter een formalistische inleiding vormt, neemt het belang ervan in de hedendaagse Belgische overnamepraktijk toe. De preambule bevat doorgaans geen direct afdwingbare verbintenissen, maar kleurt de interpretatie van de gehele overeenkomst door de rechter en definieert de contextuele intenties van de partijen.

In de context van het nieuwe verbintenissenrecht dient de preambule strategisch te worden ingezet om latere buitencontractuele of contractuele claims te neutraliseren. Door in de preambule expliciet te bevestigen dat partijen langdurig en evenwichtig hebben onderhandeld, dat zij zich door gespecialiseerde professionals lieten bijstaan, dat er een uitgebreide data room ter beschikking was gesteld en dat de koper de kans kreeg om een exhaustieve due diligence uit te voeren, anticipeert men op potentiële vorderingen. Een dergelijke gedetailleerde situatieschets bemoeilijkt bijvoorbeeld aanzienlijk een later beroep op de pas gecodificeerde leer van de “gekwalificeerde benadeling” of misbruik van omstandigheden (artikel 5.37 BW), waarbij een partij zou claimen dat de andere misbruik maakte van haar onervarenheid of zwakke positie. Eveneens biedt het een krachtige dam tegen de toepassing van de algemene regeling inzake onrechtmatige bedingen (artikel 5.52 BW), aangezien het aantoont dat de bedingen het resultaat zijn van werkelijke en gelijkwaardige onderhandelingen.

Verklaringen en waarborgen (representations & warranties)

De ruggengraat van de contractuele risico-allocatie in een aandelentransactie wordt gevormd door de verklaringen en waarborgen, beter gekend als de representations and warranties. Aangezien de wettelijke regeling inzake de koop-verkoop de koper zeer beperkt beschermt (de vrijwaring voor verborgen gebreken heeft bij een share deal in beginsel enkel betrekking op de aandelen zelf als juridisch goed, en niet op de onderliggende activa, passiva of operationele staat van de vennootschap), zijn deze gedetailleerde contractuele garanties absoluut onontbeerlijk.

In de Belgische rechtspraktijk wordt algemeen aanvaard dat de verstrekte garanties in een SPA kwalificeren als resultaatsverbintenissen. Dit heeft verregaande juridische consequenties: een inbreuk op een waarborg veronderstelt immers niet noodzakelijk een toerekenbare “fout” van de verkoper. Het loutere objectieve feit dat de gegarandeerde toestand (bijvoorbeeld de afwezigheid van hangende rechtszaken of de correcte betaling van alle belastingen) niet overeenstemt met de werkelijkheid, volstaat om de vergoedingsplicht ten aanzien van de koper te activeren. De verkoper kan zich bijgevolg niet bevrijden door zich te beroepen op overmacht of onwetendheid (tenzij de garantie expliciet werd gekwalificeerd met een knowledge qualifier zoals “voor zover de verkoper redelijkerwijs bekend”).

De garanties worden in een professionele SPA doorgaans onderverdeeld in drie grote categorieën, elk met hun eigen aansprakelijkheidsregime:

CategorieKenmerken en voorbeeldenImpact op aansprakelijkheidsbeperkingen
Fundamentele waarborgen (Fundamental Warranties)Betrekking op de absolute juridische essentie van de transactie. Voorbeelden: de verkoper bezit de onbetwiste eigendom van de aandelen, de aandelen zijn vrij van pandrechten of beslagen, en de verkoper is rechtsgeldig bevoegd om de transactie aan te gaan.In de regel niet of nauwelijks onderworpen aan commerciële beperkingen (geen caps of baskets). Verjaringstermijnen volgen veelal het gemeen recht (tot 10 jaar).
Zakelijke waarborgen (business/commercial warranties)Betrekking op de operationele realiteit en de staat van de onderneming. Voorbeelden: conformiteit van de jaarrekeningen, correcte naleving van milieuwetgeving, afwezigheid van belangrijke onvoorziene geschillen, geldigheid van intellectuele eigendomsrechten.Onderworpen aan zeer strikte en uitgebreide aansprakelijkheidsbeperkingen, zoals de minimis drempels, baskets, maximale bedragen (caps) en korte vervaltermijnen (doorgaans 12 tot 24 maanden).
Specifieke vrijwaringen (specific indemnities)Maatwerk voor concrete, reeds geïdentificeerde risico’s die tijdens de due diligence aan het licht kwamen. Voorbeeld: een hangende betwisting met de fiscus of een lopende bodemsaneringsprocedure waarvan men de exacte financiële impact nog niet kent.Meestal expliciet uitgesloten van de algemene beperkingen. Voorziet in een specifieke euro-voor-euro compensatiemechanisme zodra het risico zich daadwerkelijk materialiseert, ongeacht drempelbedragen.

