Mag een krant een document met uw persoonsgegevens als bewijsstuk publiceren?

Een krant mag persoonsgegevens van een onbekende derde niet zomaar als bewijsstuk bij een artikel publiceren. De journalistieke uitzondering van artikel 24 van de Wet van 30 juli 2018 schakelt rechten van de betrokkene uit, maar niet de rechtsgrondvereiste van artikel 6 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), zo oordeelde de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit op 10 augustus 2026. In die beslissing berispte zij een nieuwsmedium dat bij een artikel over gedwongen adopties de foto van een geboorteakte had gepubliceerd, waarop de naam van een geadopteerde vrouw, haar biologische moeder en haar adoptieouders leesbaar waren.

In het kort:

  • De Geschillenkamer berispte de uitgever op 10 augustus 2026 in beslissing ten gronde nr. 223/2026, omdat de foto van de geboorteakte zonder rechtsgrond en zonder transparantie werd gepubliceerd.
  • Het scharnierpunt is de noodzakelijkheidstoets van artikel 6.1.f) AVG: de getuigenis van de moeder had volgens de Geschillenkamer ook zonder leesbare namen bewezen kunnen worden, zodat een minder ingrijpend middel voorhanden was.
  • Wie als uitgever een document als bewijsstuk toont, maakt de namen van derden die niets met het debat te maken hebben vooraf onleesbaar; dat de krant de foto meteen na het eerste contact verwijderde, hield de sanctie hier bij een berisping zonder geldboete.

De feiten

Op 14 december 2023 publiceerde een Belgische krant met een dagelijks bereik van ongeveer twee miljoen lezers de getuigenis van een moeder die onder volledige narcose was bevallen en tijdens de bevalling zonder haar toestemming was gesteriliseerd. Haar kind werd nadien geadopteerd. De getuigenis paste in een journalistiek onderzoek naar het verhandelen van kinderen door kerkelijke instellingen, en leidde diezelfde week tot een spontane getuigenis in de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Twee dagen later, op 16 december 2023, verscheen een vervolgartikel waarin experten uitlegden of de feiten uit de getuigenis strafbaar konden zijn. Bij dat online artikel plaatste de krant een foto van een kopie van de geboorteakte van het geadopteerde kind, naast de foto van een van de experten. De akte diende als bewijsstuk voor het verhaal van de moeder. Op de foto stonden de naam van het kind, intussen een volwassen vrouw, de naam van haar biologische moeder en de namen van haar adoptieouders. De tekst was klein en handgeschreven, maar wie inzoomde, kon hem lezen.

De vrouw had niet om de publicatie gevraagd en was er niet van op de hoogte gebracht. Volgens haar wisten enkel haar naaste familieleden van de adoptie; haar vriendenkring niet. Na een eerste contact tussen haar raadsman en de krant werd de foto van het online artikel gehaald. Op 4 april 2024 diende zij toch een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA). De uitgever verweerde zich met de journalistieke uitzondering, met het gerechtvaardigd belang als rechtsgrond, en met het argument dat de klaagster de foto eerst had moeten uitvergroten, afdrukken en opnieuw fotograferen om de namen leesbaar te maken.

De beslissing

De Geschillenkamer behandelde vier vragen: of de klacht nog een voorwerp had, of de journalistieke uitzondering de toetsing uitsloot, of de publicatie een rechtsgrond had, en of de geboorteakte een bijzondere categorie van persoonsgegevens bevatte.

Het voorwerp van de klacht en de identificeerbaarheid van de klaagster

De uitgever vroeg een seponering omdat de foto al verwijderd was en omdat de klacht volgens hem eigenlijk voor de katholieke kerk was ingediend. De Geschillenkamer wees beide argumenten af. Het voorwerp van de klacht is de rechtmatigheid van de verwerking op het ogenblik van de feiten, niet het recht op wissing; dat de foto nadien verdween, maakt de publicatie niet ongedaan. De Geschillenkamer verwees daarvoor naar het Marktenhof, dat in de zaak Mediahuis oordeelde dat niemand een subjectief recht op een sepot kan putten uit het sepotbeleid of uit een vermeende vaste beslissingspraktijk (HvB Brussel (Marktenhof) 3 september 2025, 2025/AR/253). Dat de klaagster een functie binnen de kerk heeft, deed er evenmin toe: haar naam stond op de akte, dus zij is betrokkene en heeft belang.