De bevrijdende werking van informatie (disclosure)

Een belangrijk onderhandelingspunt voor de verkoper is de zogenaamde disclosure of de bevrijdende werking van de verstrekte informatie. Om te voorkomen dat de koper na de overname claimt voor zaken die hij eigenlijk al wist, zal de verkoper eisen dat alle informatie die werd meegedeeld tijdens het boekenonderzoek, kwalificeert als een uitzondering op de garanties. Een inbreuk op een verklaring kan in dat geval niet worden ingeroepen indien de koper via de dataroom of de formele disclosure letter reeds op de hoogte was van de onjuistheid of het onderliggende risico.

Kopers zullen hiertegen ageren door te eisen dat de bevrijdende werking strikt beperkt blijft tot informatie die niet alleen in de dataroom zat, maar daar ook gestructureerd, leesbaar en op een traceerbare wijze werd ontsloten. Men wil hiermee de techniek van data dumping vermijden, waarbij de verkoper in de laatste uren voor signing duizenden ongesorteerde documenten uploadt om zich in te dekken.

Aansprakelijkheidsbeperkingen (limitations of liability)

Om de blootstelling van de verkoper na de transactie te kwantificeren en te begrenzen, bevat elke volwaardige SPA een complex geheel van kwantitatieve en temporele beperkingen, uitsluitend van toepassing op de zakelijke waarborgen :

  1. De minimis: Dit betreft een drempelbedrag per individuele claim. Elke op zichzelf staande schade of inbreuk die onder dit bedrag valt, wordt volledig genegeerd en telt niet mee voor de berekening van de totale schade. Dit voorkomt dat de verkoper na closing onophoudelijk wordt lastiggevallen met administratieve futiliteiten.
  2. Basket (De Korf): Dit is een cumulatieve schadedrempel. Pas wanneer alle kwalificerende de minimis-claims tezamen deze korf overschrijden, kan de koper tot recuperatie overgaan. Hierbij bestaat een belangrijk onderscheid in de onderhandelingspraktijk: bij een tipping basket (of first dollar basket) kan de koper bij overschrijding het volledige bedrag vanaf de eerste euro recupereren. Bij een deductible basket fungeert de drempel als een vrijstelling, waarbij enkel het schadebedrag dat bóven de drempel uitstijgt, vergoed wordt.
  3. Cap (Maximumbedrag): Het absolute financiële plafond van de aansprakelijkheid van de verkoper, zeer vaak uitgedrukt als een percentage van de totale koopprijs (bijvoorbeeld 10% tot 30% voor commerciële garanties).
  4. Vervaltermijnen: De tijdsspanne waarbinnen claims formeel moeten worden gemeld (vaak 1 tot 3 jaar voor operationele zaken, en tot 5 of 7 jaar voor fiscale en sociale garanties, afhankelijk van de verjaringstermijnen van de fiscus). De rechtspraktijk toont aan dat de juridische formulering van deze verplichting tot kennisgeving uiterst precair is; het niet stipt naleven van de contractuele termijn of de meldingswijze kan leiden tot een absoluut verval van recht voor de koper, wat resulteert in het volledig verlies van zijn vordering.