Het argument van de uitvergroting hield evenmin stand. Overweging 26 van de AVG zegt dat een persoon identificeerbaar is wanneer rekening wordt gehouden met alle middelen waarvan redelijkerwijs valt te verwachten dat zij worden gebruikt. Inzoomen op een online foto is zo’n middel. De Geschillenkamer merkte daarbij op dat het leesbaar maken van namen geen biometrische verwerking is, en dat het voorbeeld van de uitgever over gezichtsherkenning op groepsfoto’s daarom niet opging.

De journalistieke uitzondering en de rechtsgrond van artikel 6 AVG

Artikel 85 AVG draagt de lidstaten op om het recht op gegevensbescherming in overeenstemming te brengen met de vrijheid van meningsuiting, en laat hen toe voor journalistieke verwerkingen af te wijken van onder meer de beginselen en de rechten van de betrokkene. België deed dat in artikel 24 van de Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (WVP). Een verwerking voor journalistieke doeleinden is volgens die bepaling het verzamelen, opstellen, verspreiden of archiveren van gegevens om het publiek te informeren, met behulp van elk medium, waarbij de verwerkingsverantwoordelijke zich de naleving van de journalistieke deontologie tot taak stelt. Paragraaf 2 van artikel 24 WVP schakelt voor zulke verwerkingen een reeks artikelen van de AVG uit, waaronder de informatieplichten van de artikelen 13 en 14, het inzagerecht en het recht van bezwaar.

Dat de publicatie journalistiek was, stond volgens de Geschillenkamer niet ter discussie. Maar artikel 6 AVG staat niet in de lijst van artikel 24, § 2 WVP. De vereiste van een rechtsgrond blijft dus onverkort gelden, en de Geschillenkamer blijft bevoegd om die te toetsen, zij het terughoudend. Omdat de klacht niet over een wissingsverzoek ging, was de journalistieke uitzondering volgens de Geschillenkamer niet pertinent voor de vraag die voorlag.

De toetsing van het gerechtvaardigd belang

Het gerechtvaardigd belang van artikel 6.1.f) AVG is de rechtsgrond die een verwerking toelaat wanneer zij noodzakelijk is voor een gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke, tenzij de belangen of grondrechten van de betrokkene zwaarder wegen. De uitgever beriep zich uitsluitend op die grond. Het Hof van Justitie verlangt daarvoor drie cumulatieve voorwaarden, zoals het formuleerde in het arrest Rīgas satiksme (HvJ 4 mei 2017, C-13/16): een gerechtvaardigd belang, de noodzaak van de verwerking voor dat belang, en een belangenafweging die in het voordeel van de verwerkingsverantwoordelijke uitvalt.

De eerste voorwaarde was vervuld. De rol van de pers als publieke waakhond en het informeren van het publiek over een kwestie van algemeen belang is een gerechtvaardigd belang. De Geschillenkamer preciseerde wel dat de biologische moeder geen verwerkingsverantwoordelijke was: zij werd geïnterviewd en gefotografeerd met de akte, maar de beslissing om de foto te publiceren was een journalistieke keuze van de uitgever alleen. Diens eigen belang telt dus, niet dat van de moeder.

Op de noodzakelijkheidstoets ging het mis. Het Hof van Justitie leest die toets samen met het beginsel van minimale gegevensverwerking, zoals het deed in het arrest Meta Platforms tegen Bundeskartellamt (HvJ 4 juli 2023, C-252/21): de verwerkingsverantwoordelijke moet nagaan of hetzelfde doel niet even goed met een minder ingrijpend middel te bereiken is. De Geschillenkamer stelde vast dat de uitgever de handgeschreven tekst wel uitermate klein had afgebeeld, maar niet onleesbaar had gemaakt. Dat de krant volgens haar eigen verweer niet de bedoeling had om de klaagster te identificeren, en dat de klaagster geen publiek figuur is, bewees volgens de Geschillenkamer juist dat de leesbare namen niet nodig waren voor het journalistieke doel. Bovendien was de foto pas twee dagen na de getuigenis gepubliceerd, toen die al tot actieplannen had geleid.