De earn-out regeling

Wanneer koper en verkoper het niet eens raken over de huidige of toekomstige waardering van de onderneming – een fenomeen dat bijzonder actueel is in volatiele marktomstandigheden – biedt de earn-out clausule een elegante commerciële overbrugging. Bij een earn-out wordt de vaste koopprijs verlaagd, maar gekoppeld aan een voorwaardelijke, uitgestelde betaling die afhankelijk is van de toekomstige financiële of operationele prestaties van de doelvennootschap (meestal gedurende een periode van één tot drie jaar na closing). Vaak wordt deze afgemeten aan doelen zoals EBITDA, netto-omzet of het behalen van specifieke licenties of contracten.

Tegenstrijdige belangen en de prikkel tot manipulatie

Ondanks hun nut als dealmakers, behoren earn-outs ontegensprekelijk tot de meest geprocedeerde elementen in post-acquisitiegeschillen. De angel schuilt in de fundamentele verschuiving van controle. De eigendom en de dagelijkse operationele leiding gaan na closing immers over op de koper, terwijl de verkoper voor een significant deel van zijn opbrengst volledig afhankelijk blijft van het beleid en het succes van de onderneming onder de nieuwe eigenaar.

Zodra de inkt van de SPA droog is, heeft de koper er in theorie (en vaak in de praktijk) financieel baat bij om de resultaten binnen de earn-out periode te sturen, teneinde de bijkomende betaling te minimaliseren of te ontlopen. Dit creëert een enorm risico op manipulatie, waarbij de koper:

  • Geplande grote contracten of factureringen artificieel uitstelt tot net ná de earn-out periode.
  • Substantiële, langetermijninvesteringen of zware afschrijvingen naar voren haalt om de EBITDA in de referentieperiode te drukken.
  • Management fees vanuit de nieuwe moedermaatschappij doorrekent aan de doelvennootschap, wat de winstmarge reduceert.
  • Het strategische businessmodel fundamenteel wijzigt. Bijvoorbeeld: de onderneming schakelt over van directe verkoop (waarbij de winst onmiddellijk wordt gerealiseerd) naar een SaaS- of leasingmodel (waarbij de inkomsten gespreid worden over zeven jaar). Hierdoor vallen de inkomsten grotendeels buiten de overeengekomen earn-out periode.

Contractuele beschermingsmechanismen voor de verkoper

Om dergelijk post-closing opportunisme te counteren, is het voor de verkoper van belang om tijdens de onderhandelingen strikte gedragsnormen en financiële garanties in de SPA op te nemen.

Ten eerste dient de duurtijd van de earn-out in de tijd beperkt te worden, idealiter tot een periode waarin de verkoper zelf nog een actieve management- of adviesrol binnen de vennootschap behoudt, zodat hij daadwerkelijk kan toezien op het beleid en de prestaties kan beïnvloeden. Ten tweede moeten er dwingende negatieve en positieve convenanten worden opgenomen. De koper moet garanderen dat de onderneming wordt voortgezet in lijn met de normale bedrijfsvoering uit het verleden (ordinary course of business consistency), en dat het businessmodel niet materieel zal wijzigen zonder dat er een contractuele heronderhandeling van de earn-out parameters plaatsvindt. Ten slotte vereist de SPA een kristalheldere, wiskundige definitie van de gekozen financiële parameters, waarbij expliciet wordt verwezen naar de toepasselijke Belgische boekhoudnormen (of IFRS) op basis van continuïteit met het verleden. Tevens is het belangrijk om een dwingende procedure voor geschillenbeslechting op te nemen, waarbij onenigheden over de berekening worden voorgelegd aan een bindende beslissing van een onafhankelijke financiële deskundige (bijv. een onafhankelijke bedrijfsrevisor), alvorens er sprake kan zijn van juridische stappen. Een contractueel verbod voor de koper om beweerde schadeclaims (uit hoofde van garantieschendingen) eenzijdig te compenseren (set-off) met de verschuldigde earn-out som, voorkomt bovendien dat de koper de earn-out gijzelt als drukmiddel.

De impact van het nieuwe verbintenissenrecht (boek 5) op overnamecontracten

De inwerkingtreding van Boek 5 “Verbintenissen” van het Burgerlijk Wetboek op 1 januari 2023 heeft impact de Belgische M&A-praktijk. Het nieuwe wetboek reikt contractpartijen krachtige, nieuwe remedies aan die, indien ze niet zorgvuldig worden weggeschreven in de SPA, de delicate machtsbalans tussen koper en verkoper totaal kunnen ontwrichten.

Het gevaar van de wettelijke prijsvermindering (artikel 5.97 BW)

Een van de meest ingrijpende vernieuwingen is de introductie van het algemene recht op prijsvermindering, verankerd in artikel 5.97 BW. Vóór deze wetgeving bestond dit principe enkel in specifieke domeinen zoals de koop van consumptiegoederen. Nu geldt als algemeen verbintenisrechtelijk principe dat de schuldeiser (de koper), in geval van een gedeeltelijke of gebrekkige uitvoering die onvoldoende ernstig is om de volledige ontbinding van het contract te rechtvaardigen, een proportionele prijsvermindering kan vorderen.

Wat deze regel bijzonder gevaarlijk maakt voor verkopers bij aandelentransacties, is dat de koper deze sanctie niet alleen via de rechtbank kan vorderen, maar deze ook eenzijdig en buitengerechtelijk kan toepassen via een gemotiveerde schriftelijke kennisgeving. Een assertieve koper zou een vermeende inbreuk op een relatief mineure garantie (bijvoorbeeld een ontbrekende milieuvergunning voor een bijgebouw) kunnen aangrijpen om de betaling van een openstaande koopprijs of een earn-out eenzijdig en proportioneel te verminderen, waardoor het contract in stand blijft maar de verkoper inkomsten derft.

Om dit aanzienlijke risico in de kiem te smoren, is het integreren van een robuuste en exhaustieve ‘sole remedy’-clausule in de SPA urgenter dan ooit. Een dergelijke clausule stipuleert uitdrukkelijk en exclusief dat de koper, in geval van inbreuken op de overnameovereenkomst of de garanties, uitsluitend beroep kan doen op de contractueel voorziene schadevergoedingsmechanismen (onderworpen aan de overeengekomen caps en baskets). Het beding sluit de toepassing van alle gemeenrechtelijke remedies, in het bijzonder de wettelijke prijsvermindering (art. 5.97 BW), de buitengerechtelijke eenzijdige ontbinding (artikel 5.90 BW) en de vernietiging op grond van incidenteel wilsgebrek, nadrukkelijk uit. Zonder dergelijke clausule is het contractuele evenwicht van de SPA nagenoeg waardeloos.

Anticipatieve rechtsmiddelen: de exceptio timoris (Artikel 5.239 BW)

Een tweede significante innovatie in Boek 5 is de wettelijke codificatie van de exceptio timoris, ofwel de anticipatieve exceptie van niet-uitvoering, zoals omschreven in artikel 5.239 BW. Waar men vroeger moest wachten tot de tegenpartij daadwerkelijk in gebreke bleef, biedt dit artikel de mogelijkheid om preventief op te treden.

Indien de koper tussen het moment van ondertekening (signing) en de effectieve aandelenoverdracht (closing) – of in de periode vóór de uitbetaling van een uitgestelde koopprijs (zoals een vendor loan of earn-out) – gegronde, objectieve redenen heeft om te vrezen dat de verkoper een wezenlijke verbintenis niet zal nakomen, mag de koper zijn eigen verplichtingen (zoals de betaling van de prijs) anticipatief opschorten. Stel dat de koper kort voor closing ontdekt dat de doelvennootschap zwaar inbreuk maakt op het gegevensbeschermingsrecht en gigantische boetes riskeert, kan hij via de exceptio timoris weigeren de prijs te betalen totdat er extra garanties worden gesteld. Ook hier is contractuele finetuning in de SPA cruciaal; partijen moeten de toepassingsvoorwaarden van dergelijke excepties contractueel inkaderen of uitsluiten om te voorkomen dat transacties last-minute stranden op basis van subjectieve vermoedens.