Ook de afweging viel in het nadeel van de uitgever uit. De uitgever had de belangen van de klaagster gelijkgesteld met die van de katholieke kerk en had haar persoonlijke en sociale belangen niet benoemd. De Geschillenkamer wees erop dat een adoptie die enkel de naaste familie kent, een intiem gegeven is, dat de klaagster door de publicatie als slachtoffer in een publiek debat werd betrokken waarin zij niet wilde figureren, en dat zij, zonder enige band met de krant, redelijkerwijs niet kon verwachten dat haar akte online zou verschijnen. Dat de publicatie als geheel bijdroeg aan het publieke debat over kerkelijke adopties, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat begrip invult in het arrest Satakunnan Markkinapörssi en Satamedia tegen Finland (EHRM (Grote Kamer) 27 juni 2017, 931/13), volstond niet om de foto zelf te rechtvaardigen.

Behoorlijkheid en transparantie, en de bijzondere categorieën van gegevens

De uitgever stelde dat hij de klaagster niet hoefde te informeren, omdat artikel 24 WVP artikel 14 AVG uitschakelt. De Geschillenkamer antwoordde dat de artikelen 5.1.a) en 12.1 AVG, die het beginsel van behoorlijkheid en transparantie dragen, niet in die lijst staan. Het gebrek aan voorafgaande informatie woog in de belangenafweging mee, en vormde volgens de Geschillenkamer daarnaast een afzonderlijke inbreuk op artikel 5.1.a) AVG.

Op één punt kreeg de uitgever gelijk. Namen op een geboorteakte laten op zich niet toe om iemands etnische afkomst te achterhalen, zodat de foto geen bijzondere categorie van persoonsgegevens in de zin van artikel 9 AVG bevatte.

De sanctie

Op grond van artikel 100, § 1, 5° van de Wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit koos de Geschillenkamer voor een berisping, de lichtste sanctie na de waarschuwing. Zij hield rekening met de verwijdering van de foto na het eerste contact, met de delicate afweging tussen gegevensbescherming en persvrijheid, en met het verschil tussen een journalist die te goeder trouw dacht dat de tekst onleesbaar was en een uitgever die namen letterlijk in een artikel afdrukt. Een geldboete, waar de klaagster om had gevraagd, kwam er niet. De beslissing kan binnen dertig dagen worden aangevochten bij het Marktenhof; of dat is gebeurd, is op dit ogenblik niet bekend.

Juridische analyse en duiding

Waarom de journalistieke uitzondering de rechtsgrond niet dekt

De krant redeneerde dat een journalistieke publicatie buiten het bereik van de GBA valt zodra artikel 24 WVP van toepassing is. Die redenering houdt geen stand, en dat ligt aan de tekst van de wet zelf. Artikel 24, § 2 WVP somt op welke bepalingen van de AVG niet gelden voor journalistieke verwerkingen, en artikel 6 staat niet in die lijst. SCHRAM schrijft in dezelfde zin dat de pers voor haar verwerkingen twee rechtsgronden ter beschikking heeft, de toestemming en het gerechtvaardigd belang, en dat de vrijheid van meningsuiting van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) het belang is dat de journalist in die tweede grond inbrengt (F. SCHRAM, Privacy & persoonsgegevens. Handboek, Brussel, Politeia, 2023, 904). De journalistieke uitzondering verandert dus niet de vraag of er een rechtsgrond moet zijn, maar wel de inhoud van de afweging die onder artikel 6.1.f) AVG wordt gemaakt.

Het Hof van Justitie bevestigde onlangs dat de journalistieke uitzondering geen vrijgeleide is. In het arrest Legal Newsdesk Sweden (HvJ 9 juli 2026, C-199/24) oordeelde het dat een lidstaat de betrokkene zijn rechtsmiddelen niet mag ontnemen door een activiteit onder de vrijheid van meningsuiting te plaatsen; wij bespraken dat arrest eerder in Geldt de journalistieke uitzondering op de AVG voor het online publiceren van strafrechtelijke veroordelingen? Beslissing 223/2026 past in die lijn: het journalistieke karakter van de publicatie staat vast, en toch wordt de rechtsgrond getoetst.