De revolutie van Boek 6: De afschaffing van de quasi-immuniteit van hulppersonen

Met de inwerkingtreding van Boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid” van het Burgerlijk Wetboek op 1 januari 2025 heeft de wetgever een absolute paradigmaverschuiving gecreëerd die het aansprakelijkheidsrecht wijzigt, met implicaties voor de M&A-praktijk.

Sinds het befaamde Stuwadoorsarrest van het Hof van Cassatie uit 1973, genoten bestuurders, werknemers, zelfstandige consultants en onderaannemers (de zogenaamde “hulppersonen” van een vennootschap) van de beschermende quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent. Dit hield in dat wanneer zij in de uitvoering van een contractuele verbintenis van hun vennootschap een fout maakten, zij door de medecontractant niet persoonlijk en rechtstreeks buitencontractueel konden worden aangesproken, tenzij hun fout tevens een strafrechtelijk misdrijf uitmaakte. Bij aandelentransacties betekende dit dat een gefrustreerde koper, die schade leed door onjuiste financiële informatie, zich enkel kon richten tot de verkopende vennootschap. Als die vennootschap intussen een lege doos (SPV) was geworden, viste de koper achter het net.

Met het nieuwe Boek 6 wordt deze quasi-immuniteit afgeschaft. Dit betekent dat de koper thans de mogelijkheid heeft om naast de verkopende entiteit ook rechtstreeks de individuele bestuurders, de CFO, of de externe M&A-adviseurs buitencontractueel aan te spreken voor hun persoonlijk aandeel in het verstrekken van onjuiste of misleidende informatie tijdens het due diligence-proces, of voor fouten bij de uitvoering van de SPA.

Hoewel de wetgever in bepaalde beschermingsmechanismen heeft voorzien – hulppersonen kunnen zich in principe beroepen op de contractuele aansprakelijkheidsbeperkingen (zoals caps en baskets) uit het hoofdcontract, alsook op dwingende arbeidsrechtelijke en vennootschapsrechtelijke plafonds – is het risico op directe, persoonlijke aansprakelijkheid voor de bestuurder exponentieel toegenomen. Binnen de context van een overname is het voor verkopers en hun managementteams dan ook een absolute verplichting geworden om waterdichte hold-harmless clausules (vrijwaringen) te bedingen, contracten af te sluiten waarbij de persoonlijke aansprakelijkheid expliciet wordt uitgesloten waar mogelijk, en om de dekking van de Bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering (D&O-polis) grondig te optimaliseren vooraleer men een transactie aangaat.

Nieuwe regels voor persoonlijke zekerheden onder Boek 9 (2026)

Sinds 1 januari 2026 is Boek 9 “Zekerheden” (meer specifiek Titel 1: Persoonlijke Zekerheden) van het Burgerlijk Wetboek in werking getreden. Bij complexe, kapitaalintensieve overnames wordt steevast gebruikgemaakt van een arsenaal aan persoonlijke zekerheden. Men denke aan de klassieke borgtocht, de patronaatsverklaring (comfort letter) of de autonome garantie, bijvoorbeeld wanneer de moedervennootschap zich solidair garant stelt voor de betalingsverplichtingen van de overnemende werkmaatschappij (bij een vendor loan), of wanneer de uiteindelijke begunstigde persoonlijk instaat voor de vrijwaringsplichten van een verkopende holding.