De tegenstem: schuift de GBA via artikel 5 de informatieplicht opnieuw binnen?

De uitgever had op één punt een sterker argument dan de beslissing laat uitschijnen. Artikel 24, § 2 WVP sluit de artikelen 13 en 14 AVG uitdrukkelijk uit. De memorie van toelichting bij de wet van 30 juli 2018 verklaart waarom: elk mechanisme dat een controle vooraf op een journalistieke verwerking zou toelaten, moest wegvallen, omdat artikel 25 van de Grondwet censuur verbiedt en een journalist enkel achteraf ter verantwoording kan worden geroepen. Een betrokkene vooraf verwittigen dat haar geboorteakte zal verschijnen, is precies zo’n mechanisme: wie het weet, kan naar de kortgedingrechter stappen. De Geschillenkamer komt niettemin tot een afzonderlijke inbreuk op artikel 5.1.a) AVG omdat de klaagster niet vooraf werd ingelicht. Zo dreigt via het algemene transparantiebeginsel binnen te komen wat de wetgever via de artikelen 13 en 14 bewust buiten de deur hield.

Die kritiek weegt zwaar voor de afzonderlijke inbreuk, maar minder voor de belangenafweging. Overweging 47 AVG verlangt dat de redelijke verwachtingen van de betrokkene in de afweging onder artikel 6.1.f) worden betrokken, en de wetgever heeft die overweging niet uitgeschakeld. Dat een onbekende derde niet kon verwachten dat haar akte online zou verschijnen, is dus een geldig element in de afweging, los van de vraag of de krant haar had moeten verwittigen. De Geschillenkamer had de twee sporen scherper uit elkaar kunnen houden: het gebrek aan voorafgaande informatie als factor in de afweging is verdedigbaar; dezelfde omstandigheid als zelfstandige inbreuk op het transparantiebeginsel spoort moeilijk met de keuze van de wetgever. De Geschillenkamer verwijst zelf naar haar eerdere beslissing nr. 45/2024, waarin zij vragen stelde bij de verenigbaarheid van artikel 24, § 2 WVP met artikel 85 AVG. Die twijfel gaat echter over de ruimte van de uitzondering, en zolang de wetgever de bepaling niet aanpast, geldt zij zoals zij er staat.

Wie beslist wat journalistiek noodzakelijk is?

De Geschillenkamer zegt tweemaal dat zij terughoudend moet zijn bij de beoordeling van de noodzaak van een journalistieke verwerking, en verwijst daarvoor naar de rol van de Raad voor de Journalistiek, waarvan de code in artikel 23 bepaalt dat journalisten het privéleven niet verder aantasten dan het maatschappelijk belang van de berichtgeving vereist. Daarna beoordeelt zij toch zelf of het bewijsstuk nodig was, en komt zij tot het besluit dat een geanonimiseerde akte had volstaan. Het Hof van Justitie had de nationale rechter in het arrest Satamedia (HvJ 16 december 2008, C-73/07) al opgedragen om bij journalistieke verwerkingen een evenwicht te zoeken tussen beide grondrechten, en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gaf daarvoor in het arrest Satakunnan Markkinapörssi en Satamedia tegen Finland een lijst criteria: de bijdrage aan een debat van algemeen belang, de bekendheid van de betrokkene, het onderwerp, de inhoud en vorm van de publicatie, en de wijze waarop de informatie is verkregen.