Het nieuwe Boek 9 biedt voor het eerst in de Belgische geschiedenis een sluitend, modern en wettelijk kader voor deze instrumenten, in het bijzonder voor de onafhankelijke of autonome garantie (garantie op eerste verzoek), die voorheen louter op basis van de praktijk en de rechtspraak werd gedoogd. Tevens hertekent en verstrengt Boek 9 de regels omtrent de traditionele borgtocht, inclusief stringente formaliteiten inzake de kennisgevings- en informatieverplichtingen van de schuldeiser jegens de borg. SPA’s en aanverwante overnamedocumentatie die in de toekomst betalingsgaranties, holdback-mechanismen of achtergestelde leningen bevatten, dienen nu afgetoetst te worden aan dit nieuwregime. Elke onzorgvuldigheid in de redactie riskeert de toekomstige onafdwingbaarheid of nietigheid van de gestelde zekerheid in een post-closing conflict.

Het beslechten van post-acquisitiegeschillen: vorderingen, wilsgebreken en procedures

Wanneer, ondanks alle gedetailleerde contractuele beschermingsconstructies, een overname toch ontspoort na de closing, staan koper en verkoper vaak lijnrecht tegenover elkaar in complexe, langdurige procedures. De overlevingskansen van dergelijke claims hangen af van de juridische fundamenten waarop men de vordering steunt.

De problematiek van meerdere verkopers: hoofdelijkheid en in solidum

Een kritische, maar vaak over het hoofd geziene problematiek bij de redactie van een SPA, is de verdeling van de aansprakelijkheid wanneer de verkopende partij uit meerdere personen bestaat (bijvoorbeeld een combinatie van institutionele investeerders, private equity en individuele oprichters of managementleden).

Het Belgische gemeen recht, verankerd in artikel 5.159 BW, gaat uit van het fundamentele beginsel van de deelbaarheid van schulden. Dit betekent concreet dat een koper, indien hij een succesvolle schadeclaim kan aantonen, elke individuele verkoper slechts kan aanspreken voor zijn proportionele deel van de schade (doorgaans evenredig met het percentage van de verkochte aandelen). Indien één van de minderheidsaandeelhouders inmiddels insolvent is gebleken, draagt de koper volledig het kredietrisico en kan hij dit deel niet verhalen op de andere, meer bemiddelde verkopers.

Om dit aanzienlijke risico te elimineren, dient de koper in de SPA contractueel de passieve hoofdelijkheid (artikel 5.160 BW) of een in solidum gehoudenheid (artikel 5.168 BW) tussen alle verkopers te bedingen. Hierdoor creëert de koper de mogelijkheid om voor het integrale schadebedrag rechtstreeks aan te kloppen bij eender welke individuele verkoper naar keuze, veelal de partij met de meeste liquiditeiten (de deep pocket). Verkopers met een klein minderheidsbelang zullen zich tijdens de onderhandelingen begrijpelijkerwijs met hand en tand tegen deze absolute hoofdelijkheid verzetten, aangezien hun risicoblootstelling in geen enkele verhouding staat tot de beperkte overnameprijs die zij hebben ontvangen. Een werkbaar compromis bestaat er vaak in om een substantieel bedrag op een geblokkeerde escrow-rekening te deponeren, die dient als eerste, exclusieve buffer voor eventuele claims, of door de hoofdelijkheid te plafonneren per individuele verkoper.

Het laatste redmiddel: wilsgebreken en bedrog (Artikel 5.35 BW)

Wanneer de contractuele remediëringsclausules in de SPA geen soelaas bieden – bijvoorbeeld omdat een uiterst strikte cap het schadebedrag bij lange na niet dekt, omdat een de minimis niet is gehaald, of omdat een vervaltermijn is overschreden – wijken wanhopige kopers vaak uit naar het zware geschut van het gemeenrechtelijke wilsgebrek ‘bedrog’ (artikel 5.35 BW). De ratio hierachter is het aloude adagium fraus omnia corrumpit (bedrog vernietigt alles): succesvol bewezen bedrog doorbreekt immers in de regel alle contractuele aansprakelijkheidsbeperkingen in de SPA.