De beslissing past die criteria toe, maar het resultaat blijft dat een administratieve toezichthouder beslist over een redactionele keuze. De uitgever had aangevoerd dat de moeder in 2014 al eens had getuigd zonder bewijsstuk en dat niemand haar toen geloofde. Dat argument gaat over de geloofwaardigheid van de getuigenis, en de Geschillenkamer gaat er inhoudelijk niet op in; zij stelt enkel dat de getuigenis al tot actieplannen had geleid. Een rechter die de zaak onder de persvrijheid van artikel 10 EVRM zou beoordelen, zou vermoedelijk langer stilstaan bij de vraag of een krant een document mag tonen om een betwist verhaal te staven. Het antwoord van de Geschillenkamer is niettemin verdedigbaar, en wel om een eenvoudige reden: niet het tonen van de akte werd veroordeeld, maar het tonen van de leesbare namen van derden. Een akte met afgedekte namen bewijst de bevalling, de adoptie en de datum even goed. De keuze om wel of niet een document te tonen, blijft bij de redactie; de keuze om de identiteit van een onbekende derde prijs te geven, niet.

Een omweg langs artikel 9 die de wet niet vraagt

De Geschillenkamer onderzocht uitvoerig of namen op een geboorteakte de etnische afkomst verraden en besloot van niet. Die analyse was juridisch overbodig. Artikel 24, § 2 WVP schakelt artikel 9 AVG voor journalistieke verwerkingen uit, zodat zelfs een geboorteakte die wel een bijzondere categorie van gegevens zou bevatten, voor de pers niet onder het verwerkingsverbod valt. De uitkomst verandert er niet door, maar de omweg toont hoe de beslissing de journalistieke uitzondering behandelt: als een regime dat enkel het wissingsverzoek raakt, terwijl het ook de beginselen en de bijzondere categorieën aanbelangt. Voor een uitgever die zich in een volgend dossier verweert, is dat een nuttig gegeven: de uitzondering reikt verder dan de beslissing suggereert, maar laat artikel 6 ongemoeid.

Wat betekent dit concreet?

Voor uitgevers, redacties en journalisten. De journalistieke uitzondering beschermt het onderzoek, de bronnen en de publicatie zelf, maar niet de keuze om de identiteit van een onbekende derde prijs te geven die niets aan het verhaal toevoegt. Wie een document als bewijsstuk wil tonen, dekt de namen, adressen en nummers van derden vooraf af, en legt in het redactiedossier vast waarom een bepaald gegeven toch leesbaar moest blijven. Een kleine weergave volstaat niet: een online foto kan altijd worden uitvergroot, en het verweer dat identificatie nooit de bedoeling was, keerde zich in deze zaak tegen de krant. De getuige die het document aanlevert, draagt de verantwoordelijkheid niet; die ligt bij wie publiceert. Het sepotbeleid van de GBA biedt geen zekerheid: een foto verwijderen na een klacht beperkt de sanctie, maar wist de inbreuk niet.

Voor wie zijn gegevens in een krantenartikel terugvindt. U hoeft geen publiek figuur te zijn om belang te hebben bij een klacht, en u hoeft de publicatie niet eerst te laten verwijderen om bij de GBA terecht te kunnen. De klacht gaat over de publicatie zoals zij was, niet over wat er vandaag nog online staat. Een schadevergoeding vraagt u echter niet aan de GBA; daarvoor is de burgerlijke rechter bevoegd, zoals wij toelichtten in Kan de gegevensbeschermingsautoriteit een klacht afwijzen omdat er al een procedure bij de rechter loopt? Houd er rekening mee dat de rechter de persvrijheid ruim beschermt wanneer de publicatie zelf bijdraagt aan een debat van algemeen belang, zoals het hof van beroep te Antwerpen oordeelde in de zaak die wij bespraken in Mag een journalist uw persoonsgegevens delen voor een nieuwsartikel? Beslissend is of uw identiteit nodig was voor dat debat. Twijfelt u of een publicatie over u de grens van het gerechtvaardigd belang overschrijdt, dan is die noodzakelijkheidstoets het eerste wat wij voor u nagaan, zo nodig samen met een advocaat gespecialiseerd in GDPR die de klacht bij de GBA en de vordering voor de rechter op elkaar afstemt.