Om van bedrog te spreken, is vereist dat een partij werd misleid door listige kunstgrepen die de medecontractant doelbewust en opzettelijk heeft aangewend. De wet stelt uitdrukkelijk dat ook het louter stilzwijgen of het foutief achterhouden van informatie (die men krachtens de informatieplicht diende mee te delen) een dergelijke kunstgreep kan uitmaken. De rechtspraak hanteert echter een onderscheid met vergaande gevolgen :

  • Hoofdbedrog: De gepleegde kunstgrepen waren dusdanig essentieel en doorslaggevend dat de koper zonder deze misleiding de aandelen pertinent nooit zou hebben gekocht. De sanctie hiervoor is draconisch: de relatieve nietigheid van de volledige overnameovereenkomst (artikel 5.33 BW), gekoppeld aan een absolute, terugwerkende kracht (ex tunc). Dit impliceert een integrale restitutie: de aandelen moeten terug naar de verkoper, en de koopprijs terug naar de koper. In de complexe praktijk van bedrijfsovernames, waarbij de doelvennootschap na verloop van maanden of jaren vaak is geherstructureerd, gefuseerd of operationeel onherkenbaar is veranderd, is deze uitvoering in de praktijk een juridische en economische nachtmerrie.
  • Incidenteel bedrog: De situatie waarin de koper de transactie zonder de kunstgrepen waarschijnlijk wel zou hebben gesloten, maar niet onder dezelfde voorwaarden (bijvoorbeeld louter tegen een aanzienlijk lagere koopprijs). De sanctie hier leidt niet tot de vernietigende nietigheid van de transactie, maar opent de weg naar een aanvullende, proportionele schadevergoeding of een aanpassing van de prijs.

De bewijslast om de opzettelijke misleiding (het intentionele element) aan te tonen, is echter bijzonder zwaar en wordt door rechtbanken kritisch beoordeeld, in het bijzonder wanneer de koper een professionele entiteit is die werd bijgestaan door ervaren M&A-adviseurs en een langdurige due diligence heeft afgerond. Voor hen die bewust nalatig waren in hun boekenonderzoek, biedt het inroepen van bedrog doorgaans geen enkele uitweg.

Procedurele keuzes: arbitrage versus de gewone rechtbank

Gezien de overweldigende technische complexiteit, de inherente juridische onzekerheid, de substantiële expertisekosten en de wankele bewijslast bij overnamegeschillen, is het geen verrassing dat een overweldigende meerderheid van deze conflicten uiteindelijk eindigt in een buitengerechtelijke dadingsovereenkomst (minnelijke schikking). Het systematisch opbouwen van een robuust, documentair onderbouwd dossier dat strikt beantwoordt aan de contractuele formele notice-plichten, vormt veelal de essentiële hefboom om de verkoper naar de onderhandelingstafel te dwingen.

Indien het mes echter op de keel staat en een dading onmogelijk blijkt, is de keuze van de instantie voor de geschillenbeslechting – vooraf bepaald in de forumclausule van de SPA – bepalend voor het traject. Arbitrage (bijvoorbeeld via het reglement van CEPANI) geniet in de gespecialiseerde M&A-praktijk zeer vaak de absolute voorkeur op de klassieke ondernemingsrechtbanken. De onmiskenbare voordelen van arbitrage zijn de absolute vertrouwelijkheid van de procedure, de snelheid van de besluitvorming, het feit dat arbitrale vonnissen in principe bindend zijn zonder mogelijkheid tot slepende hogerberoepsprocedures, en vooral de mogelijkheid om uiterst gespecialiseerde arbiters met diepgaande financiële of technische vakkennis aan te duiden.