Voor wie een getuigenis aflegt met documenten. Wie een journalist een akte, brief of medisch stuk bezorgt, blijft betrokkene en wordt geen verwerkingsverantwoordelijke. De beslissing legt de verantwoordelijkheid voor wat er met het document gebeurt bij de redactie. Dat belet niet dat u zelf kunt vragen om namen van derden af te dekken, zeker wanneer het document ook familieleden identificeert die niets aan de publicatie hebben gevraagd.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Mag een krant mijn persoonsgegevens publiceren zonder mijn toestemming?

Ja, in veel gevallen. De pers hoeft uw toestemming niet te vragen en mag zich beroepen op het gerechtvaardigd belang van artikel 6.1.f) AVG, dat de vrijheid van meningsuiting en de rol van publieke waakhond omvat. De publicatie moet dan wel noodzakelijk zijn voor het journalistieke doel en de afweging tegen uw belangen doorstaan. Een naam die niets toevoegt aan een verhaal over iemand anders, doorstaat die toets volgens de Geschillenkamer niet.

Geldt de AVG wel voor journalisten in België?

Ja, maar met uitzonderingen. Artikel 24 van de Wet van 30 juli 2018 schakelt voor journalistieke verwerkingen een reeks bepalingen uit, waaronder de informatieplichten, het inzagerecht, het recht op rechtzetting, het recht van bezwaar en het verbod op de verwerking van bijzondere categorieën van gegevens. De vereiste van een rechtsgrond, het beginsel van minimale gegevensverwerking en het toezicht van de GBA blijven gelden.

Kan ik nog een klacht indienen als de krant de publicatie al heeft verwijderd?

Ja. De Geschillenkamer oordeelde dat het voorwerp van de klacht de rechtmatigheid van de publicatie op het ogenblik van de feiten is. Dat de foto nadien offline ging, neemt de inbreuk niet weg, al kan het wel meewegen bij de keuze van de sanctie. In deze zaak leidde de snelle verwijdering mee tot een berisping in plaats van een geldboete.

Moet een journalist mij vooraf verwittigen dat mijn gegevens zullen verschijnen?

Nee, de wet legt die verplichting niet op: artikel 24 WVP sluit de informatieplichten van de artikelen 13 en 14 AVG uit voor journalistieke verwerkingen. De Geschillenkamer houdt er in haar belangenafweging wel rekening mee dat een onbekende derde die niets weet, de publicatie redelijkerwijs niet kon verwachten. Of het gebrek aan verwittiging ook een zelfstandige inbreuk op het transparantiebeginsel vormt, zoals de Geschillenkamer in deze zaak aannam, is voor discussie vatbaar.

Conclusie

Een nieuwsmedium dat een document als bewijsstuk toont, moet in België de namen van derden die niets aan het verhaal toevoegen onleesbaar maken. De journalistieke uitzondering van artikel 24 WVP schakelt rechten van de betrokkene uit, maar laat de vereiste van een rechtsgrond en de noodzakelijkheidstoets van artikel 6.1.f) AVG onverkort gelden. Dat is de kern van beslissing 223/2026 van de Geschillenkamer, die de uitgever berispte zonder geldboete, en die op de kwestie van de voorafgaande verwittiging voor discussie vatbaar blijft.


ICT Rechtswijzer is het kennisplatform van het departement intellectuele eigendom, IT-recht, AI-recht, gegevensbescherming en mediarecht van Everest Advocaten, onder leiding van mr. Joris Deene. Onze advocaten begeleiden uitgevers en redacties bij de toetsing van een publicatie aan de AVG en de journalistieke deontologie, en staan betrokkenen bij die hun persoonsgegevens in een persartikel terugvinden, van de klacht bij de GBA tot de vordering voor de rechter.

Joris Deene

Mr. Joris Deene is advocaat-partner bij Everest Advocaten en leidt het departement intellectuele eigendom, IT-recht, AI-recht, gegevensbescherming en mediarecht. ICT Rechtswijzer is het kennisplatform van dat departement. Joris publiceert en doceert over auteursrecht, merkenrecht, softwarerecht, de AVG, de AI-Act, de DSA en het mediarecht.

Contact

Vragen? Advies nodig?
Neem contact op met Advocaat Joris Deene.

Telefoon: 09/280.20.68
E-mail: joris.deene@everest-law.be

Topics