Tegenover deze superieure efficiëntie staat echter een formidabel financieel nadeel: arbitrage is exceptioneel duur. Procederen voor een arbitraal tribunaal betekent dat de eisende en verwerende partijen niet enkel hun respectievelijke advocaten moeten betalen, maar ook het volledige ereloon van het driekoppige arbitrale college en de administratieve provisies van het arbitrage-instituut moeten voorschieten. De financiële drempel om een procedure op te starten is bijgevolg aanzienlijk hoger dan bij de klassieke rechtsgang, wat op zichzelf reeds fungeert als een effectieve filter om louter intimiderende vorderingen in de kiem te smoren.

Veelgestelde Vragen (FAQ)

Wat is de impact van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek op M&A transacties en bestuurdersaansprakelijkheid?
Vanaf 1 januari 2025 schaft Boek 6 de historische quasi-immuniteit van hulppersonen af. Dit betekent concreet dat bestuurders, werknemers en externe adviseurs die een fout begaan bij de voorbereiding of uitvoering van een overeenkomst (zoals een due diligence of een share deal), nu rechtstreeks, persoonlijk en buitencontractueel aansprakelijk kunnen worden gesteld door de koper. Dit vereist een dringende update van vrijwaringsclausules, contractuele aansprakelijkheidsbeperkingen en de polisdekking van Bestuurdersaansprakelijkheidsverzekeringen (D&O).

Waarom is een ‘sole remedy’-clausule absoluut noodzakelijk in een Share Purchase Agreement (SPA)?
Een ‘sole remedy’-clausule sluit de toepassing van algemene wettelijke sancties uit en stipuleert dat de koper zich bij een inbreuk op de overeenkomst exclusief kan beroepen op de specifieke, contractueel overeengekomen schadevergoedingsmechanismen uit de SPA. Sinds 1 januari 2023 biedt het Burgerlijk Wetboek (artikel 5.97 BW) de koper de mogelijkheid om bij de minste wanprestatie eenzijdig en buitengerechtelijk een proportionele prijsvermindering door te voeren. Zonder een strenge ‘sole remedy’-clausule riskeert de verkoper dat de koper openstaande koopprijzen of earn-outs eigenmachtig reduceert, ongeacht de onderhandelde caps en baskets.

Hoe verschilt het wettelijke due diligence-onderzoek van de mededelingsplicht van de verkoper?
Binnen het Belgische recht dragen beide partijen een actieve plicht. De verkoper heeft een spreekplicht (mededelingsplicht) voor alle informatie waarvan hij weet of redelijkerwijs behoort te weten dat deze van essentieel, doorslaggevend belang is voor de beslissing van de koper. Tegelijkertijd heeft de koper een dwingende onderzoeksplicht. Indien de koper wordt bijgestaan door ervaren professionals, zal de rechtbank oordelen dat hij de middelen bezat om onregelmatigheden zelf te detecteren. Pas wanneer de verkoper doelbewust informatie verzwijgt en opzettelijk de dataroom manipuleert, primeert de schending van de mededelingsplicht op een oppervlakkig onderzoek van de koper.

Conclusie

Pre- en post-acquisitiegeschillen vinden in toenemende mate hun oorsprong in subtiele, vaak onopgemerkte disbalansen binnen de Share Purchase Agreement. Deze geschillen escaleren snel, van onvoldoende afgedekte earn-out mechanismen en niet-onderkende bewijsrechtelijke problemen rond dataroom-disclosure, tot het ontbreken van bescherming tegen de regels inzake eenzijdige prijsvermindering (Boek 5) en de afschaffing van de aansprakelijkheidsimmuniteit van bestuurders en M&A-adviseurs (Boek 6).

Een succesvolle, onbetwiste transactie vereist derhalve een contractuele precisie en een diepgaand begrip van zowel de bedrijfseconomische realiteit als de verborgen juridische valkuilen die in het verbintenissenrecht verankerd liggen. Het tijdig, doordacht en rigoureus documentair vastleggen van de intenties, resultaatsverbintenissen en aansprakelijkheidsbeperkingen vormt de enige legitieme en afdoende mitigatiestrategie ter bescherming van uw bedrijfsvermogen.


Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics